Rechtspraak: vraagstukken van bekostiging

door JAdB op 19/08/2014

in Bestuursrecht, Rechtspraak

Post image for Rechtspraak: vraagstukken van bekostiging

Een basisschool gaf subsidiegeld uit om leerlingen van en naar de school te vervoeren. Dat is niet conform de regels, vond de minister. Een school moet (kort gezegd) de bekostiging besteden ten behoeve van het onderwijs; zie art. 148 Wet op het primair onderwijs. De minister vordert het verkeerd bestede geld terug door op grond van art. 4:49, eerste lid onder c Awb het bedrag van de verstrekte rijksbekostiging lager vast te stellen omdat de subsidieontvanger niet zou hebben voldaan aan haar verplichtingen. In de daarop volgende procedure bij de rechtbank blijkt dat het bestede geld niet van het Rijk afkomstig is, maar van de gemeente, via een zgn. overschrijdingsbijdrage. De school betoogt dat de minister het (beweerdelijk) verkeerd bestede geld niet kan terugvorderen: dat geld was immers van de gemeente, de minister staat daarbuiten. Als iemand het zou kunnen terugvorderen, dan is dat de gemeente zelf. Dan wordt het ingewikkeld.

De rechtbank doet een tussenuitspraak waarin ze aangeeft dat onvoldoende duidelijk is wat precies de herkomst is van de gelden die aan leerlingenvervoer zijn besteed. De minister had dit moeten uitzoeken. De rechtbank geeft daarvoor alsnog gelegenheid. De minister neemt vervolgens een nieuw besluit. In dit nieuwe besluit wordt niet alleen art. 4:49 Awb van stal gehaald als terugvorderingsgrondslag, maar ook art. 164 Wpo, waarin de “inhouding” is geregeld. De inhouding is een ander soort bekostigingssanctie, met de facto hetzelfde effect als art. 4:49 Awb. De rechtbank doet niets met het nieuwe besluit. Ze verklaart het beroep gegrond en vernietigt het eerste bestreden besluit; de rechtbank oordeelt dat de minister niet bevoegd was om de overschrijdingsbijdrage terug te vorderen. De minister gaat in hoger beroep.

In hoger beroep gaat het om drie vragen. 1. Mocht de rechtbank het nieuwe besluit onbesproken laten? 2. Mag de inhouding worden gebruikt als reactie op al beëindigde overtredingen? 3. Mag de minister de rijksbekostiging lager vaststellen als blijkt dat een school gemeentegeld onrechtmatig heeft besteed? De beantwoording van deze vragen door de Afdeling bespreek ik hieronder.

Ad 1. De rechtbank had het nieuwe besluit bij de einduitspraak moeten betrekken door daarover een oordeel te vellen. Art. 6:19 Awb verplicht daartoe (in deze zaak was overigens het oude 6:19 Awb van toepassing, maar onder het nieuwe recht zou het resultaat niet anders zijn geweest). In deze bepaling is neergelegd dat een aanhangig beroep zich automatisch richt tegen een, hangende die procedure, aangebrachte wijziging van een besluit. In casu werd het oude besluit aangevuld met een nieuwe juridische grondslag, namelijk de inhouding. Dat is een wijziging van het oorspronkelijke besluit, zodat het beroep zich ook tegen deze wijziging richtte en de rechtbank hierover uitspraak had moeten doen.

Ad 2. Het instrument van de inhouding helpt de minister hier echter niet. De inhouding is “een herstelsanctie die slechts ziet op het doen beëindigen van voortdurende overtreding van de bepalingen van de Wpo”. Dat blijkt ook uit het derde lid van art. 164 Wpo, waarin is bepaald dat de inhouding eindigt zodra de reden voor de oplegging van de sanctie niet langer bestaat. Aangezien in deze casus de overtreding al was beëindigd (er werd geen geld aan leerlingenvervoer meer uitgegeven), kon er dus ook geen inhouding meer plaatsvinden. Opvallend is trouwens wel dat de – reeds sinds 2008 vervallen – Beleidsregel opschorting en inhouding van bekostiging bij onderwijsinstellingen er vanuit ging dat de inhouding kon worden gebruikt voor situaties als hier aan de orde. In art. 3 van deze beleidsregel stond immers bepaald dat tot inhouding zou worden overgegaan indien “een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur handelingen heeft verricht of nagelaten die ertoe hebben geleid dat de bekostiging onrechtmatig is besteed”.

Ad 3. De minister mag het bedrag van de onrechtmatig bestede overschrijdingsbijdragen in mindering brengen op de rijksbekostiging door art. 4:49 Awb toe te passen. De verplichting om deze bedragen ten behoeve van het onderwijs te besteden is namelijk neergelegd in art. 148, derde lid Wpo. Dit is een bekostigingsvoorwaarde, ofwel een subsidievoorschrift bij de bekostiging die ten laste van het Rijk door de minister wordt verstrekt. Bij schending van zo’n voorwaarde kan art. 4:49, eerste lid onder c Awb worden toegepast: er is dan immers niet voldaan aan aan de rijksbekostiging verbonden verplichtingen. De rijksbekostiging kon in casu dan ook lager worden vastgesteld. Dat het onrechtmatig bestede geld van de gemeente afkomstig is, doet daaraan niet af. Gelet op de tekst en systematiek van de Wpo is dit oordeel juist, maar of dit ook in overeenstemming is met hetgeen de wetgever voor ogen had bij het opstellen van de Wpo, kun je je afvragen.

De auteur is bij deze zaak betrokken geweest als advocaat van de school.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: