Recidive en onderzoek

door IvorenToga op 12/11/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for Recidive en onderzoek

Deze maand werd in Justitiële Verkenningen melding gemaakt van rapport 307 in de reeks Onderzoek en Beleid. Het gaat over het resultaat van een meta-analyse van recidiveonderzoek in Nederland en beoogt antwoord te geven op de vraag wat wel en wat niet werkt op het terrein van sancties. Met heel veel slagen om de arm wordt heel voorzichtig geconcludeerd dat interventies die gericht zijn op behandeling – die aansluiten op de criminogene behoeften van de dader – gemiddeld effectiever zijn dan die welke op repressie zijn gericht. Zoals gezegd wordt deze uitkomst stevig gerelativeerd onder andere met de kanttekening dat onduidelijk is gebleven hoe die behandelingsprogramma’s er precies uitzagen en uiteraard dat alleen gekeken is naar de effecten op de dader en dat andere strafdoelen, gericht op andere klanten van het strafrecht, in dit onderzoek niet aan bod zijn gekomen.

Daar staan we dan na al die discussies over straffen of behandelen: behandelen, maar wel in programma’s waarvan we niet weten wat erin gebeurt, lijkt iets effectiever te zijn dan straffen, althans voor de daders. Was dit, marginale, verschil al die inspanningen om maatwerk te leveren waard? Temeer nu verder blijkt dat bij volwassenen dingen veel beter werken dan bij jeugdigen. De vraag is overigens wat er werkt, de vorderende leeftijd, het verstand dat met de jaren komt of het programma? Al die discussies over (veel)plegers, of ze in een pedagogisch, onderwijskundig of punitief traject moeten. Een man of 10 om de tafel om vast te stellen wat het beste is voor betrokkene en dan nauwelijks een verschil terwijl aan de andere klanten nagenoeg geen aandacht wordt besteed.

Soms denk ik wel eens dat we gek zijn geworden. Het strafrecht was ooit bedoeld als ultimum remedium. Dat sloeg, zo heb ik altijd gedacht, aan de ene kant op de aard van de misse daden, waarmee het zich bezig hield, het mala in se, maar minstens evenzeer op de correctiemechanismen die ter beschikking stonden. Die waren in zoverre uniek dat ze niet aan anderen, die zich ook met de correctie van menselijk gedrag bezighielden, toekwamen. Daar geen preventieve hechtenis en ook geen vrijheidsstraffen. Geleidelijk is het ultimum remedium karakter van het strafrecht verdwenen. Naast het mala in se ging het zich ook bezig houden met het zogenaamde mala prohibita, het gedrag dat niet intrinsiek te veroordelen is, maar dat toch moet worden aangepakt omdat het de samenleving ontwricht, het verkeer in gevaar brengt, het handelsverkeer schaadt en ga zo maar door. Door die verbreding verloor het veel van zijn zeggingskracht en kwam het veel meer op gelijke voet te staan met andere correctiesystemen. Voor het onderscheidend vermogen ervan was dat niet bevorderlijk: strafrecht waar is Uw prikkel? Daarbij moet worden opgemerkt dat bij nadere beschouwing achter al die instrumentele wetgeving van het mala prohibita de achterliggende waarden en normen best ook tot het kwaad op zich konden worden gerekend. Helaas is zelden geprobeerd die te expliciteren en daarom heeft het onderscheid meer aandacht gekregen dan het gemeenschappelijke.

Door de alsmaar voortgaande differentiatie van het sanctiestelsel vond, zo mogelijk, een nog ernstiger aantasting van het unieke karakter van het strafrecht plaats. Aan de voorwaardelijke straf werden allerlei maatregelen verbonden die grote gelijkenis vertoonden met het arsenaal waarover de jeugdzorg, het onderwijs of de kinderbescherming beschikt. Een rechterlijk vonnis ging steeds minder onderscheiden van de interventies van de andere systemen. Daardoor werd het dikwijls de volgende stap op een weg waarop al heel lang was doorgemodderd. Daarmee verdween ook de “vrees” voor het terechtstaan. Het verdwijnen daarvan werd nog aangewakkerd door de advocatuur, die doorgaans de onschuld van de verdachte preekte en als die er niet was klemmende aandacht vroegen voor al die factoren die ertoe geleid hadden dat die onschuld verloren was gegaan. Het maken van verwijten aan de gemiddelde en zeker aan de jeugdige verdachten werd eerder uitzondering dan regel en daarmee ook het nemen van verantwoordelijkheid voor wat er gebeurd was.

En nu zou dan gebleken zijn dat deze geleidelijke gelijkschakeling, slechts tot zeer geringe en nauwelijks te duiden verschillen leidt met een aanpak waarbij wel de unieke middelen van het strafrecht worden ingezet; waarbij wel aandacht wordt besteed aan de gerechtvaardigde punitieve behoeften van het slachtoffer en de andere leden van de samenleving en waarbij, via de generale preventie, wel getracht wordt anderen dan daders nog enigszins af te schrikken.

Het stafrecht is gelijkvormiger geworden zouden we vroeger zeggen, het heeft zijn onderscheiden karakter verloren. Het moet terugkeren naar zijn wortels, het kwaad an sich opnieuw definiëren en daar stevig tegen optreden.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 M.J. Hoogendoorn 13/11/2013 om 19:13

Of het strafrecht ooit daadwerkelijk ultimum remedium is geweest betwijfel ik.

De veldwachtersdelicten in titel VII het WvSr lezend zie ik weinig ‘mala in se’. Ik zie eerlijk gezegd een verzameling privaatrechtelijke kwesties die in dezelfde periode in de common law landen in Reylands vs Fletcher geregeld zijn.

Wel zie ik dat het voor een overheid kennelijk moeilijk is om een eenmaal afgegeven bevoegdheid weer prijs te geven (al is dat is een geheel andere discussie).

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: