SGP-conclusie

door GB op 30/11/2009

in Grondrechten, Rechtspraak

Post image for SGP-conclusie

Over de conclusies van AG Langemeijer zal op dit blog wel het nodige geschreven worden. Op de NRC-blog Recht en Bestuur wees Jensma al op de verzuchting van Langemeijer: waarom zo zwart wit? Als de Staat een actieplan ‘Overtuig de SGP’ had gepresenteerd, dan was de boel misschien niet zo hoog opgespeeld. Die verzuchting is overigens aanmerkelijk subtieler dan dat we uit de koker van Spier gewend zijn.

Interessant is verder dat Langemeijer – anders dan het Hof primair oordeelde – van mening is dat ‘het vrouwenstandpunt’ onderdeel uitmaakt van de te beschermen vrijheid van godsdienst. Dat lijkt mij geen goede zaak. Op basis van (een soort) zelfinterpretatie (de gelovige maakt zelf uit wat onder zijn geloof valt) was het al mogelijk om te concluderen dat het niet echt om de godsdienst ging. Binnen een cultuur waarin het de gewoonte is om te splitsen en te scheuren alsof de waarheid ervan afhangt, is het een teken aan de wand wanneer de SGP-jongeren al door de Clara-Wichman-bocht zijn. Dan hoort het standpunt kennelijk tot ‘die zaken waarover men van mening mag verschillen.’ Bescherming als godsdienst is daarmee niet meer nodig.

Verder vraag ik me nog altijd af of de SGP met rust zou mogen worden gelaten wanneer zij niet meer categorisch vrouwen uitsluit, maar het bijvoorbeeld via de functie-eisen voor het kamerlidmaatschap laat verlopen. Lastiger vind ik echter een reconstructie van hoe het internationale recht hier nu precies doorwerkt.

Artikel 7 Vrouwenverdrag luidt:

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen, en verzekeren vrouwen in het bijzonder het recht om op gelijke voet met mannen:
(a) hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen;
(b) deel te nemen aan de vaststelling van het overheidsbeleid en aan de uitvoering hiervan, alsook openbare ambten te bekleden en alle openbare functies op alle overheidsniveaus te vervullen;
(c) deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.
 

Bij de Nederlandse rechter kan men zich niet zomaar op internationaal recht beroepen. Inroepbaar zijn die ‘bepalingen’ die ‘naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden’. (artikel 93 Grondwet). De bedoeling van deze constructie was – kort gezegd – te voorkomen dat de rechter zou worden geconfronteerd met niet voor toepassing gereed internationaal recht. Bepalingen die de Staten tot het behartigen van allerhande sympathieke dingen oproepen zouden buiten het bereik van de rechter moeten blijven, bepalingen die voldoende concreet zijn om in de nationale rechtsorde als objectief recht te kunnen gelden, zouden gewoon moeten kunnen worden toegepast.

Maar hoe bepaal je nu wat de bepaling is? Dat is niet zomaar artikel 7 Vrouwenverdrag. Langemeijer onderscheidt twee ‘(sub) regels’ 1: De verdragsstaten nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen. En 2: De verdragsstaten verzekeren aan vrouwen het recht om op gelijke voet met mannen (onder a): hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen, (onder b, hier niet van belang) (onder c): deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.’

Vooral regel 2 kandideert zich volgens Langemeijer voor het predikaat ‘een ieder verbindend’. Dat steunt op een taalkundig argument (‘verzekeren’) en op een systematisch argument ‘omdat regel 2 kan worden beschouwd als een concrete uitwerking op een deelterrein van de algemene opdracht die regel 1 aan de verdragsstaten geeft. Dit laatste volgt ook uit het gebruik van de woorden “in het bijzonder” in artikel 7. Regel 2 kan dus worden beschouwd als een middel om het in regel 1 genoemde doel te bereiken, althans naderbij te brengen.’

Later – in de samenvatting – spreekt hij niet meer van ‘regels’, maar van ‘verplichtingen’, waaruit een ‘bepaling’ bestaat. Over regel 2: ‘daarnaast behelst deze verdragsbepaling (artikel 7 Vrouwenverdrag, GB) een bijzondere verplichting, te weten dat de Staat – voor zover van belang voor dit geding – aan vrouwen het recht verzekert om verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen en om deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land. Met welke (wettelijke of andere) middelen de Staat dit resultaat verzekert indien het om gedragingen of nalatigheid van een derde gaat, staat ter keuze van de Staat. Deze verdragsbepaling laat de Staat echter niet de vrijheid om, in een geconstateerd geval van discriminatie van vrouwen door een politieke partij, op gronden van opportuniteit af te zien van iedere mogelijke maatregel tegen die discriminatie. Deze bijzondere verplichting kan door vrouwen (of door belangenorganisaties die opkomen voor hun belang) rechtstreeks in de nationale rechtsorde worden ingeroepen tegenover de Staat. Indien deze bijzondere verplichting wordt beschouwd als een middel, waarmee de in art. 7 beoogde uitbanning kan worden bereikt, strekt zij tot bescherming van alle vrouwen.’

De vraag naar de een-ieder-verbindendheid van regel 1 wordt dus min of meer omzeild, omdat regel 2 in ieder geval ‘een ieder verbindend is’, en de betekenis van regel 2 moet worden vastgesteld in het licht van regel 1, waarna het resultaat luidt: niet-verkiesbaarheid moet worden ‘uitgebannen’ door het treffen van voldoende maatregelen.

?

Ik ben nog aan het doorgronden op welke manier het bepalen van de inroepbaarheid van de norm nu verloopt. Voor hulp daarbij houd ik me warm aanbevolen. Maar als we zien hoeveel moeite het voor de rest kost om de Staat dan ergens toe te veroordelen (gegeven de onmogelijkheid van een wetgevingsbevel), dan lijkt het er in ieder geval niet op alsof we hier te maken hebben met een bepaling die ‘voor toepassing gereed recht’ aanlevert.

1 JU 01/12/2009 om 11:16

Goed punt van die een ieder verbindendheid. Het is inderdaad de vraag of je hier niet zou moeten aannemen dat sprake is van een situatie van een instructienorm aan de wetgever, nu zowel hof als A-G zo benadrukken dat voor elk redres wijzigingswetgeving nodig is.

Vraag is wel of het niet gaat om een relatief uitzonderlijke context. Regel 2, zoals de A-G het noemt, geeft normaal gesproken een vrij duidelijke norm. Als hier niet indirect de SGP in het beklaagdenbankje had gestaan maar de wetgever, bijvoorbeeld vanwege het uitvaardigen van een wet inhoudend dat vrouwen alleen mogen stemmen als zij minimaal een HAVO-opleiding hebben genoten, dan kan de rechter de norm van artikel 7 Vv zonder twijfel als objectief recht toepassen. Zo’n regeling is dan buiten toepassing te laten. Ik denk dus dat de rechter voor wat betreft de preliminaire kwestie van de inroepbaarheid er best op uit kan komen dat de bepaling ieder verbindend is, om de problemen van implementatie vervolgens te behandelen onder de reikwijdte van artkel 7 (wat volgt precies uit dat artikel?). Maar je hebt helegaar gelijk dat het giswerk blijft.

2 Rob Kooijman 01/12/2009 om 14:45

"Als de Staat een actieplan 'Overtuig de SGP' had gepresenteerd, dan was de boel misschien niet zo hoog opgespeeld."

Ik: Waarop wordt dit gebaseerd? Waarom zou het Proefprocessenfonds daarmee tevreden kunnen zijn geweest? Bovendien, de overtuiging van de SGP is juridisch niet aan de orde, maar het handelen naar die overtuiging door de SGP.

"Op basis van (een soort) zelfinterpretatie (de gelovige maakt zelf uit wat onder zijn geloof valt) was het al mogelijk om te concluderen dat het niet echt om de godsdienst ging. Binnen een cultuur waarin het de gewoonte is om te splitsen en te scheuren alsof de waarheid ervan afhangt, is het een teken aan de wand wanneer de SGP-jongeren al door de Clara-Wichman-bocht zijn. Dan hoort het standpunt kennelijk tot 'die zaken waarover men van mening mag verschillen.' Bescherming als godsdienst is daarmee niet meer nodig."

Ik: Hoezo zou het niet echt om de godsdienst gaan als binnen een gemeenschap men het er niet allemaal mee eens is? Binnen een vereniging telt in ieder geval de (gekwalificeerde) meerderheid.

"Verder vraag ik me nog altijd af of de SGP met rust zou mogen worden gelaten wanneer zij niet meer categorisch vrouwen uitsluit, maar het bijvoorbeeld via de functie-eisen voor het kamerlidmaatschap laat verlopen."

Ik: Dat hangt ervan van af hoe artikel 7 Vrouwenverdrag wordt geïnterpreteerd. Als minimaal 1 vrouw op de SGP-lijst moet staan, dan zal dat een vrouw zijn die de opvatting van de SGP over vrouwen niet huldigt (zie ook mijn artikel in NJCM-bulletin in 2007).

"De vraag naar de een-ieder-verbindendheid van regel 1 wordt dus min of meer omzeild, omdat regel 2 in ieder geval 'een ieder verbindend is', en de betekenis van regel 2 moet worden vastgesteld in het licht van regel 1, waarna het resultaat luidt: niet-verkiesbaarheid moet worden 'uitgebannen' door het treffen van voldoende maatregelen."

Ik: De zinsnede "in het bijzonder" in artikel 7 in de aanhef, houdt semantisch gezien in, dat een inbreuk op de te verzekeren rechten een onderdeel is van de met alle passende maatregelen uit te bannen discriminatie van vrouwen.
Terzijde: Minister Ballin zei bij de goedkeuringswet in 1993: "De Nederlandse overheid voldoet aan haar verplichtingen op grond van het (rechtbank: Vrouwen)verdrag, doordat deze bepaling rechtstreeks kan worden ingeroepen in een procedure voor de civiele rechter. Dit is een toezichtmechanisme dat geheel in overeenstemming met het verdrag is." Toen was er nog geen sprake van ongelijke behandeling van vrouwen in de statuten of reglementen bij de SGP. Na 1997 wel (na 2007 is er overigens sprake van "personen" in de statuten en reglementen, net als vóór 1997).

"Voor de rest kost (het me moeite) om de Staat dan ergens toe te veroordelen (gegeven de onmogelijkheid van een wetgevingsbevel), dan lijkt het er in ieder geval niet op alsof we hier te maken hebben met een bepaling die 'voor toepassing gereed recht' aanlevert."

Ik: Had de Staat niet op grond van artikel 7 tot kunnen worden veroordeeld tot het nemen van alle passende maatregelen om de inbreuk op de onderdelen 7a en 7c uit te bannen, met een last onder dwangsom als dat niet binnen een bepaalde (redelijke!) termijn is gebeurd? Had het hof de Staat niet kunnen bevelen de kieswet buiten toepassing te laten op de SGP? Bij dat laatste zijn namelijk vrouwen en mannnen bij de SGP op gelijke voet ONverkiesbaar (zie ook mijn NJB-artikel in 2008), gelijke behandelng derhalve.

3 GB 01/12/2009 om 17:22

Met 'hoog opspelen' bedoelde ik niet alleen de inzet van het Fonds, maar ook de reactie van de rechterlijke macht. 'Hoog oplopen' was misschien beter geweest.

De redenering over de zelfinterpretatie steunt tevens op de (ook genoemde) stelling dat in een club als de SGP verschil van mening over dingen die ze echt heilig achten tot scheuring leidt.

Het probleem met die veroordeling tot passende maatregelen is – volgens mij – dat dit naar de opvatting van het Hof en de AG op een wetgevingsbevel neerkomt. Het is overigens niet per se dat het mij moeite kost, het is meer in het algemeen bedoeld.

Dat hangt inderdaad van de interpretatie van artikel 7 Vrouwenverdrag af. Maar Hof en AG beklemtonen nogal wat resterende vrijheid voor de SGP zodat het niet waarschijnlijk is dat ze in artikel 7 Vrouwenverdrag de verplichting zullen lezen dat er tenminste 1 vrouw op moet staan.

Dat op geljke voet onverkiesbaar zijn vind ik een mooie.

Mijn punt is vooral hoe er omgesprongen wordt met het begrip 'bepaling' uit de Grondwet; namelijk tot 'regels' en tot 'verplichtingen', af te leiden uit brokjes tekst. Waarom neem je bijvoorbeeld 'in het bijzonder' mee? Waarom is het niet: Staten […] verzekeren […] het recht enz.' Overigens maakt het inhoudelijk niet veel verschil, omdat niet-een-ieder-verbindende bepalingen mogen worden gebruikt bij de interpretatie van wel een-ieder-verbindende bepalingen.

Terzijde: de opvatting van de regering over de een-ieder-verbindendheid bij de goedkeuringswet wordt soms meegenomen door de rechter, maar is niet beslissend.

Point taken – overigens.

4 Rob Kooijman 02/12/2009 om 09:34

"Met 'hoog opspelen' bedoelde ik niet alleen de inzet van het Fonds, maar ook de reactie van de rechterlijke macht."

Ik: Waar in de uitspraak van Rechtbank en/of Hof kun je volgens jou aanleiding zien, dat dan hun reactie minder hoog was opgespeeld (opgelopen)?

"De redenering over de zelfinterpretatie steunt tevens op de (ook genoemde) stelling dat in een club als de SGP verschil van mening over dingen die ze echt heilig achten tot scheuring leidt."

Ik: desalniettemin blijft, ondanks verschil van mening, voor degenen die de opvatting over vrouwen huldigen, die opvatting (en het handelen ernaar) deel van hun godsdienst.

"Het probleem met die veroordeling tot passende maatregelen is – volgens mij – dat dit naar de opvatting van het Hof en de AG op een wetgevingsbevel neerkomt."

Ik: Ja, een indirect wetgevingsbevel, en inderdaad als je geen andere maatregelen ziet (kan de Staat niet een civiele procedure tegen de SGP beginnen? Eis aan de SGP: Beëindig de ongelijke behandeling, met dwangsom). Maar wat als (in theorie) de Staat niets blijft doen? Wat moet er dan gebeuren?

"Dat hangt inderdaad van de interpretatie van artikel 7 Vrouwenverdrag af. Maar Hof en AG beklemtonen nogal wat resterende vrijheid voor de SGP zodat het niet waarschijnlijk is dat ze in artikel 7 Vrouwenverdrag de verplichting zullen lezen dat er tenminste 1 vrouw op moet staan."

Ik: als de SGP zijn opvatting over vrouwen mag huldigen in algemeen vertegenwoordigende organen, dan mag het deze opvatting ook blijven huldigen. Dan mag het ook vragen dat (nieuwe) leden en kandidaten voor kieslijsten deze opvatting huldigen. Mijn vraag: welke vrouw die de opvatting van SGP over vrouwen huldigt, kiest ervoor zich kandidaat te stellen voor de SGP (voor welke andere partij dan ook)?

"Dat op geljke voet onverkiesbaar zijn vind ik een mooie."

Ik: mijn vraag: Had het hof de Staat niet kunnen bevelen de kieswet buiten toepassing te laten op de SGP?

"Waarom neem je bijvoorbeeld 'in het bijzonder' mee? Waarom is het niet: Staten […] verzekeren […] het recht enz.' Overigens maakt het inhoudelijk niet veel verschil, omdat niet-een-ieder-verbindende bepalingen mogen worden gebruikt bij de interpretatie van wel een-ieder-verbindende bepalingen."

Ik: ik neem "in het bijzonder" mee omdat het er staat. Daarom mag 'regel 1' niet slechts gebruikt worden, maar moet 'regel 1gebruikt worden': alle passende maatregelen nemen om inbreuken op de verzekerde rechten uit te bannen. Nog een vraag: waarom zou 'regel 1' niet een-ieder-verbindende-bepaling zijn? Waarom zou het een bepaling (kunnen) zijn die de Staten oproept "tot het behartigen van allerhande sympathieke dingen" en niet een bepaling zijn "die voldoende concreet (is) om in de nationale rechtsorde als objectief recht te kunnen gelden". 'Uitbannen' impliceert niet minder dan een verbod van de discriminatie (niet persé een verbod van de vereniging die discrimineert – verbod tot deelname aan de verkiezingen kan ook de effectieve maatregel zijn).

"Terzijde: de opvatting van de regering over de een-ieder-verbindendheid bij de goedkeuringswet wordt soms meegenomen door de rechter, maar is niet beslissend."

Ik: ik weet niet of het correct is als de rechter het niet overneemt. Is de opvatting van de regering niet een interpretatie van de bepaling die is goedgekeurd met de goedkeuringswet?

P.s. Hoe is volgens jou de ongelijke behandeling van vrouwen bij de SGP intern in een regeling vastgelegd; in welke regeling in statuten of reglementen of elders? Let wel, de SGP mag zijn opvatting over vrouwen, die in de beginselen staat, huldigen.

Vorige post:

Volgende post: