SGP-uitspraak is Nederlandse Brown v. Board of Education

door GB op 21/04/2010

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

Post image for SGP-uitspraak is Nederlandse Brown v. Board of Education

Hoewel kort door de bocht en druipend van de verschillen wil ik toch overeenkomst verdedigen tussen de SGP-uitspraak en het beroemde Brown v. Board of Education-oordeel van het Amerikaanse Supreme Court uit 1954. Op het eerste gezicht valt een aantal overeenkomsten op. Het Supreme Court rekende in 1954 af met de zogenaamde ‘seperate but equal-doctrine’, waarmee het bestaan van zwarte scholen gelegitimeerd werd. Zwarte scholen waren toelaatbaar, zolang het inhoudelijk maar gelijkwaardige scholen waren. In de SGP-zaak rekent de Hoge Raad af met het SGP-standpunt dat vrouwen en mannen wel gelijkwaardig maar niet gelijk zijn. Tenminste, voor zover de SGP op grond daarvan vrouwen uitsluit bij de kandidaatstelling. Het Supreme Court oordeelde dat aan de schoolsegregatie ‘with all delilberate speed‘ een einde moest komen. De Hoge Raad oordeelde – ook weinig specifiek – dat de Staat effectief een einde moet maken aan de de handelwijze van de SGP.

De kern van de overeenkomst zit echter in de ‘rol’ die de Hoge Raad kiest. Dat is namelijk de rol die in de Amerikaanse literatuur ‘public law litigation’ heet (Chayes, The role of the judge in public litigation, (1976)) of ‘structural reform’ (Fiss, The Supreme Court 1978 Term, (1979)). Die termen proberen een verschil te benoemen tussen enerzijds de beslechting van klassieke burenruzies en anderzijds het afdoen van geschillen die meer algemeen gericht zijn op de verwezenlijking van constitutionele waarden. Bijvoorbeeld de leefomstandigheden in gevangenissen verbeteren of discriminatie tegengaan. In public law litigation is het door de rechter te beoordelen geschil veel vager. De klager is niet per se de benadeelde, en de benadeelde is niet per se degene die gaat profiteren van het toewijzen van de eis. Aan de andere kant is de verweerder niet per se degene die daadwerkelijk de norm overtreedt, terwijl hij toch degene kan zijn jegens wie maatregelen getroffen worden.

Problemen ontstaan er echter vooral bij het bepalen van de ‘remedy’. In klassieke geschillen is de redemdy eigenlijk vooral een technische kwestie. Als de schutting op de grond van de buren staat, dan moet die schutting (in beginsel) worden afgebroken. Ubi ius, ibi remedium. In public law litigation ligt dat veel minder eenvoudig. Daar is het behelpen met ‘verklaringen voor recht’ en met een ‘experimentalist approach’: verbeterpuntje hier, verbeterpuntje daar, een schop onder de kont op zijn tijd en zo verder. (Sabel & Simon, Destabilization Rights: How Public Law Litigation Succeeds, (2003)) Geen duidelijke marsroute naar de oplossing, maar een beroep op de algemene plicht om geconstateerde grondrechtenscheningen tegen te gaan. Ubi ius, ibi officium.

De SGP-zaak past in deze beschrijving. Clara Wichmann kon geen SGP-vrouw vinden en trad uiteindelijk op namens het algemene belang dat de Staat discriminatie moet tegengaan. Ze verloor haar zaak tegen de SGP zelf en procedeerde uiteindelijk alleen verder tegen de Staat. En zeker nadat de Afdeling een voor de hand liggende eis (stopzetting van subsidie) had afgeschoten, muntte ook de inzet van het geding uit in vaagheid: er moest ‘iets’ gebeuren. Ondanks deze vaagheid aan alle kanten oordeelde de Hoge Raad (min of meer) over de juridische kern van de zaak: de SGP handelt ontoelaatbaar onrechtmatig. Het komt mij voor dat de Hoge Raad zich niet eerder met zo’n vage aanleiding en met zo’n vage eis zich zo indringend in zo’n politiek gevoelig wespennest heeft begeven.

Eerder zag de Hoge Raad juist in remedy-problemen (die bij ons in dat geval de ‘grenzen van de rechtsvormende taak’, of ‘de positie van de rechter in ons staatsbestel’ heten) reden om zich ook niet inhoudelijk met de zaak te bemoeien. Bij de homobeweging hield de Hoge Raad de boot af, toen deze via de rechter een homohuwelijk wilden invoeren. De Hoge Raad gaf maar zeer voorzichtig aan dat er wellicht op termijn eens over zou moeten worden nagedacht. Van hem viel in ieder geval geen inhoudelijke oplossing te verwachten. In de Arbeids- en Autokostenforaitzaken ging de Hoge Raad een stapje verder: duidelijk was wel dat er iets gedaan moest worden, maar nog niet wat. Aan de andere kant trok de Hoge Raad in Waterpakt duidelijk een grens: wetgevingsbevelen zijn niet mogelijk. Dat biedt de Staat sindsdien de mogelijkheid om rechterlijke interventie af te houden door te stellen dat de eisende partij feitelijk wetgeving vraagt. In Waterpakt koppelde de Hoge Raad aan de onmogelijkheid van een wetgevingsbevel ook een duidelijke inhoudelijke speelruimte voor de Staat. Zelfs de vraag of wetgeving tot stand moest worden gebracht liet de Hoge Raad open, ondanks dat die vraag Europeesrechtelijk toch vrij duidelijk ligt. Volop schuchterheid dus ten aanzien van de inhoud, als het opleggen van de oplossing weleens lastig zou kunnen worden. Daarvan is in de SGP-zaak veel minder sprake. De Hoge Raad maakt duidelijk wat er moet gebeuren, dat het moet gebeuren en wie dat moet doen. Alleen hoe het moet gebeuren, blijft nadrukkelijk open. En dat is dan nog niet eens omdat wetgevingsbevelen nog steeds onmogelijk blijven, maar vooral omdat de rechter niet wil treden in de verhouding tussen de Staat en politieke partijen. Toch is dat geen reden (meer) om je niet tenminste via een stevig declaratoir inhoudelijk met de zaak te bemoeien.

Op public law litigation is vanuit een aantal perspectieven kritiek mogelijk. Die kritiek kan dan natuurlijk ook op de SGP-zaak gericht worden, maar dat ligt allemaal te veel voor de hand. Bovendien zou de post te lang worden. Kijkend naar de valkuilen bij het bepalen van de remedy blijkt dat de Hoge Raad zich in beginsel heel bescheiden heeft opgesteld. Hoewel de uitspraak wellicht bredere gevolgen heeft, is de opdracht aan de Staat relatief specifiek. Gericht op alleen de SGP, en gericht op alleen de kandidaatstelling van vrouwen. Maar de echte test komt straks. Als de rechter moet gaan beoordelen of de Staat voldoende gedaan heeft. Dan liggen de gevaren van zelfoverschatting en van een te grote betrokkenheid (en dus een bedreiging van de onafhankelijkheid) op de loer. We zullen zien.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Barbara Oomen 04/11/2010 om 10:37

Interessante post. De vraag is natuurlijk in hoeverre de rechtszaken het door de CW gewenste effect bereiken. Het onderzoek dat wij deden naar die vraag is na te lezen op http://www.gelijkheidsonderzoek.nl/ . Een goed boek over de sociale effecten van public interest litigation is Rosenberg’s ” The Hollow Hope”. Zie ook het verslag in de Utrecht Law Review, ” CEDAW, the Bible and the State of the Netherlands:
the struggle over orthodox women’s political participation and their responses

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: