Slachtoffer en hoger beroep

door IvorenToga op 08/01/2013

in Rechtspraak

Post image for Slachtoffer en hoger beroep

Een verdachte geniet in ons land uitgebreide rechtsbescherming. Zo hoeft hij niet aan zij eigen veroordeling mee te werken en is hij daarom ook niet tot antwoorden verplicht; als hij niet over voldoende middelen beschikt heeft hij recht op kostenloze rechtsbijstand; gedurende het onderzoek kunnen allerlei deskundigen worden ingeschakeld bv. om een beeld te krijgen van zijn levensomstandigheden of van zijn toerekeningsvatbaarheid. En als hij het met het vonnis niet eens is, kan hij daarvan vrijwel ongeclausuleerd in hoger beroep. De gronden voor dat beroep  hoeft hij, ondanks de beperkingen van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering, nauwelijks te openbaren. Appel vanwege ernstige bezwaren tegen de door de rechtbank gehanteerde bewijsvoering, beroep wegens de strafmaat en bezwaar alleen om uitstel van executie te bewerkstelligen, worden op gelijke voet behandeld, bijna allemaal door de meervoudige kamer van het hof.

Dat betekent dat de verdachte en in eerste instantie veroordeelde, ongelimiteerd toegang heeft tot dure rechterlijke voorzieningen, ook als hij die uitsluitend benut om vooralsnog  aan de tenuitvoerlegging van het rechtbankvonnis te ontkomen. Over de kosten die moeten worden gemaakt als het vonnis eenmaal onherroepelijk is geworden, heb ik het dan nog niet. Onlangs stelde de Algemene Rekenkamer vast dat die voor een jeugdgedetineerde ca. 250.000 euro per jaar bedragen. Die beschikt gedurende zijn detentie dan ook over faciliteiten waarbij de gemiddelde bejaarde in een tehuis, zich de vingers zou aflikken.

Hoe anders is, nog steeds, de positie van het slachtoffer. Net als de bejaarde, heeft die, doorgaans niets slechts gedaan. Maar zijn positie haalt het niet bij die van de dader. De afgelopen decennia is er het nodige verbeterd. De slachtofferhulp is tot ontwikkeling gekomen, hij mag  ter zitting,  mondeling of schriftelijk van zijn mening doen blijken en heeft  onder strikte voorwaarden recht op vergoeding van zijn schade. Als de Europese Slachtofferrichtlijn wordt ingevoerd, zal zijn positie verder verbeteren.

Wat bij dit alles opvalt is dat al die verbeteringen op geen enkele wijze ten koste gaan van de positie van de verdachte. Die blijft “de heilige koe” die hij onder invloed van nationale wetgeving en internationale verdragen is geworden. Dat gaat met hoge kosten gepaard. In 2011 werd in totaal 43 miljoen euro  uitgegeven aan de ondersteuning van slachtoffers. Voor 20 miljoen euro hielp Slachtofferhulp Nederland in dat jaar ruim 160.000 cliënten. In diezelfde periode kostte de directe ondersteuning van daders en (ex)- verdachten, 165 miljoen euro. Die 43 miljoen is t.o.v. met 2005 een toename van 15%; die 165 miljoen is  48% meer dan in 2005.  In totaal is met de activiteiten van de strafrechtsketen, jaarlijks meer dan 6 miljard euro gemoeid. Natuurlijk zal men mij tegenwerpen dat veel van die kosten ( 2.3 miljard) in de fase van de tenuitvoerlegging worden gemaakt om de, dan veroordeelde te resocialiseren en zo de samenleving te beschermen, maar al eerder is betoogd dat over het succes daarvan veel discussie mogelijk is.

Ik pleit derhalve voor een omslag in het denken over de verbetering van de positie van het slachtoffer en wil betogen dat die verbetering soms ten koste van de positie van de dader mag/moet gaan.

Neem bv. diens al eerder genoemde recht op hoger beroep. Het kan geen twijfel lijden dat het instellen van appel in veel gevallen het leed dat het slachtoffer al is aangedaan, zal vergroten. Wonden die bezig waren te helen, worden weer opengereten en kunnen lijden tot wat in de literatuur zo kernachtig wordt omschreven als “secondary victimisation”. Zou het nu echt zo gek zijn om in bepaalde gevallen dat recht op hoger beroep nog scherper  toetsen en in de criteria daarvoor op enigerlei wijze  de positie van het slachtoffer op te nemen? Neem bv. de zaak Robert M. een bekennende verdachte die gedetineerd is en zal blijven maar die toch meent dat er aanleiding is om appel in te stellen, daarmee het leed van de slachtoffers vermenigvuldigend. Zou het niet in de (nieuwe) reden hebben gelegen om het recht op die stap af te wegen tegen het “recht” van de slachtoffers om niet opnieuw te hoeven lijden? Natuurlijk snap ik dat zo’n afweging buitengewoon lastig zou zijn geweest. Maar tegemoet komen aan de wensen van de slachtoffers, kan net als het toekennen van rechten aan de verdachte, ook een positieve invloed hebben op het vertrouwen in de rechtspraak en de rechtsstaat.

Principieel is een  beperking van het hoger beroep niet, nu in ons land sinds 2007 een z.g. verlofstelsel is ingevoerd waarbij het appel wordt beperkt. Het gaat daarbij echter slechts om zaken waarin een enkelvoudige hoofdstraf van maximaal 500 euro is opgelegd. Over dat soort gevallen heb ik het hier niet. De meeste slachtoffers in zaken die tot dit soort straffen leiden, zullen van zo’n appel ook niet wakker liggen. Maar als het beperken van de werklast van de appelrechter een grond kan zijn om het hoger beroep te beperken, waarom dan niet het (nodeloze) extra leed dat slachtoffers wordt aangedaan. Het uitwerken van de idee om meer evenwicht te scheppen tussen de rechten van de verdachte en die van het slachtoffer, zal niet eenvoudig zijn en veel dogmatische denkkracht over ons stelsel van strafvordering vergen.  In het kader van de bevordering van de ars boni et aequi, is zo’n exercitie naar mijn mening echter zeer de moeite waard.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Martin Holterman 08/01/2013 om 22:14

“de dader” of “de vermoedelijke dader”?

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: