Recht op onderwijs

door GB op 25/03/2010

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

In de Grondwet van Connecticut staat een recht op onderwijs geformuleerd: ‘‘There shall always be free public elementary and secondary schools in the state. The general assembly shall implement this principle by appropriate legislation.’’ Toevallig stuitte ik op internet op een recente uitspraak van het Supreme Court van Connecticut, waarin dit Hof dit recht probeert uit te werken tot een recht op kwalitiatief goed onderwijs. Dat is ingewikkeld. Job Cohen had er bijvoorbeeld een heel proefschrift voor nodig.  

De aarzeling ten aanzien van rechterlijke interventie zit in de eerste plaats in de zogenaamde ‘political-question doctrine.’ Is het wel aan de rechter om hier iets mee te doen? De rechter heeft niet per se veel verstand van wat goed onderwijs is, en de rechter is ook niet de eerst aangewezen persoon om te oordelen welk deel van de begroting voor onderwijs bestemd moet worden. Want uiteindelijk is het natuurlijk vooral een kwestie van geld. Het Supreme Court reageert langs – grofweg – twee lijnen op deze aarzeling. Allereerst: waarom niet? Het is een recht uit de Grondwet en de rechter moet wel vaker aan vage rechten een meer concrete invulling geven. En verder maakt de rechter een duidelijk terugtrekkende beweging ten aanzien de ingrijpendheid van zijn interventie. ‘The judicial role is limited to deciding whether certain public educational systems, as presently constituted and funded, satisfy an articulated constitutional right.’ En: ‘although our courts should remain cautious of separation of powers concerns in crafting remedies, should the plaintiffs ultimately succeed in establishing liability at trial, the plaintiffs’ claims at this stage present nothing more than a basic question of constitutional interpretation, a task for which this court is well suited.’ 

Dát het Hof weinig mogelijkheden heeft weerhoudt het er dus niet van om zich tenmiste met een stevig declaratoir te bemoeien met de vraag op welk onderwijs de burgers van Connecticut recht hebben. Het Hof gaat dus door naar de vraag of uit de Grondwet een norm voor ‘goed onderwijs’ valt af te leiden. Dat gaat met zeer contextuele benadering. Naast de tekst van de constitutie zijn namelijk ook van belang: overtuigende federale precedenten en uitspraken van rechters in andere staten, de bedoeling van de schrijvers van de Grondwet en recente sociaal-economische inzichten. Bijvoorbeeld ten aanzien van de historische bedoeling van het recht op onderwijs concludeert het Hof:  

Although the proponents of article eighth, § 1, did not articulate a substantive standard, they emphasized the historical importance of education to Connecticut in the context of its role in fostering meaningful civic participation in a representative democracy. Thus, in the absence of any contravening evidence in the historical record supporting the proposition that the education provision only is hortatory and lacks real substance, this historical factor informs our construction of article eighth, § 1. 

Op die manier komt de rechter tot deze invulling van het recht op onderwijs:

We conclude that article eighth, § 1, entitles Connecticut public school students to an education suitable to give them the opportunity to be responsible citizens able to participate fully in democratic institutions, such as jury service and voting. A constitutionally adequate education also will leave Connecticut’s students prepared to progress to institutions of higher education, or to attain productive employment and otherwise contribute to the state’s economy. To satisfy this standard, the state, through the local school districts, must provide students with an objectively ‘‘meaningful opportunity’’ to receive the benefits of this constitutional right. 

De precieze context van deze zaak ken ik niet. Maar deze uitspraak is wellicht wel in een bredere context te plaatsen. Mark Tushnet beschrijft moderne mogelijkheden voor de rechter om zich bezig te houden met de bevordering van de naleving van sociale grondrechten. Eén van die mogelijkheden ontstaat wanneer we het idee loslaten dat een constatering van een concrete schending van een grondrecht altijd gepaard moet gaan met een ‘remedy that immediately eliminates the constitutional violation’. Is zo’n remedy er niet, dan moet de rechter er eigenlijk ook maar niet aan beginnen. Dit zijn zogenaamde ‘strong remedies’. Maar als er met ‘weak remedies’ gewerkt wordt, dan relativeert dat een aantal bezwaren tegen de rechterlijke toetsing aan sociale grondrechten. Deze zaak lijkt me een voorbeeld van een Hof dat zich wel degelijk inhoudelijk met de naleving van (een soort) sociaal grondrecht wil bemoeien, en daarbij de staatsrechtelijke zuiverheid van zijn interventie verdedigt met de onbepaaldheid van de geboden voorziening.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: