Retoriek in de politiek

door PWdH op 26/08/2010

in Varia

Van oudsher (Plato) wordt retoriek in de politiek gewantrouwd. Retoriek wordt geassocieerd met emotie in plaats van rede, met misleiding in plaats van waarheid en met manipulatie en onderdrukking. Een ander bezwaar is dat retoriek eenrichtingsverkeer is en de reflectie mist die sprekers krijgen wanneer ze een dialoog voeren. In een recent artikel probeert Dryzek de tegenstelling die dit oplevert met deliberatieve democratie – simpel gezegd vrije gedachtenwisseling op grond van argumenten – te overbruggen.

Retoriek, zo betoogt hij, kan wel degelijk nuttig zijn en noodzakelijk om verbanden te leggen in een pluriforme samenleving, waarin niet alleen verschillende groepsidentiteiten voorkomen, maar ook individuen meervoudige identiteiten aannemen (burger, consument, flexwerker, conservatief, ZZP’er, blogger, ik denk dat dat wordt bedoeld). Een ander reden waarom retoriek nuttig is dat het de verschillende fora waarin het idee van deliberatieve democratie wordt gesitueerd (parlement, opiniepagina’s, blogs, lokale overleggen), kan verbinden.

Retoriek is daarom bij uitstek iets voor volksvertegenwoordigers. Veeleer dan in personen zou hun achterban bestaan in termen van belangen, identiteiten en waarden van personen. Ingewikkelder gezegd participeren we allemaal in velerlei discours. Vertegenwoordiging betekent dat al die discours worden vertegenwoordigd. Omgekeerd geldt dat volksvertegenwoordigers kunnen schakelen tussen en inspelen op die verschillende discours, om hun claim op vertegenwoordiging kracht bij te zetten (discursive psychology).

Dryzek geeft als concreet voorbeeld Martin Luther King, die uiteraard eerst en vooral werd gezien als belichaming van de strijd van Afro-Amerikanen voor gelijke rechten. Hij bracht dat echter niet tot uitdrukking in termen van bevrijding van deze bevolkingsgroep, maar in termen van burgerrechten, in de taal van de Onafhankelijkheidsverklaring en de grondwet. Hoewel dit niet meer valt na te gaan, meent Dryzek dat King blanken, die zowel deel uitmaakten een racistisch als een burgerrechten discours, kon overtuigen het eerste te verlaten. Een recenter voorbeeld van wat Dryzek volgens mij bedoelt biedt onvermijdelijk Obama, die in zijn mooiste speech (11’55”) de problemen van armen en moslims tot het probleem van elke Amerikaanse burger maakt (en later openlijk afstand nam van zijn militante dominee).

For alongside our famous individualism, there is another ingredient in the American soul. A belief that we are all connected as one people. If there is a child on the south side of Chicago who can’t read that matters to me even if it is not my child. (…) If there is an Arab-American family being rounded up without benefit of an attorney or due process, that threatens my civil liberties. It is that fundamental belief: I am my brothers keeper, I am my sisters keepers, that makes this country work.

Als voorbeeld van het tweede fenomeen, dat retoriek verschillende fora kan verbinden, noemt Dryzek het inmiddels spreekwoordelijke ‘gat in de ozonlaag’. Pas toen dit retorische vehikel werd voorgereden werd de urgentie van allerlei wetenschappelijke onderzoeken over de uitstoot van CFK’s voor iedereen duidelijk: het gaf als het ware een gemeenschappelijke taal.

Het probleem is echter: hoe retoriek voor het goede doel van retoriek voor het slechte doel te onderscheiden? De categorische tests die Dryzek noemt zijn overwegend van het type: goede retoriek is retoriek die niet slecht is, zich leent voor tegenspraak e.d. Dit lijkt vooral op een waardeoordeel en te berusten en is lastig te operationaliseren. Dryzek noemt nog een andere reden waarom categorische tests beperkt zijn: ze nemen de consequenties van retoriek voor het deliberatieve systeem niet in aanmerking. Retoriek moet daarom worden geevalueerd op systeemniveau.

Als nader instrument geeft Dryzek het conceptuele onderscheid tussen ‘bonding’ en ‘bridging rhetoric’. Bonding gaat om het smeden van een band met mensen van gelijke sociale achtergrond, bridging om mensen van andersoortige achtergrond. Bridging is wat vertegenwoordigers zouden moeten doen, maar is moeilijker dan bonding. Zo moet de bridging vertegenwoordiger doen aan reciprociteit: zijn punt uitdrukken in argumenten die door mensen van andere achtergrond worden aanvaard. Iets claimen op basis van religieuze overtuiging heeft niet veel zin, zolang de ander niet dezelfde religieuze achtergrond heeft. De echte grote leiders – King, Mandela – doen evenwel aan beide vormen van retoriek: wie alleen maar overbrugt, komt immers geisoleerd te staan van zijn eigen mensen (volgens Dryzek bijvoorbeeld Gorbatsjov). Alleen maar bonding is ook weer niet goed, zoals Bush volgens Dryzek liet zien na 9/11. Door de Axis of Evil-retoriek (Als je niet voor ons bent, ben je tegen) verloor de VS alle steun en sympathie die ze direct na de aanslagen kregen (zelfs Chirac reisde aanvankelijk nog af naar Ground Zero).

Dryzek erkent dat het nut van het onderscheid tussen bonding en bridging retoriek beperkt is. Het veronderstelt bijvoorbeeld dat er heldere groepsidentiteiten bestaan in een samenleving en dat zijn vaak toch schuivende panelen; wat moet je dan overbruggen? Bovendien is bridging retoriek niet per se wenselijker dan bonding. Emancipatie van achtergestelde groepen begint vaak met een potje bonding, om vervolgens als eenheid een plaats te claimen in de samenleving. De verzuiling toont dat dat niet het einde van de samenleving hoeft te betekenen, maar de Balkan toont weer anders. Bridging retoriek kan ondertussen worden ingezet door dominante groepen om andersdenken er onder te houden.

De merites van retoriek moet daarom op systeemniveau worden vastgesteld. Dryzek geeft het voorbeeld van het vredesproces in Noord-Ierland. De sectarische kritiek op het Goede Vrijdag-akkoord moest destijds wellicht worden verworpen als verwerpelijke, bonding in de negatieve zin retoriek. With the benefit of hindsight werkte dit goed uit: als ik Dryzek goed begrijp duwden de extreme partijen aan beide zijden hun gematigde varianten uit het discours, hetgeen leidde tot een dialoog tussen de extremen Sinn Fein en de Democratic Unionist Party en uiteindelijk tot vrede.

Hoewel dit wellicht een bijzonder geval is, erkent Dryzek, moeten we dus niet te snel zijn met het veroordelen van retoriek in de politiek, maar het grotere plaatje zien. Al is de retoriek op zichzelf verwerpelijk, in het grotere deliberatieve systeem kan het soms tot iets goeds leiden. Een nuttig inzicht. Toch houd ik nog maar even vast aan de onovertroffen driedimensionale maatstaf van Aristoteles: pathos, ethos, logos.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: