Rapport commissie Scheltema

door PWdH op 01/07/2010

in Varia

Enkele indrukken van het rapport van de commissie Scheltema, dat de ondergang van DSB onderzocht. Het rapport bevestigt het beeld van DSB Bank als een soort Dagobert Duck-bank, die geheel ter beschikking stond van Scheringa. Met dien verstande dat Scheringa niet beschikte over een pakhuis vol cash, maar voor instandhouding van zijn ‘hobby’s’ afhankelijk was van het bij voortduring ophalen van provisies op verzekeringen bij leningen. Het geld om steeds nieuwe leningen uit te zetten haalde hij weer op uit securitisaties en toen dat door de kredietcrisis niet meer ging – evenals Icesave – uit het grootschalig ophalen van spaargeld en noodvoorzieningen van DNB. Binnen het concern werd ondertussen het ene gat met het andere gedicht: zo mocht de beheersmaatschappij een schuld maken bij de bank van bijna 80 miljoen euro.

Ook wordt het beeld bevestigd dat toezichthouder DNB in de woorden van Scheltema onvoldoende ‘krachtdadig’ toezicht hield. Bij de overname van Fortis en de ondergang van Icesave kwam ook al naar voren dat DNB zich te strikt houdt aan formele bevoegdheden. Het rapport lezend lijkt het erop dat sinds het afgeven van de bankvergunning in 2000 DNB steeds dezelfde kritiekpunten heeft en die – een beetje flauw gezegd – in steeds bozere brieven onder de aandacht brengt (de ‘governance’ moet anders (indammen positie Scheringa), meer aandacht voor prudentieel beleid en risicoanalyse naast commercie, de verhouding tussen bank en beheersmaatschappij moet worden geformaliseerd en geprofessionaliseerd). Terwijl de raad van commissarissen zich meer zag als raad van advies, bleek Scheringa in staat DNB op enkele kleine aanpassingen na grotendeels te negeren. Wellicht is DNB te netjes voor self made men als Scheringa.

Aan de andere kant: zou een toezichthouder niet ook snel zijn gezag kwijtraken wanneer hij buiten zijn bevoegdheden zou treden en door de rechter wordt teruggefloten? Scheringa was in elk geval niet te beroerd om bij de Ombudsman te klagen over het optreden van de AFM. De gedragstoezichthouder sloeg aan op elk Becam-reclamefilmpje waarin te kleine lettertjes werden gehanteerd (waarna het OM – aanvankelijk kon AFM nog niet sanctioneren – overigens regelmatig seponeerde). Een cruciaal moment lijkt het aantreden van Zalm. DNB stond op het punt een stille curator te benoemen om met bijzondere bevoegdheden orde op zaken te stellen en als tegenwicht tegen het dominanten duo Scheringa-Van Goor. Met Zalm in zicht zag DNB hier uiteindelijk vanaf.

Iets anders is de ‘haircut’. In de aanloop naar het faillissement begrepen we niet goed hoe het hier nu mee zat. Het leek er op dat DNB op een cruciaal moment de kredietkraan dichtdraaide en daarmee DSB bij wijze van spreken het laatste zetje gaf. Het rapport heldert dit op. In de haircut toont zich de dubbelfunctie die DNB heeft. Enerzijds is DNB nationaal toezichthouder op banken, anderzijds het Nederlandse filiaal van het Eurosysteem. Dit Eurosysteem stelde (en stelt waarschijnlijk) allerlei noodvoorzieningen ter beschikking om banken van voldoende liquide middelen te voorzien, tegen onderpand. Ook DSB ‘trok’ destijds op deze voorzieningen, om als gezegd nieuwe leningen uit te kunnen blijven zetten. Het ziet er naar dat DSB daarmee overigens oneigenlijk gebruik maakte van deze regeling, maar dit is tamelijk ingewikkeld. In elk geval besloot DNB – in de rol van vertegenwoordiger van het Eurosysteem, dus in naam van de Europese belastingbetaler – op enig moment de waarde van het onderpand (slechte leningen, claims) van DSB af te waarderen van 1,8 naar 1 miljard euro. Daarmee zou DSB minder kunnen trekken en dat leidde uiteraard tot een verslechtering van solvabiliteit en liquiditeit. Overigens stond daar wel tegenover dat DSB een beroep zou kunnen doen op – als het goed begrijp – weer een ander potje, de Emergency Liquidity Assistance. Per saldo zou de positie van DSB niet enorm verslechteren. De commissie hekelt hier terecht de timing en communicatie van DNB, zowel naar DSB als ook naar de verzamelde banken, die juist bezig waren een reddingsplan in elkaar te zetten.

Dat reddingsplan, aldus de commissie, had DNB sowieso te veel op het bordje van de banken gelegd. In de veronderstelling dat het vooruitzicht dat zij de uitkeringen van het depositogarantiestelsel moesten ophoesten een voldoende drijfveer zou zijn om DSB in enige vorm overeind te houden. DNB had hier meer het initiatief moeten nemen en het reddingsplan als gezamenlijke verantwoordelijkheid moeten zien. Het plan strandde op de weigering van de Staat mee te betalen en garanties te stellen, hetgeen de commissie te rechtvaardigen acht, nu DSB niet ‘een in de kern gezonde bank’ was en niet van systematisch belang.

Hoewel de commissie heeft zich over de aansprakelijkheidsvraag terecht niet heeft willen uitlaten (ook in NOVA wilde Scheltema er niet aan) merkt de commissie nog op dat een ander optreden van DNB de ondergang van DSB niet had voorkomen. Er kan dus in elk geval – op basis van het rapport – een causaliteitsverweer worden gevoerd.

Vorige post:

Volgende post: