Regering gedoogt PVV niet langer

door Ingezonden op 21/04/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Regering gedoogt PVV niet langer

De regering heeft eergisteren eindelijk een voorstel voor de nieuwe Wet financiering politieke partijen naar de Tweede Kamer gestuurd, vergezeld van een (foutief gedateerde?) Memorie van toelichting. Het FD gaf meteen al een uitstekende samenvatting van de inhoud, met als kernboodschap: “Alle partijen moeten giften > € 4500 openbaar maken, dus ook PVV”.

“Partijen”? “Giften”? – Toch maar even kijken hoe dat werkt. Naar aanleiding van het initiatief-voorstel-voornemen van de geachte afgevaardigden Schouw en Dibi zijn laatst op dit weblog al problemen met de reikwijdte van de oude Wet subsidiëring politieke partijen geconstateerd. De PVV glipte er maar steeds weer doorheen. (Ik heb me daarbij overigens gruwelijk vergist, alsnog veel dank aan LD voor de uitleg!) Het ontwerp van Schouw en Dibi mag nu gerust op de plank blijven liggen, maar hoe zit het met de reikwijdte in de nieuwe Wfpp?

Het begrip “giften” is in het voorstel vervangen door “bijdragen”. LD beval eerder de definitie aan, die we ook daadwerkelijk in het voorgestelde artikel 1, onder h aantreffen. Die definitie lijkt mij prima, al doet me de vrijstelling van erfenissen en legaten wel even aan een van de meest gênante schandalen ooit van zo’n 400 km verder Rijnopwaarts denken, maar dat terzijde.

Een “politieke partij” in de zin van de nieuwe Wfpp zal (1) een vereniging zijn die (2) met haar aanduiding à la artikel G 1 of Q 6 van de Kieswet (3) aan de laatstgehouden verkiezing voor de Tweede dan wel Eerste Kamer heeft deelgenomen en (4) daarbij minstens één zetel heeft behaald; zie artikel 1, onder b.

De nieuwe Wfpp onderscheidt drie klassen van bijdragen: onder de 1000 € geldt geen plicht tot openbaarmaking, bijdragen tot 4500 € worden elk jaar in een financieel verslag openbaar gemaakt, bijdragen vanaf 4500 € bovendien in extra overzichten; zie artikelen 19 tot en met 24. Die laatstgenoemde overzichten moeten ook vlak voor verkiezingen, geactualiseerd en aangevuld, openbaar worden gemaakt; zie artikel 27. Wie sjoemelt krijgt een boete door de minister opgelegd; zie artikel 34. Onder de definitie van politieke partij valt ook de PVV, dus ook voor haar gelden deze plichten.

Wat gebeurt er nou met niet-partijen? Ten eerste zijn dat de groeperingen die niet aan eis (3) of (4) voldoen, die dus voor het eerst meedoen of vorige keer geen zetel behaalden – denk aan Mens en Spirit, de Piratenpartij en geheel nieuwe partijen. Zij moeten vlak voor de verkiezingen alsnog aan alle openbaarmakingsplichten voldoen, en wel voor de voorafgaande twee jaar; zie artikel 30. Goed bijhouden dus! Een kegelclub die besluit om politiek te gaan hoeft trouwens niet voor een boete te vrezen over de tijd dat er nog geen aanduiding was geregistreerd; zie artikel 34, vierde lid.

En ten tweede zijn er de groeperingen die met een blanco-lijst deelnemen, dus vanwege eis (2) of zelfs al eis (1) buiten het politieke-partij-begrip vallen. Laatst had ik nog het duivelse idee dat de PVV gewoon haar aanduiding boven de lijst zou kunnen weglaten. Voor het geval dat een partij dit onder de nieuwe Wfpp zou proberen heeft de regering een bijzonder leuk regeltje bedacht: voor blanco-lijsten moet de lijsttrekker vlak voor de verkiezingen de bijdragen boven de € 4500  aan elke kandidaat openbaar maken; zie artikel 31. En wel voor de voorafgaande twee jaar. Dat idee zou dus niet meer werken.

Wacht even: net zoals daarnet bij de groeperingen-zonder-succes hoeven ook de groeperingen-zonder-aanduidingen geen boete over de volle twee jaar te vrezen. Pas vanaf de dag van kandidaatstelling gaat de tikker lopen; zie artikel 34, vijfde lid. Dat zijn maar een paar weken. Zou hier weleens een strafrechtelijke vervolging wegens valsheid in geschrifte effectiever kunnen zijn dan de bestuurlijke boete van de minister? “Bij de keuze tussen een bestuurlijke boete en een strafrechtelijke boete staat de effectiviteit voorop. Het instrument van de bestuurlijke boete is daarom in het wetsvoorstel gehandhaafd.” (MvT, blz. 19). Honi soit qui mal y pense…

En misschien ga ik hier wel echt iets te ver: “Ontduiking van de regels valt nimmer uit te sluiten. Het is dus goed om een realistisch verwachtingspatroon te hebben omtrent het bereik en effect van de wet. Van politieke partijen mag echter verwacht worden dat zij zich aan de doelstellingen van de wet houden. Politieke partijen die zich daar aan onttrekken, zullen er door de publieke opinie zeker op worden aangesproken.” (MvT, blz. 4)

Met dit beroep op het zelfregulerend vermogen van het politieke proces ben ik het wel eens. Mijn voorlopige conclusie: er zit geen gevaarlijk grote maas in het net dat de regering hier samen met de andere medewetgevers over de partijen wil werpen, in ieder geval geen enorm gat waar zelfs de PVV doorheen zou passen. Daarmee is het de regering alsnog gelukt de gedateerde benadering van de Kieswet – lijsten worden door kiezers ingediend en o ja: er zijn ook nog partijen – om te draaien en te vervangen door een veel natuurlijkere benadering: zittende partijen zijn de regel, nieuwe partijen en blanco-lijsten de uitzondering. Dat lukt de regering zelfs zonder een Wet op de politieke partijen, waarvoor er vroeger of later ook nog een attributiebepaling in de Grondwet had moeten komen.

Over de andere aspecten van het voorstel zal op dit weblog ongetwijfeld nog het nodige worden geschreven. Bijvoorbeeld over:

  • De handhaving van de eis van 1000 leden om in aanmerking te komen voor subsidie.
  • De vraag of de bepalingen over inhoud van de verslagen in de wet zelf voldoende specifiek zijn. LD drong daar eerder op aan.
  • De kritiek van de geachte afgevaardigde Heijnen – “geen max, niet voor gemeenten, geen verbod giften buitenland” – die overigens deels aansluit bij de kritiek van de GRECO.
  • Het argument voor niet-toepasselijkheid van de Wob: er bestaat al een eigen openbaarmakingsregime. Als de Wob niets toevoegt, dan kan ze toch ook niet schadelijk zijn?!? Vanwaar die angstvalligheid?
  • Hoe natuurlijk het is dat de uitvoerende macht poogt een toezichts- en sanctiebevoegdheid tegenover de controlerende macht te krijgen, en hoe vanzelfsprekend de controlerende macht zich daartegen zal verzetten. De belangen van politieke partijen zijn volgens mij in de Staten-Generaal nogal goed vertegenwoordigd. Of moeten wij hier aan de staatsrechtelijke bel trekken, wellicht nu al?
  • De vraag of de regering met volledige vrijheid over gefaseerde inwerkingtreding van de Wfpp niet een te vergaande bevoegdheid krijgt. De MvT (blz. 42) doet eerst het ergste vrezen: “Daarbij zal rekening worden gehouden met de verkiezingen”. Meteen daarna vervolgt ze geruststellend: “Het wetsvoorstel is immers ook van toepassing op nieuwe politieke partijen en hun kandidaten”. Klopt, maar op oude ook.
  • De vraag of artikel 33, tweede lid, van de Wfpp, gezien artikel 5:14 van de Awb, niet overbodig is. En zo ja: of dat lid toch maar moet blijven staan, omdat het wel lachen is. Was de bijdrage in natura die in de brandy-fles zat in werkelijkheid peperdure cognac? We zullen het nooit weten…

Voor een voorlopige politieke conclusie even het volgende: was het historisch niet zo dat de macht van het parlement over de regering uit zijn budget-recht is gegroeid? Als we dat even op totaal onverantwoorde wijze doortrekken en omdraaien, dan kunnen we zeggen dat de regering hier Wilders’ begroting wegstemt, en hem daarmee het vertrouwen opzegt. Wilders gedoogt de regering nog wel, maar sinds eergister gedoogt de regering Wilders niet meer. Dat wordt spannend, publiekrechtelijk èn politiek!

Bastian Michel, student staatsrecht UvA

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Anton 24/04/2011 om 16:48

Er zitten weldegelijk mazen in de voorgestelde nieuwe Wet financiering politieke partijen.
1) De wet geldt niet voor lokale partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen. Lokale partijafdelingen kunnen dus straks alsnog onkoosjere donaties ontvangen en deze intern doorsluizen naar hun landelijke partijvestiging
2) Grote donaties kunnen alsnog uit het zicht gehouden worden door ze in kleinere bedragen te knippen en via meerdere overboekingstransacties op een partij-rekening te storten.
3) Een opgelegde financiële sanctie zal in geval van verkregen grote donaties alsnog als een “betaalbare” kostenpost zal worden gezien. En in geval van bijvoorbeeld 100.000 euro aan ontvangen dubieuze donatiegelden leverd een opgelegde boete van 25.000 alsnog 75.000 euro mooie donatiewinst op voor een partij.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: