Staatsrecht in verkiezingstijd: non-discriminatie

door JHG op 07/02/2017

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for Staatsrecht in verkiezingstijd: non-discriminatie

Vrouwen krijgen minder geld dan mannen voor hetzelfde werk. Ben je jong en heb je een buitenlands klinkende achternaam? Dan kom je moeilijker aan de slag dan je leeftijdgenoot met een Nederlandse achternaam. Heb je een handicap? Dan is er geen garantie dat je gemakkelijk met het openbaar vervoer kunt reizen. Ook homoseksuelen en interseksuelen ervaren subtiele en minder subtiele vormen van achterstelling. Het is dus niet zo gek dat bijna alle politieke partijen voorstellen doen om ongelijke behandeling en discriminatie te bestrijden. Wat kunnen we daar zoal van verwachten? En welke impact zullen de diverse voorstellen hebben voor aanpassing van artikel 1 van de Grondwet?

Opvallend genoeg denkt een groot aantal partijen vooral aan het bestrijden van discriminatie jegens LHBTI (lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen). Over concrete maatregelen verschillen ze van mening. VVD, D66, GroenLinks en PvdD vinden dat het traditionele familierecht moet worden aangepast aan de nieuwe werkelijkheid van samengestelde gezinnen en meerouderschap. De SGP keert zich daar juist expliciet tegen. Sommige partijen willen geslachtsregistraties tegengaan (D66, GroenLinks, PvdD), andere zwijgen daarover. Maar dat deze groep beschermd moet worden staat voor vrijwel iedereen vast.

Wie de partijprogramma’s leest ziet dat partijen vooral hun eigen achterban willen bedienen. 50Plus wijst op het belang van het bestrijden van discriminatie van ouderen, DENK heeft het over het bestrijden van allerlei vormen van etnische discriminatie, de SGP komt op voor geloofsvervolgden (met name christenen), PvdA en SP willen maatregelen treffen om gelijke toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt te vergroten.

Over de multi-etnische en multireligieuze samenleving lopen de meningen al helemaal uiteen. Partijen als PvdA, D66, GroenLinks en DENK maken zich zorgen over de toenemende polarisatie in Nederland, en over het afnemen van tolerantie tegenover bepaalde etnische, nationale of religieuze groepen. Zij willen investeren in gelijke rechten en kansen. Andere partijen, in het bijzonder PVV, verheffen deze vorm van discriminatie juist tot een van hun speerpunten. PVV wil hoofddoeken en de koran verbieden, moskeeën en islamitische scholen sluiten, geen immigranten meer toelaten uit islamitische landen en alle al verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd intrekken. Deze PVV-programmapunten zijn moeilijk te verenigen met het discriminatieverbod in artikel 1 van onze Grondwet, en met de mensenrechtenverdragen waar Nederland partij bij is.

Een klein zijstapje ter toelichting is hier op zijn plaats. Belangrijk is dat die bepalingen ongelijke behandeling op zichzelf helemaal niet verbieden. Integendeel: ze erkennen dat ongelijke behandeling vaak heel wenselijk is. Iedereen wil immers graag een behandeling die aansluit bij zijn eigen verdiensten, kwaliteiten en behoeften. Differentiatie en precisiewerk zijn vaak beter dan een algemene ‘one size fits all’-regeling. De vraag is: hoe bepaal je wanneer een behandeling geen differentiatie meer is, maar discriminatie wordt? Dat kan door te kijken hoe redelijk die behandeling is. Als de staat optreedt moet dat gebeuren op basis van neutrale, objectieve en rationele overwegingen. Regelgeving die is gebaseerd op vooroordelen of veel te brede stereotypen is niet eerlijk en werkt ook niet. Immers, heel veel mensen voldoen niet aan een bepaald vooroordeel of stereotype: niet alle voetbalfans slaan bushokjes kort en klein, niet alle moslims zijn fundamentalistisch, niet alle Marokkanen zijn crimineel. Regelgeving die op dit soort vooroordelen is gebaseerd is niet objectief en neutraal en dus niet toelaatbaar.

Daarnaast is het maar de vraag hoe effectief discriminerende regelgeving is. Zo zou de PVV kunnen betogen dat een algemeen verbod op de Koran en op islamitisch onderwijs nodig is om radicalisering en fundamentalisme te voorkomen. Maar de partij zal van goeden huize moeten komen om aan te tonen dat zo’n verbod daadwerkelijk bijdraagt aan afname van radicalisering en fundamentalisme. Bovendien kun je dat doel waarschijnlijk beter bereiken met meer toegespitste maatregelen. Daardoor is het wel zeker dat voorstellen als die van de PVV met artikel 1 van onze eigen, Nederlandse Grondwet in strijd zijn.

Interessant is dan ook dat er een groot aantal voorstellen is gedaan om dit artikel 1 van de Grondwet aan te passen. Daarin staat nu dat discriminatie niet is toegestaan als die is gebaseerd op godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, ‘of op welke grond dan ook’. Opvallend is dat gronden als LGBTI, leeftijd of handicap ontbreken. Het is dus niet zo gek dat er gediscussieerd wordt over het rijtje gronden, dat sinds 1983 ongewijzigd in de Grondwet staat. De voor- en nadelen van uitbreiding van het lijstje worden al sinds een jaar of twintig onderzocht, maar blijken elkaar in evenwicht te houden. Het draagvlak voor een wijziging was de afgelopen jaren dan ook niet zo groot. Toch stellen verschillende partijen nu uitbreiding voor. De SP en GroenLinks willen seksuele gerichtheid, leeftijd en handicap toevoegen; de ChristenUnie beperkt zich tot seksuele gerichtheid en handicap; de PvdD kiest voor uitbreiding met LHBTI; 50Plus wil juist leeftijd toegevoegd zien. Intussen hebben ook ChristenUnie en CDA zich bij deze wens aangesloten, waardoor er zelfs even sprake was een heus ‘regenboogakkoord’ over deze uitbreiding. Of artikel 1 na de verkiezingen daadwerkelijk wordt aangepast, is niettemin twijfelachtig – niet alleen is onduidelijk of de genoemde partijen een meerderheid zullen halen, maar ook is niet zo zeker dat ze allemaal voorstander zijn van het opnemen van alle hiervoor genoemde gronden.

Hetzelfde fenomeen van overeenstemming én verdeeldheid doet zich voor waar het gaat om concrete maatregelen om discriminatie te bestrijden. Enerzijds is er behoorlijk wat steun om in ieder geval iets te doen, maar sommige ideeën zijn dan weer controversieel. Een paar voorbeelden van voorgestelde maatregelen:
– het strafrecht inschakelen of in ieder geval stevig handhaven om haatmisdrijven, geweldsmisdrijven, racisme, etc. te bestrijden (VVD, PvdA, D66, GroenLinks, PvdD, DENK)
– maatregelen tegen etnisch profileren (PvdA, D66, ChristenUnie, GroenLinks, DENK)
– quotamaatregelen om achterstanden voor vrouwen te bestrijden (voor: PvdA, D66, GroenLinks, DENK; tegen: VVD, VNL),
– arbeidsmarktdiscriminatie bestrijden met sterkere handhaving (VVD, PvdA, D66, GroenLinks),
– experimenteren met anoniem solliciteren (PvdA, ChristenUnie, GroenLinks),
– het leenstelsel afschaffen om gelijke toegang tot onderwijs te waarborgen (CDA, ChristenUnie)
– investeren in betere begeleiding van kinderen uit zwakkere milieus (SP, ChristenUnie, DENK).
– bewustwordingsmaatregelen, dialoog, onderwijs en training om ongelijke behandeling te bestrijden (PvdA, SP, D66).

Kortom, we kunnen wel het een en ander verwachten van een nieuwe kabinetsperiode als het gaat om ongelijke behandeling en discriminatie. Maar wat precies, dat hangt af van de kiezers die naar de stembus komen. Hun stem zal laten zien of er een voorkeur is voor uitsluiting en discriminatie jegens minderheidsgroepen, of juist voor insluiting, diversiteit en dialoog. Vervolgens zullen de partijen in het politieke debat moeten bekijken welke maatregelen daar dan bij passen. Het wordt dus nog spannend de komende tijd.

Janneke Gerards

Dit artikel is onderdeel van het Dossier Verkiezingen in roerige tijden van de Universiteit Utrecht. In dit dossier belichten onderzoekers van de Universiteit Utrecht verkiezingsonderwerpen vanuit verschillende perspectieven, om wat helderheid te bieden aan de kiezende burger.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: