Rechtsstaatretoriek & ordinaire politiek

door PB op 11/08/2010

in Haagse vierkante kilometer

De afgelopen dagen is er binnen het CDA en de progressieve partijen veel roering geweest over een kabinet dat afhankelijk is van steun van de PVV. De PVV-opvattingen zouden strijdig zijn met de rechtsstaat, in het bijzonder de vrijheid van godsdienst en onderwijs. Het CDA zou door samenwerking zijn eigen kernbeginselen verloochenen. Het net opgerichte Comité voor de Rechtsstaat komt met de conclusie dat de PVV een vijand van de rechtsstaat is. Het verbaast mij dat deze ernstige beschuldigingen zo makkelijk klinken, zo weinig worden onderbouwd en zo kritiekloos worden aangenomen.

De kern van de rechtsstaat bestaat mijns inziens uit een zeker wantrouwen tegenover overheidsinmenging. Daarom mag de macht zich niet concentreren in bepaalde personen, groepen of instituten. Bovenal moet er een overheidsvrije ruimte zijn die wordt gevormd door de klassieke grondrechten, zoals eigendom, privacy, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Overheidsingrijpen in deze vrijheidssfeer moet gebaseerd zijn op een (democratisch) gelegitimeerde wet, proportioneel zijn, en bepaalde doeleinden dienen, zoals de openbare orde of staatsveiligheid. En dit optreden moet getoetst worden door een onafhankelijke rechter.

Het tegenovergestelde van de rechtsstaat is de totalitaire staat. Daarin is de vrije ruimte opgeslokt door staatsinstellingen, en is er geen onafhankelijke rechter. Meestal wordt dit soort staten geïnspireerd door een ideologie waaraan de burgerlijke vrijheden ondergeschikt gemaakt worden. Willen Wilders en de PVV de onafhankelijke rechter buiten spel zetten? Willen ze handelen zonder democratisch gelegitimeerde wet? Willen ze de macht concentreren in een persoon of een bepaalde groep? Willen ze de burgerlijke vrijheden afschaffen? Worden ze gedreven door een ideologie? Mijns inziens is er te weinig om dit te stellig te concluderen.

Maar wat dan wel? De PVV meent zo ongeveer dat de islam een politieke ideologie is die streeft naar de vestiging van een islamitische heilstaat. Bovendien zou de islam een slechte invloed hebben op sociaal-culturele en internationale ontwikkelingen. Daarom stelt de PVV maatregelen voor die inbreuk maken op vrijheidsrechten van moslims.  Deze maatregelen zijn natuurlijk een ernstige zaak. Maar over de wenselijkheid daarvan kan men binnen de kaders van de rechtsstaat van mening verschillen.

Regelmatig worden er voorstellen gedaan die eveneens afbreuk doen aan vrijheidsrechten, en in het bijzonder de onderwijs en godsdienstvrijheid. Zo zijn er personen en partijen die de onderwijsvrijheid willen inperken of afschaffen. Anderen hebben problemen met de vrijheid van de rooms-katholieke kerk om homoseksuelen te excommuniceren. Ook de verenigingsvrijheid van de SGP moet plaatsmaken voor de denkbeeldige discriminatie van vrouwen. Onlangs stelde de KNMG dat jongensbesnijdenis eigenlijk wettelijk verboden moet worden. Hetzelfde kunnen wij zien bij de vrijheid van meningsuiting, privacy, etc.

Waarom al deze inbreuken? Is alles mis met het bijzonder onderwijs? Mogen kerken niemand weigeren? Klagen vrouwen over discriminatie van de SGP? Zijn er zoveel mislukte besnijdenissen? Nee, het is vaak in strijd met de maatschappelijke opvattingen over wat wel en niet passend is in het licht van de humanistische beginselen van individuele autonomie en gelijkheid. Niet de beste reden om vrijheidsrechten te beperken. Niettemin hoor ik het CDA nooit roepen dat de rechtsstaat in gevaar is. Het argument dat de PVV een andere visie heeft over de rechtsstaat, of dat het CDA zijn beginselen verloochent door met de PVV samen te werken, is daarom mijns inziens een oneigenlijk argument en een beetje hypocriet.

Wat is dan wel het onderwerp van geschil? Mijns inziens ‘verschillen (zij) van mening over aard en karakter van de islam’ en of tegen de islam maatregelen moeten worden genomen. Die vraag is afhankelijk van de vraag of de islam politieke ambities heeft en welke invloed dit leersysteem heeft op huidige sociaal-culturele verhoudingen en internationale betrekkingen. Maar juist deze discussie is zo moeizaam, omdat het zo moeilijk lijkt een onderscheid te maken tussen de islam als leersysteem en de mensen die dit in meerdere of mindere mate in praktijk brengen. En daardoor kan men elkaar niet begrijpen. Volgens sommigen is Wilders ‘het gevaar voor de rechtsstaat’ en een islamofoob, anderen (ook internationaal) zien hem juist als ultieme verdediger van de rechtsstaat tegen de islam.

Maar deze discussie kan mijns inziens ook binnen de kaders van de rechtsstaat gevoerd worden. Daarom moet men de rechtsstaat niet als argument gebruiken wanneer je het eigenlijk over de inhoud niet eens bent. Een partij en een grote groep kiezers worden daardoor mijns inziens onterecht als staatsgevaarlijk weggezet. Verder wordt elke inhoudelijke discussie over de islam onmogelijk gemaakt. En nog erger: door de rechtsstaat oneigenlijk als verhullend argument te gebruiken, zullen anderen de rechtsstaat ter discussie stellen. Juist dan wordt de rechtsstaat in gevaar gebracht.

Peter Boswijk, promovendus Staats- en Bestuursrecht

{ 13 reacties… read them below or add one }

1 JRA 11/08/2010 om 19:16

Wie bedoel je met “personen en partijen die de onderwijsvrijheid willen inperken of afschaffen”? PVV-verkiezingsprogramma, p. 29: “Christelijke, Joodse en openbare scholen moeten naast elkaar kunnen bestaan. Wij zijn dus voor behoud van artikel 23 Grondwet. Islamitische scholen gaan daarentegen dicht”. Is dat geen inperking van de onderwijsvrijheid dan?

En met “anderen” die problemen hebben met de vrijheid van de rooms-katholieke kerk om homoseksuelen te excommuniceren en die de verenigingsvrijheid van de SGP vanwege het vrouwenstandpunt aan banden willen leggen? PVV-verkiezingsprogramma, p. 6: “De PVV kiest voor rechten van vrouwen en homo’s”. Wat Wilders hiermee bedoelt is (mij) niet helemaal duidelijk, maar op basis van deze stellingname zou redelijkerwijs kunnen worden aangenomen dat de PVV een probleem heeft met het (al dan niet denkbeeldige…) gegeven dat homo’s en vrouwen in kringen van de SGP en de katholieke kerk worden gediscrimineerd. De PVV heeft zich tenslotte ook uitgesproken tegen discriminatie van homo’s door Marokkaanse jongeren.

En dan de KNMG tot slot, die is ook niet bepaald alleen als het gaat om het doen van voorstellen tegen religieuze besnijdenis. PVV-verkiezingsprogramma, p. 15: “Oplossing: Vrouwenbesnijdenis zwaar bestraffen”. Begrijp me niet verkeerd: ik vind vrouwenbesnijdenis een verwerpelijke praktijk (met name omdat de betrokkene geen vrije keus heeft). Er bestaan echter ook symbolische vormen van vrouwenbesnijdenis, die qua impact wellicht vergelijkbaar zijn met jongensbesnijdenis (maar ik ben geen medicus).

Over de “humanistische beginselen van individuele autonomie en gelijkheid” gesproken trouwens: “De Partij voor de Vrijheid zet zich in voor de traditionele Joods-christelijke en humanistische waarden die van Nederland het succes hebben gemaakt dat het nu is” (p. 6).

Mijn punt is dit: zowel de PVV als de middenpartijen doen voorstellen ter beperking van de (grond)rechten van burgers, al dan niet uit naam van de “Humanistische traditie”. Toch kan je de voorstellen van de PVV en die van de middenpartijen niet tegen elkaar wegstrepen. De voorstellen van de PVV lijken immers te worden gemotiveerd door een zekere animositeit (anderen zouden zeggen: haat) jegens een bepaald deel van de bevolking. De voorstellen van de middenpartijen worden eerder gemotiveerd door de wens om op te komen voor de rechten van andere burgers. Inperking van de rechten van de ene categorie (niet: bevolkingsgroep) burgers ter bescherming van de rechten van een andere categorie burgers dus. Dat lijkt me een toch zakelijker motief dan dat van de PVV.

2 Ruudt 11/08/2010 om 19:41

Het PVV-partijprogramma schrijft onder meer voor: “verbied de koran, belast hoofddoekjes”. Meent PB serieus dat de door hem genoemde voorbeelden ingrijpender zijn?

Volgens mij is het niet zo gek om (dit deel van) het PVV-gedachtegoed als strijdig met de rechtsstaat te beoordelen. Dat betekent voor mij echter niet dat CDA/VVD niet met ze mag samenwerken. Graag zelfs, kapsel ze maar in het systeem, in de hoop dat dat leidt tot matiging. Maar blijf altijd stellig in het verwerpen van opvattingen die strijdig zijn met de rechtsstaat.

3 PB 11/08/2010 om 21:02

@JRA: ik ben het grotendeels helemaal met je eens. Ik denk dat dit juist de discussie is: is het animositeit tegen moslims of tegen een leersysteem. Dit is juist zo moeilijk. Wilders zelf meent dat hij moslims niet haat. Maar uit zijn neerbuigendheid (piguinpakken, kopvodden, etc) blijkt dat hij niet echt veel respect heeft voor de mensen, want het is onnodig kwetsend. Maar misschien ziet hij dat juist als symbolen van de Islam. Dat is zeer kwalijk, maar ik zou nog niet durven zeggen dat hij vijandig is tegen deze mensen.
Ergens is Wilders symbool komen te staan voor kritiek op de Islam, waardoor elke kritiek op Islam zeer problematisch wordt. Zie bijvoorbeeld wat Prof. Ter Horst recentelijk aangaf dat Islamologen onder pseudoniemen publiceren.

@ Ruudt: Ik moet je gelijk geven dat het iets aangedikt is. Een Koranverbod is inderdaad echt een ernstigere inbreuk. Wat ik wil zeggen is natuurlijk dat dergelijke voorstellen ‘evenzeer’ inbreuk maken op grondrechten.

Hoewel ik het verbod op jongensbesnijdenis, niet omdat er gezondheidsgevaar is, maar omdat dit de individuele autonomie van de jongens aantast, wel vergaand vind. Immers betekent dit eigenlijk een verbod voor ouders om hun kinderen te initiëren in hun godsdienst. Dat kan men toepassen op alle godsdiensten waarbij kinderen bepaalde dingen worden geleerd die niet met de maatschappelijke overtuigingen stroken. En er zijn ook geluiden die deze richting opgaan.

4 PWdH 13/08/2010 om 10:37

Ik voel wel enigszins mee met PB. De rechtsstaat en allerhande dreigbeelden lijken door sommigen wel dankbaar te worden aangegrepen om Wilders’ opvattingen niet inhoudelijk te hoeven bestrijden en uit te leggen waarom die niet deugen. Terwijl dat toch de inzet zou moeten zijn van een ieder die zegt op te komen voor de rechtsstaat en de parlementaire democratie. Het probleem is dat die inhoudelijke bestrijding nu achter gesloten deuren plaatsvindt in de onderhandelingen en we moeten afwachten.

5 RvdW 15/08/2010 om 20:11

Dat de Volkskrant bovenstaand opiniestuk besloot te plaatsen, kan ik mij goed voorstellen. Net zoals ik mij wel kon voorstellen dat het Reformatorisch Dagblad vorig jaar een lezersreactie plaatste waarin werd beweerd dat ‘de constitutionele monarchie een goddelijke instelling is’. Het is voor een krant altijd aardig een ongenuanceerd politiek pamflet te plaatsen, welk een gebrek aan kennis van het staatsrecht er ook uit blijkt. Dat het stuk ingezonden is door een promovendus staats- en bestuursrecht is voor de krant geen probleem: het is de verantwoordelijkheid van de auteur zelf hoe serieus zijn collega’s en studenten hem na lezing van het pamflet nog nemen.

Van deze weblog verwacht ik echter beter. Volgens het colofon is het doel van deze site om ‘gedegen en geïnformeerd commentaar te geven’ op de politieke actualiteit. Tot nu toe ben ik nooit teleurgesteld. Ik ben het regelmatig op juridische gronden oneens met geplaatste stukken, maar dat beschouw ik juist als een meerwaarde van deze site: prikkelen en stimuleren tot discussie en nieuwe ideeën. Nooit eerder las ik hier echter een pamflet vol halve waarheden, staatsrechtelijke kletspraat, en ordinaire politiek (in elk geval is de titel van het stuk ladingdekkend). Dergelijke teksten horen m.i. niet thuis op dit blog. Door plaatsing wordt voor de buitenwereld de schijn gewekt dat het hier een ‘gedegen en geïnformeerd’ juridisch commentaar betreft, iets waar in dit geval zeker geen sprake van is.

Allereerst is er de stelling van de schrijver dat de PVV geen van de door hem geïdentificeerde beginselen van de rechtsstaat, waaronder de grondrechten wil afschaffen. Dat is pertinent onjuist. Wilders pleit al jaren voor afschaffing van het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet, dat hij wil vervangen door een bepaling waarin de ‘Joods-christelijke en humanistische wortels van Nederland als dominante cultuur’ zouden moeten worden verankerd. De fundamentele eis van de rechtsstaat, dat alle burgers gelijk dienen te worden behandeld, maakt het de staat nu namelijk onmogelijk om op discriminerende wijze inbreuk te maken op de grondrechten van het islamitisch deel van de Nederlandse bevolking.

Dat is dan meteen punt nummer twee. Volgens de schrijver kan men over deze door Wilders voorgestane grondrechtenbeperkingen van mening verschillen binnen de kaders van de rechtsstaat. Over door de overheid geïnstitutionaliseerde discriminatie (door bijv. een verbod op de koran, maar niet op de bijbel; door een verbod op de bouw van minaretten, maar niet van kerktorens; door een verbod op islamitische, maar niet op christelijke en joodse scholen) kan men echter niet van mening verschillen: hier is geen sprake van inbreuken op grondrechten die met enige moeite nog gerechtvaardigd zouden kunnen worden, maar van afschaffing van het discriminatieverbod, met een de facto afschaffing van de grondrechten van een deel van onze natie als gevolg.

Ten derde stoor ik mij aan de passages waarin wordt geklaagd over voorstellen die door sommigen zijn gedaan om bepaalde joodse, Katholieke en protestantse activiteiten te beperken of verbieden. Er staat dat sprake is van voorstellen ‘die een veel ernstiger afbreuk doen aan vrijheidsrechten.’ Dat mag de mening zijn van de auteur, van de SGP en van Andries Knevel, maar wanneer die mening op deze blog wordt gespuid, verwacht ik toch minstens dat daar een m.i.’tje aan wordt toegevoegd (desnoods door de redactie). Om ook voor de juridische leek uit het colofon begrijpelijk te houden waar wetenschappelijke bevindingen eindigen en ordinaire politiek begint.

De schrijver heeft zeker een punt wanneer hij stelt dat door sommige politieke tegenstanders van Wilders de rechtsstaat wordt misbruikt om politieke punten te scoren. Helaas antwoordt hij daarop met een bijdrage die precies diezelfde kritiek niet kan doorstaan. Zijn stuk is bovendien problematischer dan de politieke uitlatingen waar hij aanstoot aan neemt. Want terwijl de betrokken politici de eisen van de rechtsstaat overduidelijk naar eigen politieke voorkeur uitbreiden en daarmee het respect dat de neutrale burger heeft voor de rechtsstaat ondergraven, ontdoet de schrijver de rechtsstaatidee van één van haar belangrijkste fundamenten, verkoopt het als wetenschap door zijn ondertekening met promovendus staats- en bestuursrecht en gooit de rechtsstaat daarmee onherroepelijk in de uitverkoop. Van hem, maar ook van deze weblog, mag men beter verwachten.

RvdW
Promovendus Staats- en bestuursrecht

6 GB 16/08/2010 om 11:18

@ RvdW

Dit blog heeft inderdaad nogal snoevende pretenties. Maar het is ook gewoon een platform waar wetenschappers krenten uit hun onderzoekspap kunnen uitventen en zich met het publieke debat kunnen bemoeien. Iedereen blijft verantwoordelijk voor zijn eigen bijdrage; het blijft een ‘groepsblog.’ In die zin zie ik niet zoveel verschil met een opiniepagina.

Een aio staatrecht die zich in de Volksrant en in ‘Met het oog op Morgen’ meldt met een standpunt over rechtsstaat & formatieproces lijkt me thuishoren op dit blog, om zijn standpunt ook hier te betrekken en te verdedigen. I.c. reageert Ruudt vrijwel meteen met in de kern jouw grootste bezwaar tegen het stuk. Peter nuanceert zijn punt vervolgens onmiddelijk. En nu neemt een andere aio staatsrecht (jij) krachtig afstand. De argeloze lezer lijkt me dus ruime mogelijkheden hebben om zich te bezinnen op alternatieve standpunten.

Ik vind het eigenlijk wel mooi als aio’s hier hun ingezonden opiniestukken aan elkaar voorleggen en becommentarieren. Vind je niet?

[Overigens was de ondertekening met de functie in eerste instantie van mijn hand, maar dan bedoeld als introductie van Peter op dit blog, waar hij zich immers nog niet eerder gemeld had.]

GB
jawel: promovendus Staats- en bestuursrecht

7 PB 16/08/2010 om 13:35

Beste RvdW,

Hartelijk dank voor je reactie. Als ik je goed begrijp vindt je het stuk kletspraat, omdat de PVV artikel 1 van de GW wil vervangen door een ander artikel dat de culturele basis zou aangeven van Nederland. Net zoals ook toendertijd Pim Fortuyn dat voorstelde. Daarmee zou de PVV het discriminatieverbod willen afschaffen. Hetgeen onvermijdelijk leidt tot het tweede bezwaar geinstitutionaliseerde ongelijke behandeling van moslims door afschaffing van rechten voor hen. Over het “veel ernstiger zijn” van de inbreuken heb ik reeds in reactie op Ruudt geschreven dat dit een ‘slip of the pen is’.

Mijn eerste bezwaar tegen de benadering van RvdW zou zijn dat het in artikel 1 van de GW neergelegde discriminatieverbod of gelijkheidsbeginsel iets anders is dan het rechtsstatelijke beginsel van gelijkheid voor de wet en dat wettelijke regels algemeen en voor iedereen geldend moeten zijn. Het gelijkheidsbeginsel wordt in de GW weliswaar gerangschikt onder de grondrechten, maar draagt een expliciet ander karakter dan de klassieke grondrechten en kan daar niet mee gelijk worden gesteld (Kortmann, p. 407. waarin hij de spanningen goed aangeeft). Het sluit aan bij het rechtsstatelijk beginsel dat de wet voor allen gelijk moet gelden, maar vraagt iets meer, namelijk gelijke behandeling door de wet. Zeer goed wordt het verschil tussen het rechtsstatelijk beginsel van gelijkheid voor de wet en het gelijkheidsbeginsel gezien in de scheiding van de twee beginselen in artikel 20 en 21 van het EU-Handvest voor Grondrechten. Het is echter altijd moeilijk om gelijke gevalen te beoordelen, ook wanneer het gaat om godsdiensten.

Ten tweede betekent het gelijkheidsbeginsel binnen het rechtsstaatidee niet dat de overheid/staat zich niet mag identificeren met een bepaalde cultuur/kerk/filosofie , zoals bijvoorbeeld Frankrijk een exclusief laicite voorstaat en Engeland een staatskerk bevoorrecht. En dit is volgens mij waar de PVV op doelt. Voor haar staat artikel 1 van de Gw voor het ultieme cultuurrelativisme. Tegelijkertijd onderschrijft de PVV wel de inhoudelijke betekenis van het gelijkheidsbeginsel, op grond van ras, geslacht, seksuele geaardheid, etc. (ook in horizontale verhoudingen.)

Ten derde betekent het ook niet dat de staat geen maatregelen mag nemen tegen groepen of ideeën die een bedreiging vormen van de rechtsstaat, mits deze een actuele bedreiging vormen (zie de EHRM jurisprudentie daarover refah partisi, ook daar ging het overigens om Islam).

Het lijkt mij dat deze hele onprettige discussie neerkomt op het bezwaar dat de PVV Moslims discrimineert doordat de PVV de Islam ziet:
– als een bedreiging van de staatsveiligheid (rechtsstaat) en de openbare orde,
– als de oorzaak van veel sociaal-culturele problemen
– als een belangrijke factor in internationale betrekkingen

Daardoor zou een bevolkingsgroep (mensen, geen ideeën) worden “weggezet”, “gestigmatiseerd”, en “gediscrimineerd, etc.”

De PVV zegt dus niet zo zeer dat er slechte dingen zijn in de islamitische wereld, of dat sommige moslims betrokken zijn bij problemen. Maar dat de Islam zelf het probleem is. De gevallen zijn volgens de PVV gewoon niet gelijk (Zie Kortmann p. 408 over dit probleem)

De kernvraag die dan blijft is: Kan men de Islam zelf ter discussie stellen of onderwerp maken van overheidsbeleid zonder de mensen die dit in meerdere of mindere mate uitoefenen (moslims) als groep te stigmatiseren/discrimineren op basis van hun godsdienst?

Deze spanning komt ook terug in de rechtspraak als het gaat om de vrijheid van meningsuiting. Zo stelde de Hoge Raad (10 Maart 2009, LJN: BF0655) “dat de enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhanger daarvan krenken is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers.”

Maar ook in een eerdere civiele zaak (LJN BC 8732; Rb Den Haag) tegen Wilders eiste moslims “een verbod om de profeet Mohammed “barbaar” en de islam alsmede de Koran “fascistisch” te noemen dan wel de termen fascistisch op enigerlei wijze in verband te brengen met de islam en/of Koran, alsmede het verbod om de Koran te betitelen als “islamitische Mein Kampf”.” Wilders reageerde onder andere “dat het hem niet is te doen om individuele moslims te grieven of te beledigen, maar dat hij heeft willen wijzen op de gevaren van de islam. (…) Volgens gedaagde gaat het in dit debat weliswaar om stevige standpunten, maar van aanzetten tot haat en geweld (cq discriminatie) jegens moslims is geen sprake. Gedaagde meent voorts dat voor zijn uitspraken voldoende feitelijke basis bestaat.”

De rechter kwam tot de conclusie: “Ofschoon eiseres van mening is dat gedaagde selectief en onvolledig is, heeft eiseres de juistheid van de door gedaagde beschreven passages in de Koran ter onderbouwing van zijn kwalificatie van de profeet Mohammed als ‘barbaar’ niet weersproken. Ten aanzien van de gewraakte associatie van de islam en de Koran met het fascisme en Mein Kampf, constateert de voorzieningenrechter voorts dat eiseres evenmin de opvatting van gedaagde heeft betwist dat binnen de islam bepaalde denkbeelden gehuldigd worden die op gespannen voet staan met democratische beginselen. Anders dan eiseres, is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat de door laatstgenoemde gebezigde term ‘fascisme’ niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat deze uitsluitend betrekking heeft op de Holocaust en andere kwaadaardigheden van nazi-Duitsland, maar veeleer moet worden gezien als een verzamelbegrip voor ideologieën met beginselen die een totalitair politiek systeem omarmen dat geen ruimte laat aan andersdenkenden.
Gedaagde meent vergelijkbare beginselen te herkennen in de islam en de Koran en hij heeft deze analyse met de door hem getrokken parallel aan de orde willen stellen als politicus en deelnemer aan het publieke debat. Daarbij komt dat in het bijzonder voor een parlementariër geldt dat hij in het openbaar debat ook buiten de Tweede Kamer, zo nodig met scherpte, zijn standpunt naar voren moet kunnen brengen. In dit licht bezien kan niet worden gezegd dat gedaagde met de door hem gekozen bewoordingen, ofschoon provocerend, oproept tot haat of geweld tegen moslims. Ook anderszins bestaan daarvoor vooralsnog onvoldoende harde aanwijzingen.”

Niettemin blijft het hele lastige materie.

8 RvdW 17/08/2010 om 06:54

Beste PB,

Als ik je tweede alinea goed lees, ontwaar je in artikel 1 Grondwet twee afzonderlijke beginselen: naast een gelijkheidsbeginsel gericht tot het bestuur en de rechter inhoudende dat bij de toepassing van bestaande wetgeving niet gediscrimineerd mag worden, bestaat volgens jou een afzonderlijk gelijkheidsbeginsel dat gericht is tot de wetgever en erop neerkomt dat in nieuw te scheppen regelgeving geen ongerechtvaardigd onderscheid mag worden verankerd. Gelijke behandeling voor de wet versus gelijke behandeling door de wet. Het eerste beginsel ken je de status van rechtsstatelijk element toe, het tweede niet.

Laat ik mijn reactie beginnen met een onjuistheid te signaleren. Je illustreert je opvattingen met een verwijzing naar de artikelen 20 en 21 EU-Handvest, die volgens jou eveneens twee afzonderlijke beginselen waarborgen. Nu is het ook hier voor mij niet helemaal duidelijk hoe je dit precies bedoelt. Je spreekt hier over ‘het rechtsstatelijk beginsel van gelijkheid voor de wet’ en ‘het gelijkheidsbeginsel’. Ik neem daarom aan dat je bedoelde te zeggen dat in artikel 20 enkel de gelijke behandeling door bestuur en rechter is vastgelegd, terwijl art. 21 beide door jou onderscheiden aspecten van het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 1 GW beschermt. Maar misschien bedoelde je dat artikel 20 de gelijke behandeling voor de wet beschermde en artikel 21 de gelijke behandeling door de wet.

Hoe dan ook, de gedachte dat artikel 20 en 21 Handvest zien op verschillende beginselen met allebei een eigen strekking is niet juist. Artikel 21 levert eenvoudigweg de norm voor overheid en medeburgers die de noodzakelijke consequentie is van het gelijkheidsbeginsel in artikel 20. M.a.w., het discriminatieverbod in artikel 21 ‘is the direct and exhaustive implication of equality before the law’. (http://www.europarl.europa.eu/comparl/libe/elsj/charter/chapter_3_en.htm). Deze uitleg van de twee bepalingen sluit aan bij de eerdere jurisprudentie van het HvJ over het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Dat die aansluiting inderdaad gezocht moet worden blijkt ten slotte uit de uitleg van het Handvest zoals deze door het Presidium van de Conventie die het Handvest schreef, is opgesteld (http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2007:303:0017:01:EN:HTML): immers, hierin wordt uitgelegd dat artikel 20 een beginsel vastlegt dat door het HvJ als fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht was erkend in de zaken Racke, EARL en Karlsson. In deze zaken werd opgekomen tegen beweerdelijk discriminatoire bepalingen in resp. een gemeenschapsverordening, een ministeriële circulaire en een melkquotaregeling. In de zaken die ten grondslag liggen aan artikel 20 werd dus niet tegen ongelijke gelding van wetgeving opgekomen, maar steeds tegen de ongelijkheid die in die regelgeving zelf verankerd was.

Wellicht ben je misleid door de vertaling van het woord ‘law’ met ‘wet’ in de Nederlandse vertaling van artikel 20 van het Handvest. Dit zou de schijn kunnen wekken dat artikel 20 enkel een gelijke toepassing van de wet vereist. ‘Law’ of ‘wet’ moet hier echter worden opgevat als ‘recht’, zoals veel duidelijker naar voren komt in de Franse versie (‘Toutes les personnes sont égales en droit’, http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_fr.pdf). Zowel artikel 20 als 21 beogen dus te beschermen tegen alle ongelijke behandeling en discriminatie in het recht, of deze nu door de wetgever of door een ander wordt veroorzaakt.

Dat de verwijzing naar het EU-Handvest niet klopt, neemt natuurlijk niet weg dat een onderscheid tussen gelijke behandeling door en gelijke behandeling voor de wet theoretisch wel gemaakt kan worden. De vraag is dan natuurlijk of aan een dergelijk (mogelijk) onderscheid gevolgen zouden moeten worden verbonden, bijvoorbeeld in die zin dat, zoals jij voorstelt, gelijke behandeling door bestuur en rechter wel, maar door wetgever niet, als onderdeel van de rechtsstaat wordt erkend.

Steun voor jouw opvatting vind je in ieder geval niet in Kortmanns Constitutioneel Recht. Ten eerste vat je de daar verwoorde visie op het gelijkheidsbeginsel verkeerd samen. Jij beweert namelijk heel stellig dat het gelijkheidsbeginsel ‘een expliciet ander karakter [draagt] dan de klassieke grondrechten’ waardoor het ‘daar niet mee gelijk [kan] worden gesteld’ en verwijst voor die stelling naar p. 407 van Kortmann. Deze spreekt echter over het gelijkheidsbeginsel en ‘de overige klassieke grondrechten’, wat natuurlijk niets anders kan betekenen dan dat ook het gelijkheidsbeginsel in zijn opvatting een klassiek grondrecht is – precies het tegenovergestelde dus van wat jij beweerde. Wél constateert hij dat het gelijkheidsbeginsel een ander karakter heeft dan die overige klassieke grondrechten (de vrijheidsrechten), maar ja, dat is nogal een open deur, daarvoor is een verwijzing naar Kortmann niet nodig. Enfin, dit terzijde. Kortmann maakt echter nergens het onderscheid tussen jouw twee gelijkheidsbeginselen, noemt het gelijkheidsbeginsel (uit één stuk dus) een fundamenteel grondrecht en beschouwt het, zijnde een van de klassieke grondrechten, als onderdeel van de rechtsstaat.

Ik ben zeer benieuwd of je überhaupt één staatsrechtgeleerde kunt aanhalen die met jou van mening is dat het gelijkheidsbeginsel zoals dit aan de wetgever is gericht, geen onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtsstaat, maar het gelijkheidsbeginsel zoals dit aan bestuur en rechter is geadresseerd (tezamen met de overige klassieke grondrechten) wel. Het is een tamelijk bizarre mix van een materiële en formele conceptie van de rechtsstaat, waarin alle klassieke grondrechten jegens alle overheidsinstellingen als onderdeel van de rechtsstaat worden erkend, maar waarin de binding van één orgaan aan één recht geen rechtsstatelijke bescherming geniet en aan het publieke debat moet kunnen worden blootgesteld. Dat het juist het gelijkheidsbeginsel is dat van jou ter discussie mag staan en van de wil van de meerderheid afhankelijk mag zijn, terwijl juist dit recht tot doel heeft om minderheden tegen agressie van de toevallige meerderheid te beschermen, maakt je opvatting nog onbegrijpelijker.

Je tweede punt is voor mijn kritiek weinig van belang. Het is de schrapping van het discriminatieverbod dat m.i. afbreuk doet aan de rechtsstaat, welke bepaling daar ook voor terug moge komen. Overigens denk ik dat na de recente unanieme EHRM-uitspraak in Lautsi nog wel een boom kan worden opgezet over je stelling dat het gelijkheidsbeginsel zich niet verzet tegen identificatie van de overheid met een kerk, maar dat is voer voor een andere discussie (wellicht na de Grote Kameruitspraak).

Je derde punt vind ik onbegrijpelijk omdat je stelt dat de discussie eigenlijk gaat om de vraag of de PVV moslims discrimineert, terwijl je standpunt nu juist was dat het discriminatieverbod voor de wetgever niet eens een vereiste is van de rechtsstaat. Laat ik het argument maar als subsidiair opvatten. Weinig relevant zijn de arresten die worden aangehaald: de uitleg die door rechters wordt gegeven aan de strafrechtelijke en civiele bepalingen die zien op uitingsdelicten zijn van geen invloed op de vraag of algehele verboden op de bouw van minaretten, op het drukken van de koran en op het geven van islamitisch onderwijs in strijd zijn het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 1 en de voor Nederland geldende internationale verdragen. Het antwoord op die laatste vraag is zonder twijfel ja. Enkel de algemeenheid van de voorgestane verboden is al onrechtmatig (en tevens in strijd met verschillende andere grondrechten). Ik wil daar best een hoop jurisprudentie voor citeren, indien daar behoefte aan is.

Dat je in je bijdrage de voorstellen van Wilders niet toetste aan de eisen van de rechtsstaat zoals deze door de meeste schrijvers worden gedeeld, laat staan onderdeel uitmaken van de heersende leer, moge duidelijk zijn. En dat terwijl je in het stuk geen enkele slag om de arm neemt. Nergens staat ‘ik vind’ of ‘naar mijn mening’. En dat is waar ik moeite mee heb. Met de lezersreactie had ik geen problemen, behalve dan de misplaatste pretenties door de ondertekening. Maar wanneer het stuk zijn weg vindt naar een forum dat bedoeld is voor ‘gedegen en geïnformeerd’ juridisch commentaar verwacht ik toch dat het berust op gedegen argumentatie. En dat doet het niet.

GB,

misschien onderschat je de kracht die van de in het colofon uitgedrukte pretenties uitgaat. Door plaatsing op deze weblog geef je een bepaald kwaliteitskeurmerk af, zoals dit ook het geval is wanneer een artikel in een juridisch tijdschrift wordt opgenomen. Zelf kwam ik er pas achter dat PB’s bijdrage hier een plek had gekregen toen ik in een discussie met een juridische leek n.a.v. de lezersreactie in de Volkskrant het argument tegengeworpen kreeg: ‘maar het was wel geschreven door een staatsrechtgeleerde en gepubliceerd op een juridische website’. Dat is dus wat blijft hangen bij (sommige) argeloze lezers: niet de houdbaarheid van de argumentatie die wordt gebruikt, maar het predikaat ‘wetenschappelijk’ dat door deze weblog aan een puur politiek pamflet is gegeven. En mij stemt dat toch een beetje bedroefd.

9 GB 18/08/2010 om 10:40

@ RvdW

En denk je dat de toevoegingen ‘naar mijn mening’ en ‘ik vind’ wel zouden blijven hangen bij de argeloze lezer?

Ik denk dat de blog veel minder wetenschappelijk is dan jij suggereert (vele van mijn eigen stukjes zouden moeten afvallen, het staat ook niet in de Over dit weblog en de VK werd gesproken over een ‘juridische website’) en ik denk ook dat de bijdrage van PB meer is dan ‘een puur politiek pamflet’ of louter ‘staatsrechtelijke kletspraat’. Wat ik overigens zelf van de kwestie vind heb ik al eens eerder geprobeerd onder woorden te brengen in een post: De kern van de rechsstaat

De rol van de redactie zie ik veel marginaler. Schelden of onleesbaarheid laten we niet gebeuren, maar voor de rest toetsen we uiterst marginaal. Voor een discussie tussen staatsrechtswetenschappers als zich hierboven ontspon bieden we graag ruimte. Ik had er zelf nog niet over nagedacht in de termen gelijkheid voor de wet, en gelijkheid door de wet.

Als je een eigen post aan rechtsstaat & wilders & gedoogsteun wilt wijden; je weet ons te vinden.

10 PB 18/08/2010 om 10:55

RvdW,

Hartelijk dank voor je leerzame reactie over het onderscheid tussen gelijkheid voor de wet en gelijkheid door de wet (non-discriminatie). Het is inderdaad een theoretisch onderscheid. Het is ook zo dat beide beginselen met elkaar verbonden zijn. Niettemin meen ik dat het veel makkelijker te bepalen is dat de wet voor iedereen geldt dan dat de wet iedereen altijd gelijk behandelt. Zowel de wet, en meer in het bijzonder de uitvoering van de wet, zal altijd een bepaalde mate van ongelijke behandeling voor staan. Het is alleen altijd de vraag of een dergelijke behandeling gerechtvaardigd is.

De grootste moeite die ik daarom heb met het vatten van het beginsel van gelijke behandeling ‘door’ de wet is juist dat het ongrijpbaar is en sterk aan verandering onderhevig is. Wat is immers gelijk en wie bepaalt dat? Ik meen dat volgens de huidige stand van zaken wij zelf bepalen wat gelijk is en wat niet. Wat gelijk is, is dus voortdurend afhankelijk van ‘de maatschappelijke opvattingen’. Zo blijkt ook uit het Kortmann (p. 409) aangehaalde citaat uit de Parlementaire behandeling:

“De strekking van het verbod van discriminatie is het verbieden van onderscheid op grond van eigenschappen of kenmerken van personen, die in redelijkheid niet relevant zijn voor het bepalen van aanspraken en verplichtingen op een bepaald gebied van het maatschappelijk leven (…) Dit zal meebrengen dat slechts ten aanzien van bepaalde kenmerken en eigenschappen van personen het verbod van discriminatie van toepassing zal worden. Welke kenmerken en eigenschappen dit zullen zijn zal door de maatschappelijke werkelijkheid worden bepaald.”

De betekenis van de norm is dus voortdurend invulbaar en veranderlijk. In dit licht zou ik dus zeggen dat juist het non-discriminatie beginsel ‘van de wil van de meerderheid afhankelijk’ is, en juist niet altijd ‘minderheden tegen agressie van de toevallige meerderheid’ beschermt, in het bijzonder in horizontale verhoudingen.

Voorbeelden van deze veranderlijkheid zijn er genoeg. Een leuk voorbeeld vormt het belastingstelsel. Prof. Teunissen heeft er recentelijk nog eens op gewezen op welke manier kostwinnergezinnen worden ‘gediscrimineerd’ op basis van hun levenswijze (vergeet niet dat artikel 1 discriminatie verbied ‘op welke grond dan ook’) Deze gezinnen moeten onder het huidig regime 80 % meer belasting betalen, en de toekomst ziet er niet veel beter uit (120 %). In vergelijking met Duitsland en Belgie is dat absurd en in Duitsland is het zelfs constitutioneel verboden verklaard.
Vroeger was het juist precies andersom. Niet-koswinnersgezinnen betaalde in sommige gevallen juist meer belasting. Toen vond men dat toelaatbare discriminatie, omdat een huisvader in de behoefte van zijn hele gezin moet voorzien; en nu vindt men dat blijkbaar ook toelatbare discriminatie, omdat vrouwen nu eenmaal nodig zijn op de arbeidsmarkt en economisch zelfstandig moeten zijn. Wat is nu het verschil, precies ‘de maatschappelijke werkelijkheid.’ Kortmann zelf geeft ook nog een voorbeeld over hoe we omgaan met het huwelijk en homoseksualiteit. En we weten hoe dit thans in horizontale verhoudingen tot allerlei conflicten leidt met mensen die de ‘maatschappelijke werkelijkheid’ niet hebben gevolgd, maar zijn blijven steken in de ‘maatschappelijke werkelijkheid’ van 30 jaar geleden.

Welnu, is de hele discussie over de Islam niet in gelijke termen te bezien? Of de Islam een godsdienst of politieke overtuiging is doet er in het licht van artikel 1 weinig toe. Het gaat om de praktische uitwerking. Op dit moment is de maatschappelijke werkelijkheid dat de Islam wordt gezien als een vredevolle godsdienst en aanwinst voor de nederlandse samenleving. Maar nu zijn er wat mensen die tegen deze werkelijkheid aanschoppen. Terecht? Ik heb daar nog geen duidelijke visie op. Maar misschien verandert dan wel de maatschappelijke werkelijkheid. Het non-discriminatiebeginsel kan die verandering niet stoppen, want overeenkomstig de maatschappelijke werkelijkheid zijn de gevallen dan niet meer gelijk.

Dezelfde bezwaren gelden niet voor gelijkheid ‘voor’ de wet. De wet mag niet zeggen voor christenen dit, voor moslims zo, voor anderen zo, etc, (zoals binnen de Sharia), maar moet algemeen geformuleerd zijn. Ongelijke behandeling door de wet blijft echter moeilijk te voorkomen en wordt zelfs soms zo bedoeld wanneer naar de mening van de maatschappelijke werkelijkheid gevallen niet gelijk zijn. Ik zou dus zeggen dat de klassieke vrijheden de grootste waarborg zijn voor minderheden tegen meerderheden en niet het non-discriminatie beginsel.

Je bezwaar ten aanzien van de stellige stijl kan ik wel begrijpen. Dat past beter in de krant dan in de wetenschap. Ik heb daarom wat mijns inziensen toegevoegd aan het stuk…

Maar ik zou het interessant vinden, mocht jij van mening zijn dat Wilders en de PVV een vijand zijn van de rechtsstaat, hoe jij deze stelling zou onderbouwen. Heeft dat alleen met het afschaffen van het gecodificeerde non-discriminatiebeginsel van doen en het verschil van inzicht met betrekking tot Islam? Vind jij in die zin dat we pas sinds we het non-discriminatiebeginsel hebben, kunnen spreken over een rechtsstaat? Was Fortuyn volgens jou dan ook een vijand van de rechtsstaat? Is dan de hoogste toets van rechtsstatelijkheid het non-discriminatiebeginsel?

11 EMP 18/08/2010 om 12:17

Ik ben een regelmatige lezer van dit blog en over de kwaliteit van de bijdragen heb ik derhalve nog niks te klagen. Natuurlijk zijn er bijdragen waarbij ik mijn afvraag of de argumentatie wel deugt. De schrijver in bovenstaand stuk wil naar ik begrijp aangeven dat de rechtsstaat als argument tegen de PVV, misbruikt wordt voor andere doeleinden. Ik deel die visie deels.

De PVV heeft bij de recente Tweede Kamerverkiezingen meer dan twintig zetels behaald. Veel mensen vragen zich af hoe dat toch kan. De PVV heeft namelijk in haar verkiezingsprogramma bepaalde standpunten die vrij opvallend zijn. De voornaamste kritiek is dat de standpunten van de PVV over bijvoorbeeld de Islam rechtstreeks tegen de rechtsstaat ingaat. Daar hebben de critici mijns inziens ook gelijk in. Toch maken ze een grote denkfout.

De rechtsstaat is namelijk niet statisch maar dynamisch. Bovendien bestaat er niet maar 1 rechtsstaat er bestaan er meerdere op deze wereld. De Verenigde Staten heeft haar eigen rechtsstaat met haar eigen regels en opvattingen. De doodstraf vormt in de VS een onderdeel van die rechtsstaat. Die opvatting druist rechtstreeks in tegen onze eigen rechtsstaat. Toch kunnen wij prima overweg met de VS op allerlei andere gebieden. Kennelijk vindt Nederland de doodstraf niet een zodanige inbreuk dat handel en andere samenwerking niet meer mogelijk zou mogen zijn met de VS. Enfin ik dwaal een beetje af.

Dan kom ik weer terug op de opmerking dat de rechtsstaat dynamisch is. Overigens wil ik spreken van ‘huidige rechtsstaat’. Waarom doe ik dat? Dat is omdat ik al eerder heb gezegd dat de rechtsstaat een dynamisch iets is. Wat in de 17e eeuw als acceptabel gezien werd, kan nu als indruisend tegen de rechtsstaat worden beschouwd. Dat betekent overigens niet dat er in de 17e eeuw geen rechtsstaat was. In de 17e eeuw had men naar alle waarschijnlijkheid een heel andere gedachte over wat de rechtsstaat is. Het kan bovendien heel goed zijn dat men in de 22e eeuw een geheel andere opvatting heeft over de rechtsstaat. Die opvattingen kunnen dan weer indruisen tegen de rechtsstaat van de 21e eeuw. Kortom wat ik wil aangeven is dat de rechtsstaat aan verandering onderhevig is.

De PVV heeft zo ook haar standpunten die volgens velen rechtsreeks indruisen tegen onze huidige rechtsstaat. In diverse media is al aangetoond dat de standpunten van Wilders rechtstreeks indruisen tegen bepalingen in de grondwet en diverse (Europese)verdragen. Anderen beweren dat ondanks die opvattingen de PVV binnen de grenzen van de rechtsstaat opereert. Ik deel die laatste opvatting.

De PVV is namelijk op democratische wijze gekozen door het volk. Dat deel van het volk die op de PVV heeft gestemd heeft kennelijk een andere opvatting over wat de rechtsstaat precies is. De Islam hoort wat de PVV niet thuis in onze rechtsstaat. Bovendien laat ons parlementair stelsel dat ook toe om opvattingen te hebben die tegen de huidige rechtsstaat ingaan. Deze opvattingen kunnen worden geëffectueerd door het indienen van wetgeving of moties. De PVV wil bijvoorbeeld af van de EU, daar zou het dan een motie over kunnen indienen.

Dat laat onverlet dat er op die opvattingen van de PVV kritiek mag worden geuit. Alleen wat ik die critici verwijt is dat zij uitgaan van hun eigen rechtsstaat zonder af te vragen of de PVV wel die rechtsstaat wil. Alleen dan kan er mijns inziens een gezonde discussie ontstaan over de rechtsstaat.

12 Gary Avercamp 18/08/2010 om 23:38

Het blijft dus een definitiekwestie: wat is de rechtsstaat?

In de politieke arena is dat echter een loze discussie. En Wilders aanvallen, met de enkele bewering dat zijn opvattingen tegen de rechtsstaat indruisen, is behoorlijk zwak. Geef dan aan waarom het doorvoeren van de ideeën van Wilders niet in het landsbelang is. Daar kun je beter over debatteren dan over de vraag wat de rechtsstaat nou precies inhoudt. Misschien begrijpen mensen het ook nog. En doe eens gek: misschien overtuig je kiezers!

13 RvdW 19/08/2010 om 06:27

Beste PB,

Ik denk dat de vraag die je me stelt, duidelijk weergeeft dat we op twee verschillende golflengtes zitten. Met de term ‘vijand van de rechtsstaat’ introduceer je een term waarmee wellicht in een politiek debat kan worden gescoord, maar waar ik als jurist helemaal niks mee kan.

Mijn persoonlijke mening sluit nauw aan bij wat m.n. GB en JU in de andere discussie hebben geschreven, Daarnaast is uit de discussie die vooraf is gegaan, hopelijk gebleken dat ik bepaalde voorstellen die in het verkiezingsprogramma van de PVV staan of door de voorman van die partij zijn gedaan, in strijd acht met de beginselen van onze rechtsstaat (zoals een algeheel verbod op islamitisch onderwijs, op het bouwen van minaretten, op het drukken van de koran). Want inderdaad, ik beschouw het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod in hun geheel als onderdeel van de rechtsstaat. Terwijl jij naar eigen zeggen het gelijkheidsbeginsel zoals dit aan de wetgever is gericht, geen onderdeel van de rechtsstaat acht.

Alhoewel, het lijkt er eerder op dat je de implicaties van je eigen stelling niet overziet. Immers, in je laatste post merk je plotseling op: ‘Dezelfde bezwaren [ongrijpbaarheid en veranderlijkheid] gelden niet voor gelijkheid ‘voor’ de wet. De wet mag niet zeggen voor christenen dit, voor moslims zo, voor anderen zo, etc, (zoals binnen de Sharia), maar moet algemeen geformuleerd zijn.’ Beste PB, het voorbeeld dat je in de tweede zin geeft, is er een van gelijkheid DOOR de wet. Het gaat hier namelijk om een gebod aan de wetgever zelf om geen onderscheid te maken, niet om een gebod aan het bestuur en de rechter om wettelijke bepalingen toe te passen zonder aanzien des persoons… Betekent dit dat je discriminatie door de wet toch in strijd acht met de rechtsstaat of gaat het hier om een ‘slip of the pen’?

De argumenten die je aandraagt om ‘gelijkheid door de wet’ (hoe je dit dan ook opvat) niet als onderdeel van de rechtsstaat te beschouwen, vind ik bovendien weinig overtuigend. Dat het gelijkheidsbeginsel ongrijpbaar en veranderlijk is, is juist. Maar ten eerste geldt dit voor het hele gelijkheidsbeginsel: want op welke wijze is het gemakkelijker discriminatie door het bestuur en de rechter vast te stellen dan door de wetgever?

Ten tweede geldt dit ook voor alle overige grondrechten: want beschermt het recht op leven tegen medische blunders in privéziekenhuizen, staat het folterverbod in de weg aan uitlevering van een ter dood veroordeelde en stelt het recht op privéleven minimumeisen op het terrein van milieubescherming? De opstellers van het EVRM hadden deze drie vragen waarschijnlijk elk ontkennend beantwoord, maar het EHRM beantwoordt ze tegenwoordig met ja. Alle grond- en mensenrechten, inclusief het gelijkheidsbeginsel, zijn ‘levend’. Wanneer jij dat dynamisme van de klassieke vrijheidsrechten geen probleem vindt om ze aan te merken als element van de rechtsstaat, begrijp ik niet goed hoe datzelfde kenmerk wel kan worden tegengeworpen aan het gelijkheidsbeginsel.

In het verlengde daarvan: jij merkt op dat het gelijkheidsbeginsel niet in de weg staat aan onderscheid dat gerechtvaardigd kan worden. Daardoor is het ongrijpbaar. Echter wat wel duidelijk is, en in de andere discussie al is opgemerkt door JU, is dat het gelijkheidsbeginsel – net als de overige grondrechten – van de staat een concrete oplossing voor een concreet probleem eist. Dat betekent dus niet: een verbod op alle islamitisch onderwijs, maar: sluiting van een islamitische school indien er ernstige aanwijzingen zijn dat daar problemen zijn. Zie voor de meest duidelijke uitspraak over al te draconische maatregelen: Hirst t. VK.

Ten derde, de veranderlijkheid van de grondrechten betekent niet dat geen harde kern aanwezig is die niet aan directe verandering onderhevig is. En dit is mijn bezwaar tegen je vergelijking tussen ongelijke behandeling in het belastingstelsel van kostwinnersgezinnen en ongelijke behandeling van aanhangers van één bepaalde religie. Een harde kern kent ook het gelijkheidsbeginsel. En daarbij gaat het in ieder geval om de minimalistische invulling die de opstellers van EVRM en Grondwet aan het beginsel gaven. Vergeet niet dat het EVRM juist in het leven is geroepen om de ernstige mensenrechtenschendingen die de daaraan voorafgaande jaren, waaronder discriminatie van een hele bevolkingsgroep op grond van geloof voor de toekomst te voorkomen. Men kan m.i. onmogelijk de veranderlijkheid van een grondrecht inroepen om haar een rechtsstatelijk karakter te ontzeggen voor wat betreft de bescherming die ze biedt in een situatie waar ze nou juist precies voor opgeschreven is.

Ten vierde kun je ‘de maatschappelijke werkelijkheid’ natuurlijk loslaten op niet alleen de grondrechten, maar ook op de andere beginselen van de rechtsstaat. Wat nu wanneer ‘de maatschappelijke werkelijkheid’ zich na een eventuele veroordeling van Geert Wilders op 2 november 2010 op het Binnenhof met keukengerei en tuingereedschap meldt en zich tegen de rechterlijke onafhankelijkheid keert? Betekent dit dan niet dat de rechtsstaat volgens jouw gedachtegang volledig inhoudsloos is?

Uiteindelijk krijgen grondrechten, net als de rechtsstaat in haar geheel, kleur door de maatschappelijke werkelijkheid en zijn zij voor hun voortbestaan afhankelijk voor het respect dat zij in die werkelijkheid ontvangen. De rechtsstaat beschikt nu eenmaal niet over een eigen leger. Maar die ‘maatschappelijke werkelijkheid’ kan niet zomaar gelijk worden gesteld met ‘de meerderheid’ of zelfs ‘een tweederde meerderheid’. In dit opzicht hebben we het hier echt over de rechtsstaat als een variant op de Duitse Ewigkeitsklausel zoals GB opmerkte. Want de grondrechten komen pas echt tot recht wanneer zij een meerderheidsstandpunt dwarsbomen. Hoefden ze niet ook tegen de dictatuur van de meerderheid te beschermen, dan hadden we ze immers ook niet vast hoeven leggen. Dit geldt in het bijzonder voor het gelijkheidsbeginsel, dat immers de meerderheid verbiedt om de rechten van minderheden arbitrair in te perken.

Ten slotte dan je vraag of ik meen dat pas van een rechtsstaat sprake is sinds het gelijkheidsbeginsel geldt. Anders dan jij ben ik van mening dat de rechtsstaat niet zozeer tegen overheidsinmenging, maar tegen overheidswillekeur (door doen óf nalaten) beoogt te beschermen. Het gelijkheidsbeginsel is daarvoor essentieel. Dus in zoverre de kern van het discriminatieverbod in de praktijk niet wordt beschermd is m.i. inderdaad altijd sprake van een onvolmaakte rechtsstaat.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: