Slagveld EVRM

door JU op 12/08/2010

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

Het is de natte droom van elke mensenrechtenjurist en tegelijk de nachtmerrie van elke generaal. Twee legers ontmoeten elkaar op het slagveld. Trompetten klinken. Banieren wuiven in de wind. De soldaat denkt aan vrouw en koters, de officier aan eer en glorie. De geweren zijn gepoetst, geladen en gericht.

Maar dan verschijnt de mensenrechtenjurist ten tonele. Hij wijst er op dat het leger onderdeel is van de Staat en dat deze partij is bij verschillende mensenrechtenverdragen. Dat óók het leger van de Overzijde bestaat uit mensen, wij zouden het bijna vergeten, en dat ook die mensen aanspraak maken op mensenrechtenbescherming. Zo heb je die vijandelijke maarschalk nog in vizier, en zo staat Rick Lawson naast je om je te vertellen dat het doodschieten van die etterbak in strijd is met artikel 2 EVRM. Dat moet nu eenmaal ‘in the light of present day conditions‘ worden uitgelegd.

Of nog erger. Je schuift als generaal stoer met wat tinnen soldaatjes die elk staan voor duizend bange mannetjes en vrouwtjes. Wordt je op de schouder getikt door Liesbeth Zegveld , namens de nabestaanden. Of je wel weet dat ook op Defensie de positieve verplichting rust om de gezondheid van de eigen werknemers te garanderen?

Iets dergelijks overkwam het Britse leger onlangs. De casuspositie moge minder contrasterend zijn, minder dramatisch is zij niet. Soldaat Smith, uitgezonden naar Irak, heeft last van de extreme hitte. Op een dag valt hij om van een ernstige zonnesteek, krijgt een hartaanval en overlijdt. Het is het zoveelste kruisje, ergens op een militaire begraafplaats.

Het onderzoek naar de dood van private Smith is niet zo uitgebreid en zeker niet zo onafhankelijk als ma Smith het graag zou zien. Dus daagt ze Defensie voor de rechter. Stelling: de Britse overheid schendt artikel 2 EVRM door onvoldoende onderzoek te doen naar de dood van haar zoon.

Vrijwel het enige wat je als legerleiding in zo’n geval kunt doen is ontkennen dat het EVRM van toepassing is op de inzet van de krijgsmacht in het buitenland. Zo geschiedde. Volgens de Britse minister van Defensie zijn militairen buiten hun basis niet in de rechtsmacht van de Britse overheid. En buiten zijn basis liep soldaat Smith toch zijn zonnesteek op.

Een nogal formalistische redenering – niet een waar je als militair blij van wordt wanneer je je duizenden kilometers van huis tussen de fluitende kogels bevindt – en het Britse Court of Appeal accepteert haar in hoger beroep dan ook niet. Die uitspraak wordt echter vernietigd door het Supreme Court want dat denkt er toch anders over.

Het draait in Smith om de vraag of de Britse overheid effectieve jurisdictie uitoefenende in de zin van artikel 1 EVRM. Is dat niet het geval, dan kan zij het EVRM ook niet hebben geschonden. Een verdeeld Supreme Court beantwoordt die vraag uiteindelijk ontkennend.

Opvallend is die uitkomst niet. Het EHRM was in Bankovic evenmin bereid om jurisdictie aan te nemen, hoewel het in die zaak allemaal een stuk gecompliceerder lag: het ging niet om eigen militairen maar om burgers van een andere staat, en de verantwoordelijkheid voor de missie lag feitelijk bij de NAVO. In Smith was dat allemaal niet het geval. Smith is gewoon in dienst van de Britse overheid die hem op eigen gezag naar Irak stuurde en daar niet gebonden is aan anderen wanneer zij hem orders geeft. Niettemin is duidelijk dat rechters, of het nu gaat om het EHRM of om het Britse Supreme Court, dergelijke kwesties liever kwijt dan rijk zijn.

Die afwerende houding lezen we terug in de opinie van Lord Brown in Smith: de rechter moet zich volgens deze strikt aan de bedoeling van de verdragspartijen houden en vooral niet zelf aan de interpretatieve wandel gaan. Van rechtsvorming wil Brown niet weten op een terrein – het buitenlands veiligheidsbeleid – dat van oudsher non-justiciableis. Dat klinkt wel heel erg als de zogenaamde en vaak doodverklaarde political questions.

Opvallender is de wijze waarop het hof tot zijn oordeel komt, namelijk door middel van verdragshistorische interpretatie. De travaux préparatoires spelen in de beslissing om geen effectieve jurisdictie aan te nemen, een doorslaggevende rol. Nogal merkwaardig, in het licht van de koers die het Straatsburgse hof doorgaans vaart als het gaat om de uitleg van het EVRM. De Travaux spelen daarin zelden een beslissende rol. Zoals bekend beschouwt men het verdrag in Straatsburg doorgaans juist als een living instrument.

Hoewel men het niet met zo veel woorden zegt, zouden de uitspraak weleens een oproep aan het Straatsburgse hof kunnen inhouden om vaker aandacht te besteden aan de verdragsgeschiedenis. Een duidelijke confrontatie wil het Supreme Court er duidelijk nog niet van maken – de Straatsburgse rechtspraak lijkt ruimte te laten voor de benadering van het hof – maar voor een voorzichtige vingerwijzing lijken de geesten rijp.

Al langer broeit het namelijk in de Middlesex Guildhall. Verschillende prominente Britse rechters winden er geen doekjes om dat zij zo hun twijfels hebben omtrent de legitimatie van de Straatsburgse rechtspraak. Juist de schaarse verwijzingen naar de verdragshistorie deden bijvoorbeeld Lord Neuberger onlangs het hof oproepen om meer gebruik moet maken van de mogelijkheid om af te wijken van de Straatsburgse rechtspraak. Hij schaarde zich daarmee in het koor van rechters en academici dat een dialoog propageert tussen de nationale rechters en Straatsburg (and we’ll throw in Luxembourg as well).

Voor die discussie onder rechters is het overigens niet noodzakelijk dat men in de Middlesex Guildhall van Straatsburg afwijkt. Een zaak als Smith zou dat zomaar kunnen demonstreren. Officieel wijkt het Supreme Court vooralsnog helemaal niet af van de Straatsburgse rechtspraak. Maar het signaal aan het EHRM is duidelijk. Wie weet, zien we mevrouw Smith nog eens in Straatsburg terug?

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 RvdW 15/08/2010 om 00:53

Deze samenvatting van de uitspraak in R (Smith) is wel wat kort door de bocht. De indruk wordt hier gewekt alsof de klacht van moeder Smith over het weinig grondige onderzoek naar de dood van haar zoon wordt afgewezen op grond van het rechtsmachtargument. Dat is echter niet zo. Het Britse Hooggerechtshof is unaniem van oordeel dat het onderzoek aan de eisen van art. 2 EVRM dient te voldoen en laat het oordeel van het Hof van Beroep wat dit element betreft daarom in stand. Enkel de claim van moeder Smith dat haar zoon buiten de legerbasis de bescherming van art. 2 EVRM genoot en dat het Verenigd Koninkrijk daarom positieve verplichtingen jegens hem had, wordt afgewezen.

Of het Hooggerechtshof hier werkelijk een andere koers inslaat dan het EHRM voor wat betreft extraterritoriale jurisdictie zullen we waarschijnlijk al binnen enkele maanden weten wanneer het Straatsburgse Hof uitspraak doet in Al-Skeini t. Verenigd Koninkrijk.

2 JU 16/08/2010 om 15:44

Beste RvdW,

Dank voor je commentaar. Je hebt helemaal gelijk. De post is wat haastig geschreven en het was zeker niet de bedoeling om de suggestie te wekken dat mevrouw Smith het door haar gevraagde onderzoek niet heeft gekregen want dat is inderdaad wel het geval.

Maar dat is – om nu maar meteen alle misverstanden te vermijden – niet omdat het UKSC het met het Court of Appeal eens is, maar omdat de minister op één punt in het geheel niet geappelleerd heeft, namelijk op de vaststelling van het High Court al, dat Smith binnen de muren van zijn basis is overleden en daarom sowieso binnen de Britse jurisdictie was. Het hof wordt daarna alleen nog met twee punten geconfronteerd, namelijk met de jurisdictievraag en met de vraag – gegeven de jurisdictie bìnnen de basis waartegen niet geappelleerd werd – in welke gevallen een artikel 2-onderzoek nu precies vereist is.

Op dat laatste punt ben ik niet ingegaan om de post niet al te lang te maken. Die kwestie is interessant genoeg voor een geheel eigen post. Het was ook niet de bedoeling de uitspraak volledig samen te vatten, dan had de post een andere invalshoek gehad. Maar dank voro de aanvulling!

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: