Rutte & Robesin

door GB op 19/06/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Rutte & Robesin

Het is duidelijk dat Robesin met zijn brief een vrij briljante politieke zet gedaan heeft. Het fenomeen heet ‘succes claimen’ en is uitermate lastig. Maar met zijn brief manoeuvreerde Robesin zich naar het centrum van de aandacht. Vergeet Koppejan; Robesin houdt uw voeten droog. Na Senator Ten Hoeve, in wiens wensen de oppositie in de Eerste Kamer opeens geïnteresseerd was, is dit het tweede succes voor de lokale politiek onder het Kabinet Rutte. Maar heeft Robesin met zijn politiek handige brief de staatsrechtelijke polder van zijn vriend Rutte onder water laten lopen?

Feit is in ieder geval dat Robesin van mening is dat er iets is om Rutte aan te herinneren, of sterker: iets om nakoming van te vorderen. In de meest welwillende lezing betreft dat de ‘maximale inspanning om het ontpolderingsspook uit Zeeland te verbannen.’ Op zichzelf is daar niets mis mee, maar deze toezegging komt natuurlijk wel uit de mond van de minister-president die deze mond overigens gebruikt om duidelijk te maken dat hij levert en resultaten boekt bij wat hij zich voorneemt.

Dat gaat dan toch in de buurt komen van het delict van artikel 126 Sr: ‘door gift of belofte iemand omkopen zijn kiesrecht op een bepaalde wijze uit te oefenen.’ Of bij de ambtseed om ‘geen beloftes te doen of aan te nemen om in dit ambt iets te doen of na te laten.’ Maar valt het er ook onder?

Een beproefde methode is de zogenaamde gevalsvergelijking, canoniek beschreven door Wiarda. Men neme daarvoor twee casus en bestudeert overeenkomsten en verschillen om de kennelijk relevante criteria op het spoor te komen.

In de eerste casus werkt Rutte mee aan de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer van vorig jaar en wordt hij tijdens het evenement ‘een momentje met Mark’ apart genomen en dringend ondervraagd door een gehandicapte mevrouw. Of het PGB bij hem veilig is, vraagt ze hem huilend. Rutte, verontwaardigd, verbindt beschaving, VVD en PGB aan elkaar en bezweert de mevrouw dat een stem op hem een stem voor de instandhouding van het PGB is. In de tweede casus komt Robesin langs op het torentje, stemt op de VVD, en blijkt later als enige lokale politicus structureel gebruik te mogen maken van het regeringsvliegtuig. Bovendien verlegt Rijkswaterstaat – zonder enige goede reden – een snelweg die voordien langs zijn achtertuin liep.

Het eerste geval is duidelijk geen probleem en aan de orde van de dag tijdens een willekeurige campagne, het tweede is evident over de grens. De vraag is dan waar de casus Rutte & Robesin het meest op lijkt. Anders dan bij de vrouw met het PGB is er in de huidige casus een veel minder directe relatie tussen de verkiezingsbelofte en de verkiezing. Het was een minister-president die zich bemoeide met de verkiezing van de Eerste Kamer waar hij zelf geen kandidaat voor stond.

Anderzijds is de inhoud van de toezegging niet specifiek op Robesin toegesneden. Het CDA had het al in het coalitieakkoord laten opnemen om Koppejan vanuit eigen kring onder druk te zetten. Dat maakt de band tussen de belofte en de stem van Robesin bepaald zwakker. Het is iets wat Rutte waarschijnlijk sowieso gedaan zou hebben, en het is bovendien geen persoonlijk voordeeltje voor Robesin.

Dat maakt voor mij de verschillen met de evident-foute casus groter dan met de evident-toelaatbare casus. Maar de truc is natuurlijk de formulering van de referentiepunten. Wie met andere casus het omgekeerde wil betogen is uitgenodigd dat hieronder te doen:

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: