Staatshervorming en federaal parlement: een gedachteoefening

door WVDB op 24/04/2011

in België

Even een kleine gedachtestroom, volgt u mee langs de meander?

Ik stootte op volgende passus: “According to empirical studies, members of European Parliament feel attached to their country or to political parties, but they also regard themselves as representatives of European public interests.” (A Benz, “The EU as a loosely coupled multi-level system” in Enderlein, Wälti and Zurn, Handbook on multi-level governance (E Elgar 2010) at p. 222).

Een natte vinger  oefening naar een analogie op Belgisch niveau lijkt interessant en kan misschien een onderdeeltje van de huidige politieke impasse verklaren. De Belgische grondwetgever beoogde een consensusdemocratie te betonneren, zodat structurele minderheden (op federaal vlak de Franstaligen, in Brussel de Vlamingen) op voldoende beschermingsmechanismes kunnen bogen om hun eigenheid en autonomie te vrijwaren. Op zich levert de Grondwet dit resultaat ook af. Misschien werkt ze dus net dat tikkeltje te goed? Maar wat is het rationaliteitsgehalte van de politieke actoren momenteel? M.i. zijn er enkele determinanten te onderscheiden, in navolging van aangehaald citaat. Hoe zien parlementsleden hun rol in realiteit, terwijl art 42 GW bepaalt dat “de leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie en niet enkel diegenen die hen hebben verkozen” ?

1. Binaire federale logica: taalgroepen in het federale parlement, regionale kiesomschrijvingen. De 150 kamerleden worden verkozen volgens provinciale kiesomschrijvingen (met uitz van BHV). Deze provincies zijn ééntalig, en vormen de grondslag voor de territoriale omschrijving van de drie gewesten. Verder bepaalt art. 43 GW dat de leden van de Kamer en van de Senaat ingedeeld worden in een taalgroep. Dit op basis van de streektaal van de kiesomschrijving waarin zij verkozen werden. Het reglement van de Kamer bepaalt dat voor kandidaten uit BHV de taal van de eed die zij afleggen hen indeelt in de respectieve taalgroep (art. 10 Regl. Kamer). Van enige federale logica is dus geen sprake, de binaire structuur van het Belgisch federalisme toont zich hier. De taalgroepen beschikken over diverse middelen om hunstandpunt te verdedigen tegen een meerderheid (countermajoritarian mechanisms): belangenconflicten, alarmbel, bijzondere meerderheden.

2. Partijtucht en partijdominantie: in politicologische literatuur wordt enige discretionaire marge vereist als voorwaarde voor succesvolle onderhandelingen of deliberation. Een wel zeer strikte partijtucht heerst, die oorzaak vindt in het kiesstelsel: grote omschrijvingen en opvolgerssysteem, en empirisch geïllustreerd wordt door het grote verloop in kamerleden. Een dalende anciënniteit is een onomkeerbare trend (zie S De Pauw en S Fiers, “Komen onze kamerleden ervaring te kort?” in Res Publica (2008) p. (89) 95. PDF hier). Hoe minder eigen ervaring, kennis en netwerk, hoe groter de impact/gezag van de partij, is een voor de hand liggende gevolgtrekking.  Het bredere plaatje, dat partijen schetst als de primaire machthebbers in de huidige institutionele structuur, is bekend.

3. De neergang van substantiële (“thick”) ideologische narratives is een derde, bijna clichématige overweging. Identificatiepolitiek speelt zich alvast niet af langsheen deze breuklijnen. Dat bevordert  alvast weinig begrip over de taalgrenzen heen, hoewel dit misschien enige nuance behoeft: de strategie van de diverse vlaamse partijen toont weldegelijk een verandering van toon wanneer de ideologische strekking aan Franstalige zijde positief correspondeert (bijv. houding SPA tav PS dominantie). Anderzijds leert een ideologische plotdiagram ons dat de aantrekkinsgkracht van het idologische midden zodanig sterk is, dat het onderlinge verschil verkleint. (als u even het kieskompas voor 2007 doorloopt, krijgt u als eindresultaat de diverse partijen op dit diagram. Een cirkel rondom alle partijen heeft zowat een doorsnede van de helft van het diagram. Methodologische noot: deze plot is gebaseerd op de programma’s van de partijen, niet op wat ze daadwerkelijk goedkeuren/implementeren als beleid).

Over deze onderwerpen valt meer te zeggen – veel meer. Maar met een focus op de lopende onderhandelingen ivm de staatshervorming, valt wel op dat van het parlement in deze optiek geen heil te verwachten valt. Individuele parlementsleden hebben nu eenmaal weinig baat in de huidige institutionele structuur, om toenadering/consensusvorming te betrachten. De vraag is of de regels/institutioneel kader aangepast moet worden aan een ‘nieuwe realiteit’, of de regels mede-oorzaak zijn van deze realiteit, of regels nu eenmaal steeds te kort schieten wanneer ze gedrag sturen willen.

Vanuit juridisch oogpunt kunnen we nog opmerken dat de taalgroepen, wiens oorspronkelijke doelstelling was te fungeren als deelstaatparlement (staatshervorming 1970 ‘cultuurraden’), anno 2007-11 geen perverse rol vervullen, in combinatie met de kiesomschrijvingen?

Als epiloog een bundeling van caveats: het bepalen van individuele rationaliteit (zeker in het politieke forum) is giswerk, mijn claims over ideologische vernauwing zijn hoogstens dat: ‘claims’, en het succes van de staatshervorming hangt niet echt af van het gedrag van individuele parlementsleden. Anderzijds vormt de volksvertegenwoordiging wel een primair instituut in elke democratische rechtsstaat, en is de vraag naar de neutraliteit van rechtsregels een prangende…

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: