Senaat & Staatscommissie: Qu’est-ce que le pouvoir constituant?

door GB op 13/02/2012

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Senaat & Staatscommissie: Qu’est-ce que le pouvoir constituant?

Vorige week dinsdag debatteerde de Eerste Kamer over de Grondwet. De Senaat was duidelijk verontwaardigd over de wijze waarop het kabinet het advies van de Staatscommissie Grondwet in de la probeerde te proppen. De minister die daarbij een zeker genoegen uitstraalde, Donner, is inmiddels vervangen door Spies. Voor haar was het praktisch de eerste keer in deze arena waar ervaren hoogleraren staatsrecht rondsluipen. Gezien de opgekropte irritatie bij de Kamer, de aard van het onderwerp en de geërfde koers, deed Spies het erg goed. Ze werd uitgebreid gemasseerd, vooral door Vliegenthart en Engels, om namens het kabinet toch iets meer te doen dan Struycken citeren. Maar hoewel Spies sympathiek meebewoog, gaf ze inhoudelijk geen duimbreed toe. Dat ging na verloop van tijd wel ten koste van de diepgang van de discussie, zeker toen ze bij herhaling de kamer stond te bezweren dat de het kabinet echt wel goed had nagedacht. Hoogtepunt van de discussie was in ieder geval de vermelding van ons blog in een debat in de Senaat. Onze dank gaat uit naar Vliegenthart die een interruptie zo begon:

Een website memoreerde al de vraag: redt Engels de staatscommissie? Hij heeft vandaag een dappere poging gewaagd om iets van die staatscommissie te redden. Daarvoor past dank.

Hoofdmoot van de discussie was de vraag waarom wat in de Grondwet moet worden opgenomen en wie dat bepaalt. Met andere woorden: wie is de pouvoir constituant (dérivé) en wat moet diens afwegingskader zijn. In Nederland wordt de Grondwet gewijzigd door de dezelfde instellingen die ook de wetgevende macht vormen, zij het via een bijzondere procedure met twee lezingen en een versterkte meerderheid van twee derde in de tweede lezing. Dat heeft tenminste drie nadelen. In de eerste plaats moeten dezelfde politici die eerst elkaar in de haren vlogen over het natuurbeleid daarna beslissen hoe de Grondwet eruit moet zien. Vertroebeling van het debat kan het gevolg zijn. Senator Vliegenthart, bijvoorbeeld, sneerde dat dit kabinet met zijn knuisten van de Grondwet af moest blijven, gezien de schandalige plannen die nog op stapel lagen of reeds bij de rechter waren afgeschoten. Eigenlijk is het debat dan zo’n beetje meteen voorbij. In de tweede plaats kan de Grondwet inzet worden van schaamteloze coalitiepolitiek. Engels, van D66, wist natuurlijk hoe dat werkt. Strikt genomen is het hele rapport van de Staatscommissie een gevolg daarvan, nu Ger Koopmans van het CDA in de Tweede Kamer bij de behandeling van de begroting van dit jaar toegaf dat het CDA helemaal niets wil op staatsrechtelijk gebied. Alleen coalitieafspraken zijn reden om ergens mee in te stemmen. En om die steun dus weer in te trekken als dat niet meer nodig is. In de derde plaats veroorzaakt deze wijzigingsprocedure dat de Grondwet vooral wordt gewijzigd op de punten die zo volstrekt vanzelfsprekend zijn geworden dat geen enkele politieke partij er nog politieke winst in ziet om er tegen te zijn. Dat voedt de gedachte dat dit ook zo behoort te zijn.

Tegen die laatste conclusie liepen nogal wat senatoren te hoop. Senator Koole had het meest fundamentele betoog: 1848, 1917 en 1983 waren toch zeker meer geweest dan een vanzelfsprekend sluitstuk van de dingen die onder ons volkomen zeker zijn? Het waren ieder op zichzelf toch ook stappen voorwaarts. Senator Kuiper borduurde verder: er was de afgelopen jaren toch ook wel het een ander op fundamenteel niveau in beweging gekomen. Veiligheid, constitutionele identiteit en burgerschap: de nieuwe thema’s van deze tijd. Dat zou toch reden kunnen zijn om daar ook op Grondwettelijk niveau een koers voor uit te zetten. Engels draaide het om en hoonde elk initiatief om de Grondwet op een educatief voetstuk te zetten zolang de argeloze inburgeraar bij lezing ervan denkt dat de koning hier de baas is. Bovendien stimuleert een Grondwet die nauwelijks meer aansluit bij de realiteit politici die denken dat de Grondwet alles mogelijk maakt.

Inhoudelijk spitste het debat zich toe op de door de Staatscommissie Grondwet voorgestelde Algemene Bepaling. Daarin moet komen te staan dat Nederland een democratische rechtsstaat is, de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de rechtsbeginselen respecteert en dat elk openbaar gezag wordt uitgeoefend krachtens wet of Grondwet. Niemand is daar op zichzelf tegen natuurlijk. Sterker nog, daar zijn zoveel mensen zo hardgrondig vóór dat het eigenlijk, volgens Engels, bovenaan het lijstje onderwerpen van het kabinet had moeten staan. Of, zoals een sterk opererende senator De Boer het formuleerde: ‘Het kan aan mij liggen, maar ik begrijp echt niet hoe een bepaling die zo kernachtig de basisbeginselen van onze rechtsstaat weergeeft niet zou passen in een, lees: onze, grondwet.’ Maar dat ging toch niet door, volgens de merkwaardige redenering dat de Algemene Bepaling wel juist is, maar zo vaag geformuleerd dat het beter ongeschreven recht kan blijven. Ik heb niet de indruk dat het vaak voorkomt dat recht ongeschreven moet blijven omdat het er onduidelijker op wordt als het opgeschreven wordt. Wel minder flexibel, maar dat willen we toch juist niet? Misschien wel daarom reed Lokin-Sassen nog een ander argument naar binnen: opname van een Algemene Bepaling was uitdrukking van een dermate fundamenteel andere opvatting over de Grondwet dat daar minstens nog een nieuwe Staatscommissie aan gewijd moest worden.

Overigens deed Lokin-Sassen bepaald afbreuk aan het decorum van het debat door met zoveel woorden te gaan uitleggen wat zij op het eerste college van het eerstejaarsvak Staatsrecht aan studenten uitlegt. De daarmee kennelijk ingeschatte noodzaak om deze kennis bij de senatoren nog eens op te frissen, zuigt precies die wellevende vermakelijkheid uit het debat waarmee senator Engels aan senator Holdijk de uitspraak (‘in confesso’, dat wel) ontlokt dat constitutionele toetsing heus wel ergens goed voor is.

Hoe dan ook, Lokin-Sassen had een duidelijk antwoord op de vraag wie de grondwetgever was. Le pouvoir constituant, c’est moi. Ze diende een motie in met een dictum waarin er bij de regering op ‘aangedrongen’ werd het recht op een eerlijk proces ‘in de Grondwet op te nemen.’ De motie van Engels, die ogenschijnlijk ook op een meerderheid kan rekenen, was wat dat betreft bescheidener: het kabinet werd uitsluitend gevraagd met voorstellen voor een formulering voor een Algemene Bepaling te komen.

Toen bleek minister Spies zeer alert. Als er dergelijke moties werden aangenomen in de Senaat, wat was dan nog de rol voor de Tweede Kamer? Sörensen kwam onmiddellijk melden dat hij onder alle omstandigheden de koers van zijn Grote Blonde Leider zou volgen. Maar dat ging de Voorzitter te snel. Hij antwoordde namens de Eerste Kamer dat een dergelijke situatie toch vooral het probleem van de regering was. Wel kon hij zich, voorzichtig formulerend, voorstellen dat moties van een kamer die over dingen zo goed nadenkt als de Eerste Kamer in de Tweede Kamer het vertrekpunt van de discussie zijn. Met andere woorden: als er dan toch een hiërarchie aangebracht moet worden, dan toch vooral met de Eerste Kamer in een leidende rol als het om de Grondwet gaat.

Al met al is de geschiedenis van de herziening van de Grondwet weer een interessante ervaring rijker geworden. Staatscommissies over de Grondwet hebben mogelijkheden om juist aan de hierboven beschreven nadelen van de wijzigingsprocedrue tegemoet te komen. Ze kunnen namelijk, mits met het oog daarop samengesteld, precies dat doen wat een pouvoir constituant volgens mij zou moeten doen: met een algemener en politiek neutraler perspectief naar de spelregels en de fundamentele waarden kijken. Dat is iets anders dan gewone politiek waar we het toevallig ontzettend over eens zijn. Constitutionele afwegingen zijn in ieder geval van een ander soort dan dat ‘er nog nooit gebleken is van onoverkomelijke problemen met de formulering van de beperkingsclausules in de Grondwet.’ En ze zijn ook anders dan een expliciete voortzetting van gewone politiek met constitutionele begrippen, zoals bij de WWIK. Maar hoe we echte constitutionele politiek nu het beste kunnen faciliteren, blijft nog zoeken.

1° Qu’est-ce que le pouvoir constituant dérivé? Tout.
2° Qu’a-t-il été jusqu’à présent dans l’ordre politique ? Rien.
3° Que demande-t-il ? A y devenir quelque chose. (bron)

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: