Raadsman bij politieverhoor

door GB op 02/07/2009

in Grondrechten, Recensies

Post image for Raadsman bij politieverhoor

Hoe dat precies inhoudelijk zit met die raadsman bij het politieverhoor, laat ik graag aan deskundigen. Maar er spelen in deze zaak nog andere dingen die hier de aandacht verdienen. Het betreft namelijk een zaak waarin de Hoge Raad reageert op een uitspraak van het EHRM: Salduz tegen Turkije (27 november 2008, NJ 2009/214 ). Het EHRM pakte verstrekkend uit: ‘Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. ‘ (curs. GB)

De Hoge Raad voelt zich een paar maanden later geroepen om de gevolgen van deze uitspraak onder woorden te brengen. Dat gaat zo ver, dat er een zaak met een ondeugdelijk cassatiemiddel als vehikel wordt genomen om obiter dicta uitgebreid stil te staan bij de EHRM-uitspraak. Opvallend daarbij is vooral het opening statement:

2.4. Het opstellen van een algemene regeling van de rechtsbijstand met betrekking tot het politieverhoor gaat – mede gelet op de beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten – de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten. Niettemin roept de rechtspraak van het EHRM vragen op die de strafrechter in voorkomende gevallen dient te beantwoorden. Daartoe dient het navolgende.

2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.

2.6. Het voorgaande ziet zowel op aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden strafrechtelijk jeugdigen. Opmerking verdient dat voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie.

Het rechtsgevolg dat in beginsel aan schending van deze norm moet worden verbonden is het uitsluiten van bewijsmiddelen wegens een ernstig verzuim.

Het ‘opstellen van een algemene regeling’ gaat naar eigen zeggen de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Dat betekent voor de Hoge Raad echter niet dat van iedere rechtszoekende die een beroep doet op de uitspraak van het EHRM verwacht hoeft te worden dat hij wacht op een door de wetgever te treffen regeling. De Hoge Raad blijkt bereid een soort ‘noodverband’ aan te leggen. Maar wat de Hoge Raad in de volgende overweging doet is alles behalve een noodverband. Dat lijkt mij gewoon een ‘algemene regeling’ met behoorlijke beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten. Daarbij trekt de Hoge Raad ook meteen in de interpretatie van de uitspraak van het EHRM naar zich toe, althans, ik zie weinig ruimte meer voor de wetgever om een andere lezing van de uitspraak erop na te houden. Kennelijk weegt het belang om zo snel mogelijk de volle werking van de uitspraak van het EHRM te verzekeren zwaarder dan de grenzen van de rechtsvormende taak. De in beginsel op de Staat als geheel rustende verplichting om aan de declaratoire uitspraak van het EHRM te gaan voldoen wordt door de Hoge Raad direct ‘uitgevoerd’, terwijl het Straatsburgse Hof om het bestaan van een regel vroeg.

Volgens mij is dat wel eens anders geweest. In de zaak Kroon, bijvoorbeeld, liet de civiele kamer van de Hoge Raad de vraag of er schending was van artikel 8 EVRM in het midden, omdat het bieden van een oplossing de rechtsvormende taak van de rechter te buiten ging. Zelfs nadat het EHRM in die zaak wel had uitgesproken dat het EVRM geschonden was, bleef de Hoge Raad volhouden dat men bij de rechter niet terecht kon voor een oplossing van dit probleem. Ook niet voor een noodverband. In de belastingforfait-zaken vroeg de fiscale kamer van de Hoge Raad eveneens van de rechtszoekenden om een schending van het EVRM te dulden totdat de wetgever die had opgelost. Maar bij de strafkamer komen we niets tekort!

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Jerfi Uzman 06/07/2009 om 14:43

Beste Geerten,
Dicht je de Hoge Raad hier niet een te grote rol toe? En gaat de strafkamer nu echt verder dan de beide andere kamers als het om rechtsvorming na Straatsburgse orakelkunsten gaat? Ik denk zelf van niet. Ook de civiele en de belastingkamer lustten er in het verleden af en toe wel pap van. De rechtspraak inzake ouderlijk gezag voor ongehuwden levert daarvan mooie voorbeelden.

Je hebt vermoedelijk gelijk dat hier beter van een algemene regel dan van een noodverband kan worden gesproken. Maar deze regel vloeit rechtstreeks voort uit de arresten Salduz en Panovits. Dat een verdachte voordat hij verklaringen gaat afleggen tenminste op de één of andere manier de mogelijkheid moet hebben gehad om met een advocaat te overleggen, is wel het minste dat zich uit beide arresten laat aflezen. Het is ook duidelijk dat het ontbreken van die mogelijkheid gevolgen moet hebben voor het bewijs. Op dit punt heeft de Staat dan ook geen enkele keuzevrijheid. De strafkamer lijkt dan ook binnen de grenzen van zijn rechtsvormende taak te blijven.

De overweging van de HR dat hij geen algemene regel m.b.t. rechtsbijstand kan gaan opstellen gaat volgens mij dan ook om iets anders. Uit Salduz en Panovits vloeien méér eisen voort dan alleen dat een verdachte de mogelijkheid moet hebben om vooraf met een raadsman te overleggen. De organisatorische en financiële aspecten waarover de HR het heeft betreffen de vraag of ook deze rechtsbijstand gratis behoort te zijn (en voor iedereen of alleen voor de beperkt draagkrachtigen?), of de overheid afspraken moet maken met de balie over beschikbaarheid van advocaten, en ga zo maar door. Voor dergelijke aspecten acht de HR zich – terecht n.m.m. – niet de aangewezen instantie.

De HR laat niet alleen de organisatorische aspecten voor de wetgever liggen. Hij is er ook op gespitst geen millimeter verder te gaan dan de meest minimalistische uitleg van de Salduz-rechtspraak. Die rechtspraak is nog niet uitgekristalliseerd en de wetgever heeft dan ook nog een belangrijke rol te spelen. Zo is ook nog niet helemaal duidelijk hoe ver de bewijsuitsluitingsplicht precies moet gaan: steeds een advocaat bij het verhoor of is voorafgaand overleg genoeg? Geldt de regel alleen voor verdachten die in voorarrest zitten of ook voor verdachten die nog op vrije voeten zijn? De HR is hier gewoon gaan zitten op wat hij beschouwt als het absolute minimum en een nog beperktere uitleg lijkt me lastig te verdedigen. Juist omdat de HR voor de minst vergaande interpretatie van Salduz en Panovits kiest, loopt hij de wetgever niet voor de voeten. De rechter blijft dan ook keurig binnen zijn institutionele grenzen. Zelfs iets té keurig als je het mij vraagt.

Het gebruik van de bewoording "as a rule" slaat n.m.m. trouwens ook niet op de regel van de HR. Het EHRM geeft hier geen bevel tot regelgeving, maar ontleent zelf aan artikel 6 o.m. de regel dat toegang tot een raadsman al in een vroeg stadium mogelijk moet zijn. Als er een rechterlijke instantie is die hier aan rechtsvorming doet, dan is dat het EHRM zelf. Aan die interpretatie zijn de Staat en al zijn organen – waaronder dus ook de rechtspraak – gebonden. Het EHRM vráágt dus niet om een regel. het geeft er een.

Voor die regel moet een plaats worden gezocht in het nationale recht en dat is wat de HR in deze uitspraak doet: het past de regel die het EHRM heeft geformuleerd in het bestaande rechtsstelsel (van artikel 359a Sv) in. Schending van de regel betekent volgens het EHRM dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad. De HR 'vertaalt' dat naar de nationaalrechtelijke kwalificatie dat in een dergelijk geval sprake is van 'ernstig verzuim'. Ik zie hier geen groteske rechtsvorming in, enkel een vertaling naar het Nederlands van een Straatsburgse hartekreet.

Groet,
Jerfi

2 GB 10/07/2009 om 11:17

Deze discussie gaan we op de frontpage voortzetten!

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: