Schuurmans ‘enquête’: zwanenzang van een mastodont

door GB op 21/03/2011

in Haagse vierkante kilometer

Er was opvallend weinig aandacht voor in de media: het debat over het voorstel van scheidend fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Eerste Kamer Egbert Schuurman om onderzoek te doen naar de gevolgen van 25 jaar privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten. Nog interessanter is het dat de media die aandacht aan de discussie besteed hebben niet allemaal dezelfde conclusie trekken. De Telegraaf kopte met “Nog geen Senaatsenquête naar privatisering”. De website van de SP dacht daar anders over: “De Eerste Kamer houdt voor het eerst in zijn (sic) bestaan een parlementaire enquête”. Om vervolgens meteen fors uit te pakken met een lijstje van wat er allemaal onderzocht kan worden. De spoorwegen, het busvervoer, de luchtvaart, het loodswezen, de energiebedrijven, de communicatiesector, de woningbouw, delen van de zorg, de beveiliging etc. De socialisten hebben er zin in, maak van het Eerste Kamerlidmaatschap maar een voltijdfunctie! De website van het instituut waar het allemaal plaatsvond en nog plaats gaat vinden meldt dat de Kamer een voorbereidingscommissie heeft ingesteld. Het is uiteindelijk de nieuwe Eerste Kamer die ‘in finale zin besluit over het al dan niet instellen van een parlementaire enquête. Zij kan alsnog hiervan afzien, als de voorbereidingscommissie adviseert om het gewenste onderzoek niet met een parlementaire enquête, maar op een andere wijze vorm te geven’.

In plaats van naar websites te kijken, kunnen we natuurlijk ook een blik werpen op het besluit dat de Kamer afgelopen dinsdag heeft genomen (de vraag waarom de Kamer het nodig vond dat besluit als motie te verpakken laten we maar even rusten). Dat besluit, dat met de kleinst mogelijke meerderheid werd genomen, lijkt vrij helder. Onder het kopje ‘voorstel parlementaire enquête’ en onder verwijzing naar zowel artikel 70 van de Grondwet als de Wet op de parlementaire enquête en de op een enquête betrekking hebbende bepalingen van het Reglement van Orde besluit de Kamer:

een onderzoek te doen instellen in de zin van artikel 70 van de Grondwet naar de kwaliteit en zorgvuldigheid van de besluitvorming over en de effecten van de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten op overheid, burger en samenleving, mede in hun onderlinge verhouding.

Waarom Schuurman en bondgenoten voor de formulering  ‘te doen instellen’ kozen, is niet duidelijk, maar het lijkt er toch op dat uit deze formulering vrij dwingend volgt dat de Eerste Kamer voor het eerst in de geschiedenis heeft besloten een parlementaire enquête te houden. Met andere woorden: als een nieuwe Eerste Kamer geen trek heeft in zo’n enquête, moet zij dit besluit ongedaan maken. Een besluit van de oude Kamer is immers gewoon bindend voor de nieuwe Kamer totdat deze formeel anders beslist. Schuurman zadelt de nieuwe Senaat, waarvan de politieke samenstelling nog ongewis is, dus met een potentieel lijk in de kast op.

Het voorgaande noopt tot een kritische blik op de gevolgde procedure. Artikel 128 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer stelt dat het voorstel voor een enquête wordt ingediend door een commissie of door één of meer leden. In casu was de twee optie van toepassing. Althans, met enige goede wil kunnen we de ‘nota‘ die Schuurman in elkaar knutselde als een voorstel voor het instellen van een parlementaire enquête beschouwen. Zulke voorstellen moeten we immers niet beoordelen op overmatig en willekeurig gebruik van vette letters of het stelselmatig afkorten van de naam van het orgaan dat de enquête moet gaan uitvoeren (de “EK” dus). Formeel voldoet het allemaal wel aan de vereisten van artikel 129 Reglement van Orde, met dien verstande dat Schuurman best in rudimentaire vorm had mogen aangeven welke getuigen en deskundigen hij wilde uitnodigen (zie het desbetreffende artikel). Toch staan er wel opmerkelijke dingen in de nota van Schuurman.

Onder de details valt het feit dat Schuurman zich op basis van artikel 88 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer tot het College van Senioren wendde. Daarmee doet hij zichzelf tekort. Het artikel waar de nestor zich op beroept geeft hem namelijk het recht om onmiddellijk het woord te krijgen voor een voorstel van orde. Er zijn wellicht goede redenen om eerst het College te consulteren, maar artikel 88 valt daar niet onder. Ook is het – een tweede detail – gezien de context minder zuiver om van de taak van de Eerste Kamer tot het instellen van een enquêtes te spreken. ‘Bevoegdheid’ was beter geweest.

Het verhaal begint serieus te rammelen waar de nota een onderscheid maakt tussen ‘parlementaire enquête’ en ‘parlementair onderzoek’. Dat verschil maakt Schuurman om niet onmiddellijk te hoeven besluiten over ‘het meest zware element’, namelijk het horen van mensen onder ede. Het onderscheid tussen enquête en onderzoek komt in het Reglement van Orde van Tweede Kamer wel voor (artikel 142 RvO II), maar in de evenknie van de Eerste Kamer niet. Dat reglement herhaalt in artikel 128 de gelijkstelling van artikel 70 Grondwet: ‘onderzoek (enquête)’ en heeft het in de tussenkopjes alleen nog maar over ‘enquête’. De Eerste Kamer kan op basis van de artikelen die ze zelf genoemd hebben dus alleen een pad zijn ingeslagen waarin ‘enquête’ en ‘onderzoek’ gelijk zijn.

Maakt dat dan wat uit? Ik denk het wel. De vraag of mensen onder ede moeten worden gehoord hebben ze namelijk niet meer zelf in de hand. Dat wordt nu geregeld door de Wet op de parlementaire enquête, die door het besluit van de Eerste Kamer immers geactiveerd is. Artikel 9 van die wet geeft een commissie de mogelijkheid om personen als getuige of als deskundige te horen. Volgens artikel 13 kan een commissie besluiten om getuigen zonder voorafgaande eed of belofte te horen, maar wordt een deskundige altijd onder ede gehoord. De nota lijkt het vooral over het horen van deskundigen te hebben. En die zullen dus de eed of de belofte moeten afleggen.

Maar goed, er lag dus een voorstel van een lid. Volgens artikel 130 Reglement van Orde moet nu een bijzondere commissie het voorbereidend onderzoek verrichten. Die bijzondere commissie wordt inderdaad ingesteld. Zie het tweede deel van de motie. De Kamer besluit:

voor dat doel een commissie in te stellen als bedoeld in artikel 130 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke belast zal worden met de uitwerking van de vraagstelling en de verdere voorbereiding van het hiervoor bedoelde onderzoek

Allemaal prima, maar waarom dan nu reeds het besluit genomen om een parlementaire enquête te houden? Dat stond immers ook in het besluit. Met andere woorden: de Kamer besluit een enquête te houden, laat een voorbereidend onderzoek verrichten door een bijzondere commissie en beslist vervolgens in nieuwe samenstelling nog een keer over het al dan niet houden van een enquête. Allemaal nogal omslachtig. De Kamer had reglementair gezien best even kunnen (en eigenlijk ook moeten) wachten: eerst een voorbereidend onderzoek, dan een besluit: doen of niet doen.

Naar we mogen aannemen zullen de tegenstanders van een enquête – de senatoren van VVD, CDA en SGP (gezamenlijk goed voor 37 zetels) – ook zitting willen nemen in de nu te formeren bijzondere commissie. Sterker nog, ze hebben er recht op. Artikel 36 lid 2 van het Reglement van Orde bepaalt namelijk dat in beginsel iedere fractie vertegenwoordigd moet zijn. Dat kan nog gezellig worden. Schuurman hoopte in zijn nota nog op een ‘unanieme meerderheid’. Een op z’n minst zeer comfortabele meerderheid lijkt toch wel een voorwaarde te zijn voor een succesvolle parlementaire enquête en die meerderheid ontbreekt hier overduidelijk. Aan vechtvoetbal – nota bene reeds in de voorbereidende fase – heeft niemand behoefte. Dan blijft van Schuurmans gedachte dat ‘dat de reputatie van de EK verbeterd zou kunnen worden als zij van het grondwettelijk recht van enquête gebruik zou maken’ weinig over.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 3 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: