Rechtsvorming en rechtsbescherming

door RdG op 28/08/2014

in Europa, Grondrechten, Recensies, Rechtspraak

Post image for Rechtsvorming en rechtsbescherming

Met de invoering van de Wet versterking cassatierechtspraak is twee jaar geleden een aantal belangrijke veranderingen in gang gezet. Lagere rechters hebben inmiddels de mogelijkheid gekregen prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad (art. 393 Rv), de selectie aan de poort is ingevoerd (art. 80a RO) en de opzet van en toegang tot de cassatiebalie zijn verscherpt. In dit blog een greep uit twee afscheidsbundels voor personen die de afgelopen decennia en grote rol hebben gespeeld in de Nederlandse cassatierechtspraak: Jan Vranken en Rob Meijer.

In de afscheidsbundel Cirkels. Een terugblik op een vooruitziende blik, aangeboden aan Jan Vranken, hoogleraar Methodologie van het privaatrecht (Tilburg) en lid van de commissie Fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht, schetst Fred Hammerstein een toekomstbeeld. In 2025 houdt de Hoge Raad zich volgens hem nog voornamelijk bezig met rechtsontwikkeling, terwijl rechtsbescherming grotendeels aan de lagere rechters wordt overgelaten. De essentie van de cassatierechtspraak is volgens Hammerstein, zelf raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, ‘het tonen van leiderschap door het doen van richtinggevende uitspraken’ (p. 175). Daarbij valt volgens hem niet te ontkomen aan invoering van een zogenoemd verlofstelsel, waarbij de Hoge Raad zelf de belangrijke zaken selecteert die hij wil afdoen. Ook voorziet hij een toename van het aantal prejudiciële vragen, waarbij de Hoge Raad ‘terecht vroeg in beeld [komt]’ (p. 177).

Een heel ander geluid valt te beluisteren bij advocaat-generaal Jaap Spier. Volgens hem is de cassatierechter tot op heden slechts beperkt in staat gebleken de maatschappelijke en juridische consequenties van zijn eigen uitspraken te overzien – al was het maar omdat relevante vragen soms nog niet op zijn bord zijn beland. Wie denkt dat Spier daarom een groot voorstander is van cassatie in het belang der wet en van het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, heeft het bij het verkeerde eind. Volgens Spier zal de hoogste rechter in veel (toekomstige) gevallen juist te vroeg worden geroepen om een vraag te beslechten, nog ‘voordat daarover een voldoende inhoudsvolle en uitgekristalliseerde discussie heeft plaatsgevonden’ (p. 46).

Ergens in het midden lijkt zich Bart Groen te bevinden. Hij nuanceert de effecten van de ingevoerde maatregelen, waarvan hij als voormalig lid van het “driemanschap” fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht voorstander is. Toch hoeven deze maatregelen niet te betekenen dat de Hoge Raad teleurgestelde partijen niet meer behulpzaam kan zijn bij het beproeven van een schikking. Groen stelt dan ook een comparitie in cassatie voor, waardoor de cassatierechter in een vroeg stadium partijen toch kan helpen met een oplossing van het conflict, met als bijkomend voordeel dat de zaak van de rol kan worden geschrapt.

Ook in de afscheidsbundel Middelen voor Meijer, aangeboden aan Rob Meijer, cassatieadvocaat bij Houthoff Buruma, is een aantal bijdragen op dit gebied te vinden. Volgens Ernst Numann, vicepresident van de Hoge Raad, is het nut van art. 80a RO voor de civiele sector beperkt. Minder dan tien procent van de zaken wordt op deze manier afgedaan, terwijl bestudering van de dossiers de civiele kamer niet minder tijd kost dan zaken die via art. 81 RO worden afgedaan (p. 238). Waar genoemde maatregelen de werklast juist proberen in te dammen, waarschuwt Numann nu dat een ander gevaar dreigt: als gevolg van verhoging van griffierechten is de kans ‘levensgroot aanwezig (…) dat in cassatie het maatschappelijk “middenveld” – met name de particulieren die niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtshulp, alsmede het midden- en kleinbedrijf – de grote afwezige zal zijn’ (p. 242). Hij spreekt de hoop uit dat de cassatierechter door middel van het beantwoorden van ‘zinvolle en nuttige prejudiciële vragen’ (p. 240) en een ‘ruimer gebruik van het middel cassatie in het belang der wet’ (p. 242) toch leiding kan blijven geven op voor het middenveld belangrijke rechtsgebieden.

Eduard van Staden ten Brink, advocaat te Den Haag, is kritisch over de beperking van de toegang tot de cassatierechter. Door de vereisten die aan cassatieadvocaten worden gesteld, is een ‘wettelijk oligopolie’ (p. 326) gecreëerd, waardoor cassatie niet meer leeft bij ‘gewone’ advocaten en slechts voorbehouden is aan specialisten. Die specialisten moeten bovendien steeds vaker negatief adviseren, waardoor de cassatiepraktijk het gevaar loopt onaantrekkelijk te worden. Van Staden ten Brink waarschuwt daarom dat er ‘fricties zullen ontstaan en klachten dat het in bepaalde zaken onmogelijk is op aanvaardbare condities toegang tot de Hoge Raad te verkrijgen’ (p. 326).

Op EVRM-niveau spelen vergelijkbare discussies. Terwijl wordt nagedacht over nieuwe hervormingen, krijgen de hoogste rechters in het facultatieve Protocol 16 de mogelijkheid om, in zaken die nog aanhangig zijn, het EHRM belangrijke uitlegvragen voor te leggen. Wordt de vraag geselecteerd, dan geeft de Grote Kamer een niet-bindend advies aan de nationale rechter. Zo kan het EHRM met hen de dialoog aangaan en sneller antwoord geven op urgente rechtsvragen.

Voorstanders zijn van mening dat door dergelijke hervormingen deze hoogste rechters in staat worden gesteld zich meer te concentreren op rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Critici blijven waarschuwen voor het gevaar dat de rechtsbeschermende taak op de achtergrond raakt. Intussen is het wachten op de eerste prejudiciële vraag aan de Hoge Raad met Droste effect: een hete aardappel met ingrediënten uit zowel Unierecht als EVRM, die kan worden doorgeschoven aan zowel Luxemburg als Straatsburg, die straks als co-respondenten weer met elkaar in dialoog kunnen gaan.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 RdG 06/10/2014 om 09:58

Inmiddels heeft de civiele kamer van de Hoge Raad in een prejudiciële procedure prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld over het recht op vrije advocaatkeuze in UWV-ontslagprocedures.

Zie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:2901

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: