Rechters bedrijven politiek met wetgevingsadvisering

door IvorenToga op 18/03/2014

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for Rechters bedrijven politiek met wetgevingsadvisering

Naast het spreken van recht in concrete gevallen geven rechters via de Raad voor de Rechtspraak advies over wetsvoorstellen. In de moeizame relatie tussen Raad en rechters bieden de adviezen de Raad dikwijls de mogelijkheid om te laten zien dat de Raad er vooral vóór de rechter is en fungeert als een buffer tussen de rechterlijke en de uitvoerende/wetgevende macht die opkomt voor wat de rechter vindt. Omdat de Raad in de adviezen spreekt ‘gehoord de gerechten’ en aldus min of meer als spreekbuis van de rechters optreedt, gaat er van de wetgevingsadviezen een aanzienlijk machtseffect uit. Op basis van de wetsgeschiedenis is er echter goede grond te betogen dat de adviesfunctie van de Raad voor de Rechtspraak vooral gecreëerd is om de wetgever te informeren over de gevolgen die wetgeving voor het functioneren van de gerechten heeft. Terughoudendheid zou dus het devies moeten zijn, maar in de praktijk kan het doorsnee wetgevingsadvies niet meer terughoudend worden genoemd.

Zo bood de Raad voor de rechtspraak onlangs zijn advies aan over het conceptwetsvoorstel dadelijke tenuitvoerlegging. Dit wetsvoorstel regelt dat een gevangenisstraf van ten minste één jaar (als sprake is van een slachtoffer) of twee jaar (als geen sprake is van een slachtoffer) dadelijk uitvoerbaar is na het vonnis van de rechtbank.

Het negatieve advies van de Raad, gehoord de gerechten (!), verhoudt zich slecht met hetgeen ik vernam van verschillende rechters die ik over het wetsvoorstel sprak. Zij zijn helemaal niet zo negatief over het voorstel van het kabinet. Ik geef toe: deze opmerking is weinig objectief en representatief te noemen en zelfs wat uit de losse pols, maar dat kan op z’n minst ook gezegd worden van het poneren van een standpunt ‘gehoord de gerechten’. De daarmee gesuggereerde representativiteit is echter niet geborgd en lijkt ook niet sluitend te kunnen worden geborgd. Dat hoeft echter geen probleem te zijn, mits het advies van de Raad zich onthoudt van politieke standpunten en juridisch evenwichtig is. Dat geldt temeer daar van die wetgevingsadviezen het eerdergenoemd machtseffect uit gaat en uit wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de Raad zich inhoudelijk terughoudend moet opstellen. Bovendien: wanneer rechters niet willen dat de politiek zich uitlaat over concrete rechterlijke beslissingen moeten rechters ook geen politiek bedrijven.

Op basis van het recente wetgevingsadvies van de Raad is echter lastig vol te houden dat dat niet gebeurt.
De Memorie van Toelichting bij het conceptvoorstel beroept zich bijvoorbeeld op uitspraken van het EHRM waarin dadelijke tenuitvoerlegging geen schending oplevert van de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende onschuldpresumptie. Het wetgevingsadvies wijst er vervolgens terecht op dat die uitspraken betrekking hadden op lichtere sancties. Het legt echter niet uit waarom die ‘a contrario’-redenering sterker is dan de ‘analogie’-redenering in de Memorie van Toelichting. Bovendien laat het advies na te vermelden dat het EHRM in ieder geval wel heeft beslist dat dadelijke tenuitvoerlegging niet in strijd is met het verbod op onrechtmatige vrijheidsbeneming zoals vastgelegd in artikel 5 EVRM.
Dat een juridisch onderbouwd standpunt soms het resultaat van een grote tombola is, zien we tevens terug in de wijze waarop het kabinet en de Raad zich bedienen van rechtsvergelijking. Ook nu legt de Raad niet uit waarom de overeenkomsten die in de Memorie van Toelichting worden vastgesteld zwaardere wegen dan de verschillen die de Raad vaststelt. Bovendien kunnen vragen worden gesteld bij de consistentie van de wetgevingsadvisering door de Raad. Wanneer de Raad dezelfde redenering als nu had gevolgd, hadden ze een tijd geleden namelijk niet tegen het voorstel tot invoering van minimumstraffen kunnen zijn.
Als je het advies van de Raad voor de rechtspraak leest, lijkt het er op of er juridisch helemaal niets te zeggen valt voor dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. Dat is echter niet juist. Ik wijs slechts op een preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging van de huidige advocaat-generaal bij de Hoge Raad Knigge (Zie Handelingen NJV 1994-I/Jrg. 14, p. 37-116). Hij maakte onder meer een onderscheid tussen het preventief hechten vóór en het preventief hechten na een veroordeling in eerste aanleg. Er is in het laatste geval volgens hem sprake van na-arrest, hetgeen niet moet worden behandeld als voorarrest: ‘Dat wil zeggen dat na veroordeling in eerste aanleg als regel geldt, dat de voorlopige hechtenis voortduurt tot de opgelegde straf is uitgezeten’, aldus Knigge (Handelingen NJV 1994-I/Jrg. 124, p. 37-116, p. 92). Het schetsen van een dergelijke nuance zou de juridische evenwichtigheid van het advies van de Raad voor de rechtspraak ten goede zijn gekomen.

In het wetgevingsadvies van de Raad wordt het kabinet verweten een aantal (juridische) aspecten ten onrechte buiten beschouwing te laten, maar in wezen doet de Raad in het advies zelf niets anders. Omdat dergelijke selectiviteit onderdeel vormt van het in hoofdzaak democratisch gelegitimeerde politieke proces, mag het kabinet zich dat veroorloven. Zolang de Raad (formeel) spreekt namens de rechters en zijn bijdrage aan het debat niet democratisch maar juridisch is gelegitimeerd, moet hij echter oppassen zich te bedienen van selectieve argumenten. Rechters spreken dan niet alleen recht, maar bedrijven bij monde van de Raad ook politiek. Omdat rechters van dergelijke schendingen van de scheiding der staatsmachten meestal zelf niet zo gecharmeerd zijn, valt de wijze waarop de Raad dit wetgevingsadvies heeft opgesteld voor mij dan ook maar moeilijk te begrijpen. Dat de rechter in concrete zaken soms politiek moet bedrijven, betekent niet dat hij dat ook ten aanzien van voorgenomen wetgeving zou mogen doen. Die taak zou aan de andere staatsmachten voorbehouden moeten blijven.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

Lees hier de integrale en veel uitvoeriger tekst van deze opinie zoals die verscheen in NJB 2014, nr. 5.

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Rutger 16/04/2014 om 10:21

Duidelijk verhaal! Heb hier veel aangehad voor mijn verslag over Rechten & Politiek.

2 Super De Boer 17/04/2014 om 08:50

🙂 Graag gedaan.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: