Schansspringen in de veellagige rechtsorde

door JU op 08/01/2010

in Rechtspraak

Zwaaiend met de nationale driekleur kreeg Henk Gemser afgelopen week van Erica Terpstra de Olympiërs voor Vancouver overgedragen. De voorlopige ploeg telt vijftien vrouwen. Daaronder geen beoefenaren van het schansspringen. Dat zal niet verbazen. Nederland gooit daarin zelden hoge ogen. Toch zijn er, naar verluidt, twee Nederlandse dames actief op het hoogste niveau. In Vancouver is het schansspringen echter voorbehouden aan mannen. Officieel is de sport wereldwijd niet populair genoeg. Maar omdat de mannen traditioneel op het programma staan, en anders heel Garmisch in rouw wordt gedompeld, maakte het IOC voor hen een uitzondering. Die gold echter niet voor de vrouwen.

De top van het vrouwenschansspringen, wereldkampioene Anette Sagen voorop, pikte dat niet en daagde organisatiecomité VANOC voor de Canadese rechter. Stelling: VANOC werkt mee aan discriminatie. De hoogste rechter van de British Columbia, het Court of Appeal, stelde de dames vlak voor kerst in het ongelijk.

Cruciaal is de vraag of VANOC gehouden is de in het Canadese Charter of Rights and Freedoms opgenomen grondrechten te respecteren. VANOC is een private partij en het Charter is daarop alleen toepasselijk als sprake is van overheidsinvloed of overheidstaken. Volgens de lagere rechter was dat het geval. Zonder steun van de overheid geen Spelen in Vancouver en dus was sprake van een cruciale vorm van overheidsbemoeienis. Toch werd VANOC niet veroordeeld. De lagere rechter zag het IOC als de ware schuldige. Volgens het contract tussen VANOC, de overheid en het IOC gaat uitsluitend de laatste over het programma.

De vrouwen menen in hoger beroep dat VANOC kan weigeren het schansspringen te organiseren. Voor het blok gezet, zou het IOC dan wel moeten besluiten ook de vrouwen tot het toernooi toe te laten. Anders dan de lagere rechter vindt het Court of Appeal echter niet dat VANOC tot de overheid moet worden gerekend. Niet de beslissing de Spelen te organiseren is relevant voor de vraag of sprake is van een overheidstaak, maar de beslissing om dames-schansspringen niet op te nemen. Dat is niet aan de organisatoren maar aan het IOC. Het Charter is op VANOC dus niet van toepassing. Horizontale werking van die rechten is niet aan de orde: ook dan geldt dat van de organisatoren niet kan worden gevergd dat zij het IOC dwingen aan de ongelijke behandeling een eind te maken.

De opstelling van het hof bedekt een breder vraagstuk. Zijn landen aan te spreken op mensenrechtenschendingen in het kader van wereldwijde evenementen die op hun grondgebied – en met hun medewerking – worden georganiseerd? Recent werd daarvoor ook in het redactioneel van het NJB aandacht gevraagd. In breder verband kwam zij aan de orde in een preadvies voor de staatsrechtconferentie 2009, van de hand van Esther Engelhard. Dat de wetenschap haar messen slijpt belooft wat voor een eventuele Nederlandse organisatie van de Spelen in 2028. De Canadezen kwamen met de schrik vrij. Maar de lijn van het Court of Appeal maakt het makkelijk voor de overheid haar handen in onschuld te wassen. Moet zij niet op zijn minst bereid zijn tot een subtiel babbeltje met het IOC? Op de overheid rusten toch positieve verplichtingen? De lijn die de lagere rechter volgde, namelijk of met het organiseren van de Spelen overheidsbeleid of een wettelijk kader wordt uitgevoerd, danwel dat de rol van de overheid bij het organiseren van cruciaal belang is lijkt mij logischer. Die lijn heeft wat weg van de taal die het EHRM bezigde in Wós t. Polen. Het overwoog ten aanzien van een stichting die slachtoffers van de Duitse bezetting compenseerde, dat de overheid weliswaar geen directe invloed had op de dagelijkse gang van zaken, maar dat haar rol wel cruciaal was geweest ‘in establishing the overall framework within which the Foundation operated’. Wat het hof daarmee precies bedoelt blijft echter rijkelijk vaag. Zelfs met Wós in de hand blijft het gekunsteld om het nationale organisatiecomité als public authority aan te merken. Even gekunsteld is het anderzijds om de organisatie van de Spelen als iets puur privaatrechtelijks te beschouwen. Een burgemeester kan zich toch moeilijk gastheer van de Spelen noemen als hij elke verantwoordelijkheid ervoor ontkent? Kortom moeilijke vragen voor de Nederlandse rechter, straks in 2028.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: