Rechtsgeleerdheid ≈ wetenschap

door WV op 22/08/2011

in Haagse vierkante kilometer

Ter gelegenheid van de start van het academisch jaar plaatst Wim Voermans vraagtekens bij de klachten uit de praktijk dat afgestudeerde juristen te weinig weten. Prof. Margreet Ashmann gaat hier a.s. vrijdag in haar oratie ook op (waarschijnlijk tegen) in.

Juristen maken niet graag ruzie met elkaar, al zou je anders denken. Minzaam in de collegiale omgang, zij het op een wat afstandelijke manier. Er komt immers altijd nog een dag en Nederland is klein. Maar over één ding wordt altijd hartstochtelijk geknokt: de wetenschappelijkheid van de juridische opleiding. Dan vliegt de hartslag omhoog, krijgen ze rooie koppen. Want wie de wetenschappelijkheid van de rechtsgeleerdheid ontkent, die spuugt in de soep. Een jurist die dat doet is niet minder dan een nestbevuiler. Want als het geen wetenschap is, wat is het dan? Een jurist die geen academicus is, wat is die dan nog? Een juridische loodgieter? Altijd vermakelijk opgewonden gekakel waarbij van alles door elkaar wordt gegooid. De classificatie van wetenschappelijk onderzoek, de status van jurist als academicus (en dus een soort van betrouwbaar en geleerd, zeg maar ‘wijs’ iemand), en wat je moet kennen en kunnen om een juridisch beroep uit te oefenen. Het is net als met voetbal: iedereen heeft er dan ineens verstand van.

Bijvoorbeeld Margreet Ashmann – vice-president van de rechtbank Rotterdam en lector civiel recht bij de SSR (opleidingsinstituut rechterlijke macht). Zij weet dat ‘het doel van de juridische opleidingen die leiden tot een bul met civiel effect dient te zijn de aanstaande togajurist vanuit een goed opgezet basisconcept een brede intellectuele en academisch juridische bagage mee te geven.’ Heremetijd noch aan toe, wat staat daar toch allemaal? Dat van die brede opleiding – ook iets wat de commissie-Kortmann aanbeveelt – kan ik nog wel volgen. Je moet iets weten van het systeem van het burgerlijke recht, staats- en bestuursrecht, strafrecht, etc. als je als jurist aan de slag wil natuurlijk. Dat is ook de ingangseis die verschillende wettelijke regelingen hanteren voor verschillende juridische beroepen, zoals advocaat of rechter. En daarom is het wel zo handig dat universitaire opleidingen in de rechtsgeleerdheid hun programma’s in de kern zo inrichten dat studenten daarmee aan die ingangseisen voldoen – civiel effect zoals dat heet. Maar daar houdt de missie van moderne juridische faculteiten niet op; mag die ook niet ophouden. Binnen die juridische faculteiten is er de laatste tijd veel veranderd. Juridische onderzoekers hebben zich getransformeerd van, hoe zal ik het nou eens aardig zeggen, van hoofdzakelijk griffiers van de rechtsontwikkeling tot onderzoekers met een min of meer wetenschappelijke houding en soms ook aanpak.

Rechtsgeleerdheid wordt langzamerhand rechtswetenschap. Die omwenteling leidt tot grote opwinding (wel of niet wetenschap) en laat zijn sporen na in de juridische opleiding. Daar wordt – meer dan vroeger – ruimte ingebouwd om studenten mee te nemen in de laatste stand van wetenschappelijke inzichten, en dat gaat ook wel eens ten koste van toegepaste kennis over, laten we zeggen, het pachtrecht. Op zichzelf geeft dat niet natuurlijk, want in de beroepspraktijk staat na de rechtenstudie een andere beroepsopleiding te wachten: bijvoorbeeld de advocatenopleiding of de raio-opleiding. De beroepsgroepen zelf zijn daar eigenlijk weer niet blij mee natuurlijk: die hebben geen zin de rekening van de koerswijziging van de universiteiten te betalen. Zij moeten nu meer vaardigheden en kennis van het materiële recht overbrengen. Ze klagen dan ook over de achteruitgang van het niveau – de verwording van de juridische jeugd. Maar dat is wat de Duitsers nu zo mooi ‘Umwertung aller Werten’ noemen. Het academische niveau van afgestudeerde juristen gaat (voorzichtig) omhoog en daarom moeten beroepsopleidingen gaan doen wat ze eigenlijk altijd al behoorden te doen: toegepaste kennis relevant voor de praktijk aanbrengen. Bij opleidingen geneeskunde weten ze dat al heel lang. Juridische artsenopleidingen kunnen daar een voorbeeld aan nemen.

Wim Voermans

Deze column verscheen eerder in Ars Aequi mei 2011, 361.

{ 12 reacties… read them below or add one }

1 E. Jansen 22/08/2011 om 16:36

Recht is geen wetenschap. Het reflecteert bij nooit en dat is niet onlogisch: het heeft geen fundament. Enige wetenschap is het rechtsfilosofische maar dat wordt door weinig studenten met enthousiasme omarmt terwijl de debatten binnen de rechtsfilosofie al decennia stil staan (posities en argumenten zijn nu langzamerhand wel bekend; hier gaan we niet uitkomen).

Juridische onderzoekers pretendeerden nog wel graag iets wetenschappelijks te hebben maar dat is een lachtertje. Beetje rechtsvergelijkend onderzoek om uiteindelijk te constateren dat de politiek het recht maakt. Of dat ze eigenlijk ethiek aan het bedrijven zijn (wat vind Rawls, wat vindt Kant, wat vindt …). De bovenstaande tendens herken ik dan ook niet.

Ik moet de hoogleraar nog tegenkomen die zegt: “dit is mijn boek: benoem eens de belangrijkste zwakke punten.”.Over 10 jaar is de bachelor van HBO-Rechten gelijk aan die van WO-Juridisch. Over 30 jaar is recht enkel nog een bijvak van een primaire studie (de arts die gezondheidsrecht studeert; de docent die onderwijsrecht studeert en de zeeman die in zeerecht gespecialiseerd is. Lekker praktisch, geen wetenschap.

2 Dirk 23/08/2011 om 12:32

Pffft, meneer/mevrouw Jansen: een studie Nederlands is voor u misschien meer op zijn plaats!

3 Mark Jansen 23/08/2011 om 17:26

Interessant onderwerp. Toch mis ik de diepgang in de column. De column definieert niet wat “wetenschappelijk” is nu eigenlijk betekent, maar concludeert vervolgens toch: “Rechtsgeleerdheid wordt langzamerhand rechtswetenschap”. Hoe kan die conclusie nu volgen op de 1e alinea waarin juist staat dat onduidelijk is wat uberhaupt onder het wetenschappelijk karakter van een opleiding moet worden verstaan?

4 Philip Langbroek 29/08/2011 om 09:33

De discussie over rechtsgeleerdheid of rechtswetenschap is niet alleen vermakelijk omdat juristen niet weten hoe ze hun methoden kunnen benoemen. Het is ook vervelend, omdat het de geloofwaardigheid van academisch juridisch onderzoek aantast. Ik heb twee adviezen om daar op termijn iets aan te doen maar die adviezen opvolgen vraagt discipline van de beoefenaars van de rechtsgeleerdheid, zoals het ook discipline vraagt van andere wetenschapsbeoefenaren in hun eigen vak:

1. Wat voor vraag stel je, wat heb je nodig om die vraag te beantwoorden en wat ga je doen? Leg daar bij elk onderzoeksverslag nauwkeurig verantwoording over af. Maak daarbij onderscheid tussen empirische en normatieve vragen en wees eerlijk over hoe je empirische antwoorden en normatieve antwoorden met elkaar in verband brengt.
2. Neem elkaar de maat. Ga bij een discusie over een onderzoek na of de onderzoekers zich adequaat aan advies 1 hebben gehouden. Zo niet, dan deugt het onderzoek niet, omdat het niet reproduceerbaar is en slechts de hoogstpersoonlijke opvatting van de schrijver weergeeft.
Die kan overigens wel interessant zijn, met name als de status van de schrijver hoog is in juristenland. Maar juristen wordt te weinig geleerd om autoriteitsargumenten ter discussie te stellen.

De prijs is dat academische juristen op wat grotere afstand van de praktijk komen te staan. Voor hen zijn onze hoogste rechtscolleges dan niet vanzelfsprekend meer het hoogst mogelijke eindstation in hun carrière. Maar hoe erg is dat eigenlijk?

Uiteindelijk ontstaat dan een permanente discussie over wat goed – criteria ! – juridisch onderzoek is en dat is beter dan eindeloos laten zien dat een debat dat juridisch-maatschappelijke statussen ondermijnt voor juridische statusdragers pijnlijk is. Daarom is het debat over rechtsgeleerdheid of rechtswetenschap wetenschappelijk niet zo interessant: aan het werk!.

5 Adriaan Dorresteijn 29/08/2011 om 17:31

Wim Voermans slaat de spijker op de kop door de tendens mooi te benoemen: rechtsgeleerdheid wordt rechtswetenschap. Zijn verklaring van de – niet terechte – onvrede vanuit de juridische praktijk ondersteun ik. Philip Langbroek geeft terecht vervolg aan een en ander door aan te geven wat dat betekent voor opzet en verantwoording van juridisch onderzoek en, zo voeg ik er aan toe, voor de juridsche opleidingen. Over empirie in de rechtwetenschap bestaan overigens misverstanden. Men denkt al gauw aan cijfers en enquetes! Rechterlijke uitspraken, besluiten, wetten, verdragen en overeenkomsten zijn in ‘onze’ wetenschap het belangrijkste empirisch materiaal.

6 Reinier Bakels 30/08/2011 om 11:47

De discussie over de wetenschappelijkheid van rechtsgeleerdheid gaat op “meta-niveau” mank aan hetzelfde probleem dat de rechtsgeleerdheid zelf teistert: onwil om het met elkaar eens te worden. Toch lijkt het mij niet zo ingewikkeld.

Wetenschap gaat (kort gezegd!) over feiten. En in het recht spelen ook meningen (opvattingen) een rol. Rechtsgeleerdheid is staat daarin niet alleen: ook in (“academische”) kunstenaarsopleidingen zoals de opleidingen tot architect en industrieel vormgever aan de TU Delft spelen opvattingen een rol. Een verschil is alleen dat variatie in kunstzinnige opvattingen plezierig is, terwijl De Juridische Methode nu juist beoogt zekerheid te geven aan mensen, en variatie dus heel vervelend is. Al verdienen advocaten natuurlijk hun brood aan de onzekerheidsmarge.

het zou beter zijn om niet meer te praten over de wetenschappelijkheid VAN de rechtsgeleerdheid, maar de wetenschappelijkheid IN de rechtsgeleerdheid. En er zijn natuurlijk veel aspecten van de rechtsgeleerdheid die helemaal niet afhankelijk zijn van opvattingen. En juristen met wetenschappelijke pretenties zouden er dan ook goed aan doen om niet te doen of er over die dingen ook nog debat mogelijk is. Dan wordt recht net zo’n schertswetenschap als de economie (althans in de praktijk van veel economen), die ook aan elkaar hangt van de “opvattingen”. Een beter voorbeeld vormt de fysica. Als er verschillende opvattingen ontstaan onder fysici rusten die niet voordat zij ófwel een keuze hebben gemaakt ófwel hebben aangetoond dat schijnbaar tegenstrijdige opvattingen equivalent zijn, of dat er een fundamenteel dualisme is.

Toen op een seminar op de Leidse faculteit de geleerden spraken over de vraag of Wilders nu wel of niet moest worden heb ik mij doodgeschaamd dat de verzamelde hoogleraren daar geen eenduidig antwoord op wisten te geven. En dat haalde toen ook nog de krant. Als zo’n gezelschap niet in staat is tot een duidelijk antwoord dan moet de faculteit der rechtsgeleerdheid maar tot kunstacademie worden omgedoopt (de Leidse Universiteit heeft al een “Faculteit voor de Kunsten”, dus daar kunnen ze mooi bij).

De fouten? Allereerst wetenschappelijke slordigheid. Een hoogleraar mensenrechten had een overtuigend verhaal over relevante rechtspraak van het EHRM. En een hoogleraar strafrecht legde uit welke rechtsvraag precies aan de orde was in de “artikel 12” procedure. Maar de andere aanwezigen liepen daar rustig om- resp. overheen. Wat ik al helemaal miste was een verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de betreffende strafbepalingen. Natuurlijk, het is legitiem om verschillende *politieke* opvattingen te hebben over de opportunitieit van strafvervolging in een dergelijk geval. Rechtsgeleerden met wetenschappelijke pretentie zouden zich echter moeten beperken tot het positieve (=geldende) recht, en dan ligt de vraag veel eenvoudiger.

En een hoogleraar die als columnist (en immigrant) zijn frustraties over de islam uitvent in Elsevier is al helemaal schadelijk voor de reputatie van Recht als Wetenschap.

7 J Th Degenkamp 30/08/2011 om 12:31

Suggestie: lees mijn “Inleiding in de rechtswetenschap” (2007); tot nu toe heeft niemand uit de juridische wereld het kennelijk gelezen.

8 Miriam van Aller 30/08/2011 om 17:39

Is de juridische academische opleiding wetenschappelijk? Ik ben in 1977 afgestudeerd aan de UvA. Ik heb de examencommissie verblijd met een betoog over die vraag. Want wat is wetenschap? Wetenschap is dat je een hypothese ontwikkelt, die hypothese toetst aan de praktijk en dan afhankelijk van het resultaat de hypothese tot theorie verheft of moet vaststellen dat de praktijk jouw hypothese verwerpt als ondeugdelijk.
Kortom, wetenschap houdt in dat je toetst aan objectieve maatstaven. Ik moet vrezen dat de rechtsgeleerdheid daar niet zoveel mee van doen heeft, te meer niet daar wij de bestudering van het Romeins Recht, de basis van ons rechtssysteem, hebben afgeschaft. Ik vind dat buitengewoon treurig, want zodoende ontbeert een hedendaagse student inzicht in de ontwikkeling van het recht door de tijd heen.

Ik ben het niet met vorige schrijvers eens die betogen dat recht geen fundament heeft. Dat heeft het wel degelijk, maar dat fundament is aan deze schrijvers niet bekend. Recht heeft altijd een fundament. Als men naar het Romeinse Recht kijkt wordt de theorie ontwikkeld aan de hand van de praktijk en ik denk dat dat nog steeds zo is, zij het dat dank zij de invoering van het nieuwe B.W. de band met het verleden verregaand is losgelaten. De systematiek die vroeger eigen was aan het privaatrecht, is door de invoering van het nieuwe B.W. bijkans verdwenen.

9 M.J. Hoogendoorn 31/08/2011 om 13:06

Ik denk dat de vergelijking van rechtswetenschap met de empirische wetenschappen mank gaat. Of diefstal verboden is wordt in de rechtswetenschap niet bepaald door te turven of iedereen zich wel gedraagt alsof diefstal verboden is.

Als men er op staat een parallel tussen rechtswetenschap en een bètawetenschap te trekken, dan heeft de rechtswetenschap meer weg van wiskunde, in het bijzonder exacte logica -een discipline die overigens even moeilijk in de Popperiaanse visie op wetenschap in te passen valt.

In de traditionele rechtswetenschap bestudeert men de consequenties van een systeem van axioma’s, meer in het bijzonder door een autoriteit (wetgever, rechter, bestuursorgaan) uitgevaardigde regels. Aan de hand van de axioma’s (wet en regelgeving) en reeds bewezen stellingen (reeds besliste casus) tracht de rechtswetenschapper onbekende consequenties van het systeem bloot te leggen. Doorgaans gebeurt dit door te bezien of het rechtssysteem een ondubbelzinnig antwoord oplevert op een theoretische of nog niet besliste casus. Indien dit het geval is, dan is er een nieuwe stelling bewezen. Indien dit niet het geval is wordt onderzocht welke eigenschappen van het systeem, bijvoorbeeld incompleetheid of inconsistentie, daar debet aan zijn.

Hetgeen daarop volgt (is de gevonden consequentie wenselijk, op welke wijze kan men het systeem consistent of compleet maken?) is inderdaad evaluatief van aard, maar dat lijkt mij geen doodzonde omdat de belangrijkste procedure om de axioma’s te wijzigen -politiek debat- ook evaluatief van aard is.

Een bron van complexiteit is het feit dat de regels van het systeem in natuurlijke taal gesteld zijn. Daardoor heeft het vaststellen van de exacte inhoud van de axioma’s en stellingen van het systeem ook sociologische, historische en taalkundige elementen. Deze vormen echter niet het uiteindelijke doel van de bestudering van het recht.

10 E. Jansen 01/09/2011 om 12:39

Pffft, Dirk: geef eens argumenteren. Dit is enkel een sneer en bevestigt helaas mijn beeld van de onwetenschappelijkheid van juridische opleidingen.

Maar dit terzijde: ik kan me goed vinden in het betoog van Reinier Bakels. Mooi beeld: nadruk leggen op de wetenschap IN de rechtsgeleerdheid.

Wat het fundament van het recht is, blijf ik lastig vinden. Het recht is iets dynamisch, wat zich ontwikkeld en waar de politiek (nog mooier: het volk) uiteindelijk de basis voor legt. De enige autoriteit is het volk (in aanvulling op Hoogendoorn). Een verwijzing – zoals van Aller maakt – naar het Romeins recht lijkt me niet genoeg (waarom zou dat objectief zijn).

Doordat de burger het recht vormt, kan echter wat gisteren nog mocht (boerka) morgen zomaar verboden zijn. Tuurlijk het is een beeld: grote rechtswijzigingen duren langer maar de politieke/het volk stuurt. Of dit – een boerkaverbod – wenselijk is, is vervolgens een ethische vraag. Of de huidige regeling/jurisprudentie dit al toestaat of verbiedt de juridische. De normatieve vraag is m.i. interessanter en ook fundamenteler dan de eerste. Inclusief alle historische, taalkundige en sociologische elementen die hier bij komen (deels in navolging op Hoogendoorn).

11 Jaap 06/09/2011 om 16:33

Beste heer of mevrouw Jansen,

Dirk heeft gelijk: een cursus Nederlands is een goed idee. Maar dat is een andere discussie. Misschien iets voor een volgende column?

12 Leander 07/05/2013 om 13:46

Zelf heb ik rechten en filosofie gestudeerd en werk ik momenteel in de advocatuur. Naast het belachelijk lage niveau van het onderwijs aan de faculteit rechten heb ik over het wetenschappelijk karakter van de studie rechten ook nog wel het een en ander te klagen. Niet alleen zijn proefschriften van juristen vaak onleesbaar (ze zijn opgeknipt in duizenden sub-hoofdstukken (10.1.5.15) waarmee het analytische onvermogen wordt geïllustreerd om één probleem aan de kaak te stellen – in plaats daarvan wordt het hele rechtsgebied er aan de haren bijgesleept; liefst met de nodige rechtsvergelijkingen uit Frankrijk en Duitsland die dan in brontekst worden aangehaald – waarbij juristen natuurlijk op hopeloze wijze willen laten zien dat zij niet van de straat zijn), ze bevatten ook niets dan een commentaar op de rechtsregels en jurisprudentie dat in het beste geval op Middeleeuwse scholastiek lijkt. Overigens zijn de handboeken daarin niet anders; ook die boeken bevatten louter scholastisch commentaar. Op zich geeft dat niet, want in de rechtspraktijk is het verdomd handig dat verschillende auteurs een uitleg hebben van een bepaalde rechtsregel (of een andere mening over de betekenis van een vonnis/arrest). Maar dat deze letterknechten zich de titel “wetenschappers” hebben aangemeten slaat werkelijk nergens op. Vanwege belangenconflicten zal het niet snel gebeuren dat de studie rechten verdwijnt uit het academisch aanbod en wellicht is dat ook niet nodig (de kwaliteit van HBO’ers laat vaak nogal te wensen over). Ik stel voor om de werkelijkheid niet langer geweld aan te doen en juridische vakscholen op te zetten. Dat kan eventueel ook door universiteiten. In de VS is dat zelfs gemeengoed. Elke universiteit heeft een eigen law school. Daar ligt via het woord “school” al de nadruk op het onwetenschappelijk karakter van de studie.

Juristen zijn nodig, dat ontken ik niet, maar de gemiddelde eendimensionaal opgeleide jurist kan niet doorgaan voor wetenschapper.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: