Rechterlijke woordkeuze en empathie

door IvorenToga op 10/09/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for Rechterlijke woordkeuze en empathie

Laatst las ik het in 2011 uitgegeven boek The Information, A History, A Theory, A Flood van James Gleick. Zijn afsluitende hoofdstuk eindigt met de vraag wat erger is: te veel monden of te veel oren. Daarmee doelt hij enerzijds op de menselijke behoefte om zich uit te drukken in taal en anderzijds op de zoekende mens die ontvankelijk is om te luisteren maar niemand vindt die hem iets te zeggen heeft. Het zou kunnen zijn dat mensen per definitie gemeenzaamheid zoeken en niet bedoeld zijn alleen te leven en te sterven, maar in het publieke domein wordt er eveneens publieke gemeenzaamheid gezocht. Dit fenomeen wordt ook scherp zichtbaar in het recht. Van auteursrecht tot strafrecht wordt de rechter geacht het kromme recht te buigen. Die buigingsfunctie wordt met taalconstructies uitgeoefend, zodat meteen de vraag naar de publieke betekenis van juridische taal opdoemt. De rechter bezigt taal die onder het publieke vergrootglas wordt gelegd, langs maatstaven van zeggingskracht. Zegt de rechter het niet goed, zegt hij te veel of te weinig, of luistert de toehoorder niet goed of wil deze andere dingen horen of lezen in vonnissen?

Woorden beogen een vervoermiddel van de een naar de ander te zijn, maar vaak bereikt het woord niet zijn doel. Het fenomeen van taalinflatie is oud en tijdgebonden van aard, de mens is steeds op zoek naar andere woorden die de zeggingskracht hernieuwen of versterken. Dat universele gegeven wordt nog bemoeilijkt omdat velen niet alleen woordbereik nastreven maar ook empathie. De bekende dichter en hoogleraar psychiatrie Rutger Kopland (respectievelijk Van den Hoofdakker) schreef in zijn boek Twee ambachten dat empathie een belangrijk onderdeel van het menselijk gedragsrepertoire vormt, maar dat dit vermogen zowel goed als kwaad kan worden aangewend. In het verleden heb ik vaker de voorbeelden genoemd van de rechten om ter zitting te zwijgen of om afstand te doen van het aanwenden van een rechtsmiddel. Het wijzen op deze rechten kan zodanig plaatsvinden dat de verdachte eerder gaat spreken of zwijgen of het rechtsmiddel eerder wel of niet aanwendt, dan misschien met een andere formulering zou zijn gebeurd.

In het verleden heb ik vaak een gedichtje van Tsjoeang Tse geciteerd: “Om vissen te vangen gebruikt men aas. Heeft men de vissen gevangen, dan kan men het aas vergeten. Om konijnen te vangen gebruikt men een strik. Heeft men de konijnen gevangen, dan kan men de strik vergeten. Men gebruikt woorden om hun betekenis uit te drukken. Wordt de betekenis verstaan, dan kunnen de woorden vergeten worden. Waar vind ik een mens die woorden vergeet, opdat ik met hem praten kan?” Toepassing van dit gedicht op de twee strafvorderlijke voorbeelden roept de vraag op of de precieze taalkundige bewoordingen van het Wetboek van Strafvordering formalisme in het leven roepen of dat formaliteiten misschien juist bescherming bieden tegen – ongetwijfeld goed bedoelde – verbasterde buigingsconstructies. Een politierechter sprak met veel empathie de verdachte toe: Als u denkt dat die mevrouw het toch niet zo beroerd gedaan heeft, dan kunt u het proces hier en nu laten eindigen. Bij haar stelden de verdachten weinig appellen tegen de veroordeling in, maar haar invoelende houding, stem en woordkeuze stroken misschien toch niet optimaal met wat de wet bedoelde.

De rechter zit in een lastig parket. Hij wordt geacht sensitief te zijn, omgevingsbewustzijn te ontwikkelen en ga zo maar verder. Het gedicht van Tsjoeang Tse drukte voor mij lange tijd uit dat rechters hun juridische woorden moeten bezigen om de ratio van de wet tot uitdrukking te brengen. Langzaamaan ben ik gekanteld en zie ik hoe de macht van het woord arbitrair kan worden aangewend. In de zittingzaal gaan wij als rechters soms te lang door met het ondervragen van verdachten, stellen te lang vragen, zijn we soms te confronterend en soms te afwachtend. In onze vonnissen en arresten motiveren we steeds vaker, ook als de wet of het verweer daar niet om vragen. Die goedbedoelde woordenjacht draagt bij aan betekenisinflatie en wordt verder belast met de eveneens goedbedoelde verlangens empathisch over te komen. Daarmee lijken vonnissen en arresten en de verhorende rechter meer persoonlijk en menselijk te worden, maar moet de rechtspraak dat ook zijn?

Jarenlang was ik de mening toegedaan dat een mens en een beroepsbeoefenaar, van zorg tot recht, dienen te streven naar authenticiteit omdat daarmee een betere uitkomst van de inspanningen mogelijk wordt. Maar dat streven naar authentiek optreden en empathie legt niet alleen een grote druk op mens en werker om elke keer origineel te zijn, genereert verder een inflatiegevoelige weegschaal wat waarachtige menselijkheid en rechtspraak is, maar pretendeert meer zicht op de omgeving, waaronder de verdachte en diens werkelijkheid, dan waargemaakt kan worden. Deze drie twijfels raken ook aan de consistente uitstraling van de rechter ter zitting. De rechter die in een vrije woordenval zitting en verhoor naar eigen voorkeur vorm geeft, zingt zich los van een strafvorderlijke woordkeuze maar draagt tevens bij aan een rommelig beeld van de rechtspraak.

Omgekeerd zijn functionele en strafvorderlijke empathie hard nodig. Stel dat een rechtbank vergeet boven het vonnis te zetten dat zij nevenzittingsplaats van een andere rechtbank is. Een gerechtshof dat dit niet als een kennelijke verschrijving inleest en de rechtbank onbevoegd verklaart, betracht weinig strafvorderlijke empathie naar de belangen van het slachtoffer, zoals de Hoge Raad dat recent als afzonderlijk belang in het rechterlijk afwegingskader positioneerde (HR 19 februari 2013, LJN BY 5321, overweging 2.4.5). Die strafvorderlijke en functionele empathie is van nature verbonden aan het ambt. Voor de versterking van mijn pleidooi voor functionele empathie draag ik twee gedachten aan.

1. Hoe de wet uitgelegd moet worden, is niet voorbehouden aan de persoonlijke inzichten van de rechter. De rechter is immers niet gelijk aan het ambt. Het rechterlijk ambt is duizenden jaren oud en vergt een houding en invulling die dienstbaarheid aan het ambt dient mee te brengen en geen dienstbaarheid aan de persoon die dit ambt tijdelijk mag vervullen. Die dienstbaarheid wordt mee bepaald door houding en uitstraling, maar kunnen de justitiabele en de burgerij niet bereiken zonder het klassieke en universele vervoermiddel van het woord en de uitleg daarvan. Attitude, taal en een bescheiden gebruik van beiden, nopen eerder tot respectering van het zwijgrecht of tot het ogenschijnlijk aanvaarden van inconsistente verklaringen van verdachte of getuige, dan dat er indringende verhoren plaatsvinden die tot niets leiden maar wel afbreuk doen aan het (stille) gezag van de rechter. Zo kunnen woorden, maar in het bijzonder verbale empathie, ook gevaarlijk zijn omdat er in het gesprek (communicatieve) macht kan worden uitgeoefend in de zittingzaal, waarvan de verdachte en getuige per definitie verliezen (vergelijk Kopland in voornoemde publicatie, blz. 88).

2. De woordinflatie die eigen is aan de menselijke ontwikkeling en die continu noopt tot de (vermoeiende) zoektocht naar nieuwe woorden, vormt tegelijkertijd een continu appel aan de rechtspraak om het hoofd koel te houden en niet te makkelijk mee te buigen met de lokroep om rechters te trainen voor camerabestendige verhoren in de zittingzaal, nog meer te motiveren in het liefst zo huiselijk mogelijk taalgebruik en zo verder. Misschien moet de rechtspraak iets meer terug naar de basis: een karig en gebeiteld verbaal en schriftelijk woordgebruik leiden tot reformatie van het motto: rechtspraak is vooral beslissen en minder motiveren. Bij de vervulling van het rechterlijk ambt hoort tot slot minder persoonlijke empathie omdat ook dit nodeloze verwachtingen oproept die in de gestolde kaders van een strafproces minder goed tot hun recht kunnen komen. Gelet op de diversiteit aan gevoelens en zinsbeleving bij verdachten en slachtoffers moet de rechter in het per definitie beperkte tijdbestek van een zitting zeer voorzichtig en omzichtig zijn in de uitstraling een en ander wel te begrijpen. Het kort en bondig spreken, behandelen van de feiten, luisteren en uiteindelijk motiveren van de beslissingen lijkt misschien saai en minder modern, maar houdt het instituut van de rechtspraak klassiek, tijdloos en overlevingsgericht. Terugkerend naar het begin van deze column: bij een geringere rechterlijke focus op de vele hongerende monden met meningen over de rechtspraak en de vele selectieve oren naar wat rechters zouden moeten doen, wordt een overtuigender rechtspraak kansrijker.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: