Haastige spoed: Re- en dupliek

door MN op 28/03/2010

in Haagse vierkante kilometer

GB, de heer Breunese en Ans H. hebben gevolg gegeven aan mijn uitnodiging mij van alles onder de neus te wrijven, waarvoor dank. Ik doe zelf nog een duit in het zakje. Voor de kijkers die later hebben ingeschakeld een heel korte samenvatting: ik heb me afgevraagd of er staatsrechtelijke bezwaren zijn tegen aanhangigmaking van een grondwetherzieningsvoorstel (in tweede lezing) bij een Tweede Kamer die niet over dat wetsvoorstel zal kunnen beslissen. GB, Breunese en Ans H. wijzen erop dat, vanwege de discussies die in het verleden zijn gevoerd over de grondwetsherzieningsvoorstellen inzake de deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester en diens voorzitterschap van de gemeenteraad, het van belang is dat een speciaal voor de grondwetsherziening gekozen Tweede Kamer zich fluks aan die herziening zet. Sinds die discussies weten we dat voortijdige ontbinding een tweede lezing weliswaar niet onmogelijk maakt, maar wel onwenselijk is. Daarom moet Halsema’s herzieningsvoorstel op dag 1 van de nieuwe Kamerperiode hoog op de lijst ingekomen post prijken. Verder voert GB nog aan dat art. 137 lid 4 Grondwet dateert uit een tijd dat advisering door de Raad van State aan de Tweede Kamer nog niet verplicht was, waardoor mijn citaat uit de memorie van toelichting op dit artikel aan waarde zou inboeten. Bovendien verzet dat zich volgens GB eerder tegen voortijdige behandeling dan tegen (voortijdige) aanhangigmaking.

Ik wil onmiddellijk aannemen dat er allerhande praktische argumenten voor Halsema’s werkwijze zijn. Toch vind ik het vreemd dat het wetsvoorstel nog voordat de Kamer is ontbonden, al aanhangig is gemaakt. Voor de goede orde: ik heb niet gezegd dat nu ongrondwettig is gehandeld. Wel heb ik gesuggereerd dat ik het constitutioneel zuiverder zou vinden de aanhangigmaking op te zouten tot na 17 juni 2010.
De aangevoerde praktische argumenten zijn uiteindelijk ook niet meer dan dat: praktische argumenten. Zo overtuigt het beroep op de tijdige beschikbaarstelling van het (verplichte) advies van de Raad van State niet echt. Dat die advisering ten tijde van het redigeren van art. 137 nog niet verplicht was, plaatst het citaat uit 1976 nauwelijks in een ander licht. Onveranderd is dat een nieuwe Tweede Kamer zich met behandeling van herzieningsvoorstellen inlaat. Daarnaast: het vragen, ontvangen en verwerken van advies van de Raad van State kan binnen een tijdsbestek van 4 à 5 maanden geschieden. Adviezen over tweedelezingsvoorstellen zijn bijna altijd blanco, zodat het opstellen van een reactie niet al te veel tijd zal vergen.
Ans H. heeft heel terecht gewezen op een praktisch argument vóór uitstel: het is uiterst onwaarschijnlijk dat de Eerste Kamer in deze samenstelling met de vereiste meerderheid het voorstel zal aannemen. Waarom wacht Halsema niet af of de verkiezingen van de Eerste Kamer van 2011 een voor haar voorstel gunstige uitslag hebben? Dat heeft ze tenslotte bij het eerstelezingsvoorstel ook gedaan: tussen het voorlopig verslag en de memorie van antwoord zijn ruim twee jaren verstreken.
Mij ging het om de vraag of de aan de grondwetsherzieningsprocedure ontleende verwachting dat eerst na ontbinding aanhangig wordt gemaakt, terecht is. Die verwachting wordt door de genoemde praktische argumenten niet gelogenstraft. Wel meen ik dat Halsema’s aanhangigmaking niet onrechtmatig (maar onwenselijk) is.

Het debat dat op donderdagmiddag 25 maart 2010 over een andere grondwetsherziening gevoerd is (correctief referendum, eerste lezing) is in dit verband ook wel aardig om te vermelden. De minister van Justitie/Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in dat debat gemeld dat de binnenkort te kiezen Tweede Kamer zich niet zal kunnen buigen over de tweede lezing van het referendumvoorstel: daarvoor is het nu te laat. Hij stelde dat, zelfs als de eerste lezing van het voorstel nog voor 9 juni in het Staatsblad verschijnt, de tweede lezing niet op 17 juni kan worden aangevangen:

“Gelet op de huidige ontbinding haal je het alleen maar als niet alleen deze Kamer, maar ook de Eerste Kamer de kwestie heeft afgehandeld. Het ontbindingsbesluit van 18 maart geeft echter geen mogelijkheid meer om dit mee te nemen. Dat betekent dat inderdaad pas de Tweede Kamer, na de Kamer die op 9 juni wordt gekozen, de tweede lezing kan doen, maar dat geldt voor meer wetgeving.”

Dat klinkt als een heel plausibele redenering: het ontbindingsbesluit van 18 maart 2010 heeft blijkens de toelichting alleen betrekking op de tweede lezing van het wetsvoorstel inzake constitutionele toetsing. Een tijdig aangenomen verklaringswetje inzake het referendum kan niet meer worden opgevoerd als aanleiding voor de ontbinding van 17 juni aanstaande. Laat nu in 2006 precies hetzelfde scenario hebben gespeeld, maar met een andere afloop. Het oorspronkelijke ontbindingsbesluit zweeg in alle talen over een ontbinding in verband met een grondwetsherziening, maar een ruim twee maanden later genomen besluit bevatte een “nadere grondslag” voor de ontbinding zodat het electoraat alsnog gevraagd werd een uitspraak te doen over stemrecht voor curandi en deconstitutionalisering van het voorzitterschap van gemeenteraad en provinciale staten. Die aanvulling was geen probleem, zo stelde de regering in 2006. Dat standpunt was in december 2009 nog niet verlaten, zo blijkt uit een brief aan de Eerste Kamer:

“De bekendmaking van het ontbindingsbesluit is in onze huidige constitutie niet bepalend voor de vraag of de eerste lezing deel uitmaakt van de ontbindingsverkiezingen. In de discussie in 2006 is door het vorige en huidige kabinet, evenals door de Raad van State, wel benadrukt dat het van zorgvuldigheid getuigt als verklaringswetten worden bekendgemaakt vóórdat het besluit tot ontbinding van de Tweede Kamer is bekendgemaakt. (…) Dat standpunt is het kabinet nog steeds toegedaan en het streven moet daar dan ook voortdurend op zijn gericht. (…) Het is (…) geen eis van Grondwet noch Kieswet dat in het ontbindingsbesluit staat vermeld dat de ontbinding plaatsvindt op de grond van artikel 137, derde lid, GW (dit is overigens wel gebruikelijk; in 2006 werd hiertoe het ontbindingsbesluit aangevuld).”

Neemt de minister van Binnenlandse Zaken in het debat van 25 maart 2010 afstand van wat zijn ambtsvoorgangers verdedigden in 2006 en december 2009? Dat zou wat mij betreft heel verstandig zijn. Eén van de geopperde bezwaren tegen de stelling dat het ontbindingsbesluit niet hoeft te reppen van de grondwetsherziening is dat het voor kiezers moeilijk wordt zich te organiseren tegen de voorgenomen grondwetsherziening. Dit probleem werd pijnlijk duidelijk in 2006. Zoals gezegd is toen een besluit geslagen dat een nadere grondslag voor de ontbinding gaf, namelijk grondwetsherziening. Dat besluit is precies een week voor de verkiezingen genomen; het is vijf dagen voor de verkiezingen gepubliceerd. Het was dus voor kiezers onmogelijk zich in een nieuwe partij te organiseren tegen de voorgenomen grondwetsherziening, terwijl art. 137 dat juist beoogt mogelijk te maken. Hirsch Ballins slip of the tongue (?) in het debat van 25 maart vat ik op als een welkome correctie op de dubbelhartige stelling van de regering dat de procedure van art. 137 waardevol is en niet behoort te worden aangepast, maar dat tegelijkertijd de ontbinding als plebisciet zijn betekenis heeft verloren.

Zo zijn we weer terug bij waar het me allemaal om begonnen is: de vroegtijdige aanhangigmaking van Halsema past in de trend dat persberichten leidend zijn, en officiële publicaties op z’n best franje maar veel vaker hinderlijke formaliteiten. En ik heb het niet zo op government by press release.

Met dank aan Enkeling voor de toestemming tot het gebruik van de afbeelding.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Ans H. 28/03/2010 om 13:22

Met de opmerking over het dubbelhartige gedrag van de regering kan ik het alleen maar roerend eens zijn. Volgens de regering is de procedure van artikel 137 nog steeds waardevol omdat deze onder omstandigheden haar volle werking (of zoiets) kan krijgen, maar tegelijkertijd doet de regering er alles aan om ervoor te zorgen dat die omstandigheden er nooit komen.

Leuk gevonden trouwens, die uitspraak van Hirsch Ballin.

2 admin 29/03/2010 om 14:28

Prof. Elzinga heeft zich in een column voor BinnenlandsBestuur ook stevig verzet tegen het relativeren van scherpe vereisten bij de kiezersraadpleging bij een grondwetsherziening.

http://www.binnenlandsbestuur.nl/vakgebieden/all/opinie/geen-herziening-grondwet-in-demissionaire-periode.153955.lynkx

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: