Shoarma bij de Chinees

door MN op 14/02/2011

in Bestuursrecht, Rechtspraak, Varia

De verdeling van rechtsmacht tussen de civiele rechter en de bestuursrechter doet mij altijd denken aan een wedstrijdje vérplassen. Al geruime tijd is er in deze titanenstrijd sprake van remise: afhankelijk van het recht waarin de eiser bescherming vraagt kan de burgerlijke rechter bevoegd zijn, maar zal de eiser niet ontvankelijk zijn als hij heeft verzuimd een specialistische rechtsgang te benutten. Dat vind ik een gekunstelde redenering, die vooral lijkt te zijn bedoeld om het ego van de burgerlijke rechter te beschermen. Het is alsof de in traditionele Chinese kledij gehulde mevrouw in een aziatisch aandoend restaurant op de vraag om een broodje shoarma met rode saus antwoordt: “ik serveer een fantastisch broodje shoarma, maar niet aan u want u bent door de verkeerde deur binnengekomen.” Ligt het in zo’n geval niet veel meer voor de hand dat de restaurateur zegt: ik doe niet aan shoarma? Het zou, met andere woorden, veel logischer zijn als de burgerlijke rechter in dit soort gevallen zou concluderen tot zijn eigen onbevoegdheid. Maar dat doet de burgerlijke rechter niet: hij verklaart zichzelf bevoegd en de eiser niet-ontvankelijk.

Zo niet civiele sector van de Haagse rechtbank in een vonnis van enkele dagen geleden. Een stichting en 21 natuurlijke personen maakten zich druk om hun privacy. Zij vreesden dat (ten dele nog niet in werking getreden) nieuwe bepalingen van de Paspoortwet een onrechtmatige aantasting van hun persoonlijke levenssfeer zouden opleveren. De pijn zit ‘m voornamelijk in de wijze waarop de wet verplicht tot centrale opslag van biometrische gegevens. De Paspoortwet gaat daarin, zo stelt de stichting, verder dan waartoe de EU-Verordening noopt en het EVRM en het VwEU ruimte laten. Om die reden zou de (nieuwe regeling in) de Paspoortwet buiten werking moeten worden gesteld. De Staat meende dat de stichting en de bezorgde burgers niet ontvankelijk waren in hun vordering. Ze kunnen bij de bestuursrechter een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang benutten door een beslissing over de toekenning van een paspoort zonder vingerafdrukken uit te lokken. Dat verweer van de Staat past naadloos in de bekende riedel over de rechtsmachtverdeling van de burgerlijke en de bestuursrechter.

De rechtbank gaat mee in het verweer van de staat, maar toch ook weer niet. Een citaat, met een cursivering van mij:

Beslissend voor de vraag of de civiele rechter bevoegd is tot kennisneming van de vorderingen [van eiseres] is het antwoord op de vraag of voor haar een andere, met voldoende waarborgen omgeven, rechtsgang openstaat of heeft opengestaan.

Victorie! Wég met Schellen en Deuropeners en wat dies meer zij: eindelijk geeft de Chinees toe dat hij geen shoarma kan grillen.

In een ruimhartige bui wordt ook Guldemond/Noordwijkerhout bij het grofvuil gezet:

Anders dan [de stichting] betoogt, creëert een als onrechtmatige daad geformuleerde vordering niet alsnog een bevoegdheid van de civiele rechter.

Maar zoals wel vaker het geval is: ook in deze zaak loont het niet om door te lezen. Want al in de eerstvolgende alinea concludeert de rechter:

Dit alles betekent dat de natuurlijke personen niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen nu ter beslechting van de in dit geding voorgelegde vraag reeds een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor hen open staat.

Het dictum sluit daar op aan: de 21 natuurlijke personen worden niet ontvankelijk verklaard.

Voor de stichting loopt het niet veel beter af: zij heeft geen eigen belang maar slechts een bundel belangen van natuurlijke personen die in het kader van een paspoortaanvraag kunnen aankloppen bij de bestuursrechter. Daar kunnen ze met een exceptief verweer de onrechtmatigheid van de nieuwe Paspoortwet inroepen.

Het zag er even naar uit dat de Haagse rechtbank de bordjes zou verhangen, maar uiteindelijk blijkt het vonnis een onhandige verschrijving. Jammer.

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 JU 14/02/2011 om 12:07

Een rechter die het verschil tussen bevoegdheid en ontvankelijkheid niet helder voor ogen heeft, of een rechter die net zijn of haar proefschrift heeft verdedigd en nu een punt wil maken?

Maar MN, wat betreft jouw punt. Als de civiele rechter onbevoegd zou zijn om de vordering in behandeling te nemen, waar haalt hij dan de bevoegdheid vandaan om te beoordelen of eiser adequaat bij de bestuursrechter terecht kan? En waar in de Grondwet staat dan dat de civiele rechter niet bevoegd is om bestuursrechtelijke geschillen te behandelen?

Voor mij zou het voorbeeld anders luiden: “Ik maak normaal gesproken geen shoarma, dus gaat u het eerst maar eens bij Hamid proberen. Als blijkt dat die in Egypte feest zit te vieren, dan komt u maar weer eens terug en dan zal ik zien wat ik voor u kan doen”.

2 MN 14/02/2011 om 18:04

@JU: ik weet niet of ik je helemaal begrijp. Wat mij betreft leidt de conclusie dat de eiser ergens anders (beter) terecht kan, ertoe dat de civiele rechter onbevoegd is. Ik zou de bevoegdheidsvraag dus graag wat willen verruimen ten opzichte van wat nu gangbaar is. Als een adequate alternatieve rechtsgang bestaat, dan zou dat voor de civiele rechter de lichten op rood moeten zetten. Komt de eiser van een koude bestuursrechtelijke kermis thuis, dan heeft dat oordeel formele rechtskracht en kan de civiele chinees alsnog vrolijk het mes in het lamsvlees zetten. Feitelijk verandert er daarmee niets voor de eiser, maar man en paard worden wel bij de naam genoemd.
De Grondwet zegt natuurlijk niets over de rechtsmachtverdeling tussen de civiele en de bestuursrechter (heb ik anders beweerd?), maar zegt wel dat geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen aan “de rechter” zijn opgedragen en dat de wet de competenties van de verschillende gerechten bepaalt. Op de voet daarvan is de Wet RO vastgesteld. Zou jij niet menen dat uit de bevoegdheidsomschrijving van de civiele rechter ook een bevoegdheidsafbakening volgt?
Wat je herformulering van de allegorie betreft: zo is het inderdaad beter geformuleerd.

3 CW 14/02/2011 om 22:24

De Chinees zou toch juist niet het mes in het lamsvlees kunnen en mogen zetten als de Dönertent – na daartoe te zijn gevraagd – om wat voor reden dan ook bekend heeft gemaakt geen shoarma te serveren ( want formele rechtskracht, althans de rechtmatigheid van het besluit staat vast zodat de vordering bij de civiele rechter weinig kans meer maakt)? Of doelt MN echt uitsluitend op de formele bevoegdheid van de civiele rechter? Voor zover ik weet, wordt de vordering indien er sprake is van een besluit met formele rechtskracht of afgewezen of wordt de eiser niet-ontvankelijk verklaard. Wat hiervan ook zij, de voedselmetafoor – hoe hilarisch ook – begint hier aardig mank te lopen. Waarom zou een Dönertent jou geen shoarma serveren ook al is het op het meest onchristelijke tijdstip? Dat shoarmatenten hun klandizie marginaal toetsen, heeft weinig te maken met de marginale toets die wordt gehanteerd door bestuursrechters.

4 JU 15/02/2011 om 10:51

Volgens mij is het goed om een paar dingen uit elkaar te houden.

De formele rechtskracht kunnen we er, denk ik, maar beter even buiten houden. DIe speelt immers vooral bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil (niet bij de bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvraag). Dat de civiele rechter een aangevochten besluit voor rechtmatig houdt omdat de eiser bestuursrechtelijke termijnen heeft laten verstrijken, of omdat de bestuursrechter het besluit eerder al als rechtmatig aanmerkte is volgens mij iets anders dan dat de rechter een vordering niet-ontvankelijk verklaart omdat de eiser nog altijd bij de bestuursrechter terecht kan. (Als ik het verkeerd zie, dan zijn er, denk ik, genoeg bestuursrechtelijk gespecialiseerde advocaten op dit blog die me kunnen corrigeren). Marginale toetsing door de bestuursrechter en de vraag tot welk tijdstip men shoarma kan eten hebben er hoe dan ook weinig mee te maken.

Het shoarmavoorbeeld lijkt mij, i.t.t. CW, wel een verhelderende illustratie. Als Hamid op vakantie is, mag ik dan bij Chi Liu aankloppen voor mijn shoarma? Antwoord van MN is (zo begrijp ik je), nee. Chi Liu heeft de papieren niet om shoarma te maken. Hij maakt Tjaptjoi. Ik zou zeggen dat hij weliswaar de papieren heeft (dus bevoegd is), maar dat hij er geen gewoonte van maakt om shoarma te maken, teneinde de klanten van Hamid niet weg te snoepen. Wie dus bij Hamid terecht kan, maar van die mogelijkheid geen gebruik maakt, moet bij Chi Liu niet gaan jengelen om shoarma. Maar, en daar verschillen MN en ik van mening, dat maakt volgens mij Chi Liu niet minder bevoegd om shoarma te maken als dat nodig mocht zijn.

En daarmee kom ik op mijn punt MN. Ik vraag me sterk af of jouw veronderstelling, dat die niet-ontvankelijkheid alleen maar bedoeld is als doekje voor het bloedende ego van de civiele rechter, wel klopt. Volgens mij is het helemaal niet logischer om de kwestie als bevoegdheidskwestie af te doen. Het lijkt mij, zowel vanuit een oogpunt van rechtsbescherming als van coherentie, logischer om de civiele (rest)rechter altijd bevoegd te achten, zij het dat hij niet elke claim accepteert, dan dat hij zich soms wel en soms niet bevoegd acht. Zijn bevoegdheid zou dan afhankelijk zijn van een inschatting van de grillige rechtspraak van de bestuursrechter, en van de nogal fluïde vraag of de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende waarborgen te bieden heeft.

Dus nee, ik lees in de Grondwet geen bevoegdheidsafbakening. Dat hoeft ook helemaal niet. Uit de bevoegdheid van de één hoeft tenslotte niet logisch te volgen dat een ander niet bevoegd is. De constructie die de Nederlandse rechter volgt is bovendien niet zo heel vreemd. Ook in het internationale recht is het gebruikelijk om zaken die aanhangig worden gemaakt bij andere internationaalrechtelijke instanties, niet-ontvankelijk te verklaren. Zie bijvoorbeeld artikel 35 EVRM. Dat gegeven doet echter aan de bevoegdheid van het Hof niet af.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: