Sluiting ramen Achterdam op grond van de Wet Bibob vernietigd door Rechtbank Alkmaar (deel II)

door JAdB op 12/11/2009

in Rechtspraak

Hierbij dan de beloofde nadere berichtgeving.

Kort en goed kwam het besluit van de burgemeester erop neer dat de exploitant van de ramen (Nool c.s.) mee zou werken aan het witwassen van geld afkomstig uit de Heinekenontvoering onderscheidenlijk uit drugshandel. De panden die Nool c.s. huurde, waren namelijk – zo was de stelling – in handen gekomen van een aantal personen die een aantal strafbare feiten op hun naam hebben staan. De Heinekenontvoerders zouden deze panden hebben gekocht via Antilliaanse vennootschappen. De drugshandelaar zou een aantal andere panden hebben gekocht via stromannen (natuurlijke personen).

Met Nool c.s. is de rechtbank van mening dat het bovenstaande onvoldoende steun vindt in het LBB-advies. Er zijn gewoonweg te weinig aanwijzingen om aan te nemen dat de genoemde plegers van strafbare feiten daadwerkelijk zwart geld hebben geïnvesteerd in de door Nool c.s. gehuurde panden.

Met betrekking tot de gestelde investeringen afkomstig uit de Heineken-ontvoering komt de rechtbank tot die conclusie aan de hand van drie argumenten:

1. uit het Bibob-advies blijkt niet dat de FIOD-ECD onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van de middelen waarmee de panden zijn aangekocht;
2. het vermoeden van de investeringen in de Achterdam zijn voornamelijk gebaseerd op verklaringen van Thomas van der B. Deze verklaringen zijn niet ondertekend. Bovendien blijken de gebruikte verklaringen ook nog eens af te wijken van hetgeen Van der B. daadwerkelijk heeft verklaard (dit blijkt uit verbatim uitwerkingen die in het proces tegen Willem Holleeder zijn opgemaakt aan de hand van bandopnamen). Daarnaast is niet gebleken dat de verifieerbare delen van de verklaringen op juistheid zijn getoetst.
3. uit de overige aanwijzingen die als bewijs zouden moeten dienen voor de investeringen door de “zware jongens”, blijkt niet meer dan dat ze enige betrokkenheid hebben bij de Achterdam. Over de aankoop van de panden zeggen deze aanwijzingen niets.

Met betrekking tot de investeringen met uit drugshandel verkregen geld overweegt de rechtbank dat de eigenaars van de panden (stromannen, zegt de burgemeester van Alkmaar) voldoende hebben aangetoond dat het geld waarmee zij hun panden hebben gefinancierd van legale herkomst is. Het LBB-advies bevat onvoldoende aanwijzingen voor een andersluidend oordeel. Saillant detail is overigens dat het door het OM gelegde beslag op de – volgens de burgemeester – met drugsgeld gekochte panden door de rechter is opgeheven vanwege onvoldoende bewijs. Noch de burgemeester, noch het LBB hebben daar enige waarde aan willen hechten. Ten onrechte dus.

Op grond van het bovenstaande had de burgemeester niet tot de conclusie mogen komen dat er ernstig gevaar bestond dat Nool c.s. zouden meewerken aan het witwassen van opbrengsten afkomstig uit de Heinekenontvoering en drugshandel. De exploitatie van Nool kan met deze opbrengsten immers niet in verband worden gebracht.

De rechtbank maakt ook nog een aantal mooie overwegingen ten aanzien van de rol van het Landelijke Bureau Bibob (LBB). Die bespreek ik kort hieronder.

Wanneer bestuursorganen op grond van een door het LBB Bibob-advies een vergunning willen weigeren of intrekken, vragen zij om een zienswijze van de exploitant. Hetgeen de exploitant aanvoert is nog wel eens reden voor het bestuursorgaan om nadere vragen te stellen aan het LBB. Het LBB heeft een praktijk ontwikkeld die inhoudt dat dit soort nadere vragen niet worden beantwoord voor zover het voor die beantwoording noodzakelijk is om de al geraadpleegde bronnen nogmaals te raadplegen. Het LBB stelt daarbij dat de wet hen daartoe de ruimte niet biedt.

De rechtbank oordeelt dat deze praktijk niet is toegestaan: “Bij de betwisting door betrokkenen van de in het advies van het LBB opgenomen feiten moet het LBB, indien het bestuursorgaan het LBB heeft ingeschakeld, deze betwisting beoordelen op basis van de reeds beschikbare gegevens, dan wel nadere informatie verzamelen en nader beoordelen.” De rechtbank overweegt daarbij ook nog eens dat het dus niet de bedoeling is dat derden deze taak van het LBB overnemen.

In het onderhavige geval had de burgemeester Alkmaar wel derden ingeschakeld om onderzoek te doen. Het LBB weigerde hem immers de door hem gevraagde beantwoording, dus toen heeft de burgemeester – in arren moede – de zogeheten Holland Integrity Group ingeschakeld om een summier onderzoekje te doen naar de wijze van administreren binnen Nool c.s..

De rechtbank straft deze werkwijze af: het LBB had de vragen van de burgemeester volledig, en door het doen van hernieuwd onderzoek moeten beantwoorden. Het LBB-advies was namelijk voor een deel gebaseerd op nog lopende onderzoeken. Het had op de weg van het LBB/het bestuur gelegen om de actuele status van die onderzoeken nogmaals te betrekken bij het besluit.

Aan het onderzoek van de Holland Integrity Group wordt helemaal geen waarde toegekend, aangezien de HIG een derde is die in een Bibob-procedure geen plaats heeft.

De rechtbank oordeelt overigens ook nog, in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de Yab Yum-zaak, dat de namen van de individuele adviseurs van het LBB niet kenbaar hoeven te worden gemaakt bij het uitbrengen van een advies.

De uitspraak bevat meer juridisch interessante overwegingen, voornamelijk over de verhouding tussen art. 3 lid 1 onder a Wet Bibob en art. 3 lid 1 onder b Wet Bibob. Ook de verhouding tussen handhaving op grond van het strafrecht en handhaving op grond van de Wet Bibob komt aan de orde. Daarbij wordt overigens nog verwezen naar een VAR pre-advies, dat mede van de hand van een van de auteurs van dit weblog is (namelijk Albertjan Tollenaar).

Voor Nool wordt het de komende zes weken wordt het nog even spannend: gaat de burgemeester in hoger beroep?

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: