Staatsrecht in verkiezingstijd: voltooid leven

door JHG op 20/02/2017

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Post image for Staatsrecht in verkiezingstijd: voltooid leven

De aankomende verkiezingen gaan onder andere over het recht op hulp bij zelfdoding bij ‘voltooid leven’. Het is een onderwerp dat de afgelopen jaren veel politieke en maatschappelijke belangstelling heeft genoten. Al in 1991 pleitte Huib Drion ervoor om oudere mensen die niet meer willen leven, de mogelijkheid te geven om hun leven op een waardige manier te beëindigen. In 2010 lanceerde de initiatiefgroep ‘Uit Vrije Wil’ bovendien een Burgerinitiatief Voltooid Leven. Ook de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Gekozen Levenseinde maakt zich hard voor een zelfgekozen levenseinde. En inmiddels staan hierover het initiatiefvoorstel van Pia Dijkstra (D66) en een voorstel van de regering op de agenda. Wat zijn de grondrechtelijke grenzen van deze politieke discussie?

De huidige Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) laat weliswaar onder strenge voorwaarden ruimte voor euthanasie, maar niet voor hulp bij zelfdoding bij voltooid leven. De wet stelt onder meer als voorwaarde voor euthanasie dat sprake moet zijn van een situatie van ‘uitzichtloos en ondragelijk lijden’ die door een arts is vastgesteld. Om een oplossing te bieden voor het conflict van plichten waarmee een arts dan kan worden geconfronteerd, laat de Wtl in dat soort gevallen toe dat het lijden wordt beëindigd, mits aan allerlei zorgvuldigheidseisen wordt voldaan. In de praktijk wordt het begrip ‘uitzichtloos en ondragelijk lijden’ sterk medisch ingevuld. De wet is niet van toepassing als ‘alleen maar’ sprake is van een diepe overtuiging dat het leven niet meer de moeite waard is, of dat het wel genoeg is geweest. Een arts of stervensbegeleider die dan toch helpt bij zelfdoding, is strafbaar.

De maatschappelijke discussie over dit onderwerp heeft in 2014 geleid tot de instelling van een Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten, onder voorzitterschap van Paul Schnabel. Deze commissie-Schnabel kwam begin 2016 met haar advies, dat luidde om de Wtl niet te verruimen. Volgens de commissie biedt de huidige wetgeving in veruit de meeste gevallen voldoende ruimte om recht te doen aan de stervenswens van mensen die hun leven ‘voltooid’ achten. Bovendien vond de commissie dat het beter is om de omstandigheden waarin mensen zo’n wens ontwikkelen te verbeteren, dan ruimte te bieden voor voortijdige levensbeëindiging.

Het kabinet bleek hierover een andere opvatting te hebben. Het gaat hier om een groep mensen, zo stelde minister Schippers in oktober 2016 in een brief aan de Tweede Kamer, voor wie het leven geen betekenis meer heeft en voor wie het een (te zware) last is geworden om verder te moeten leven. Voor die groep moet het volgens het kabinet mogelijk zijn om hun leven te (laten) beëindigen op een waardige manier die recht doet aan hun persoonlijke autonomie. Het kabinet wil een apart wettelijk kader voorstellen om deze problematiek te regelen, waarin heel strikte en uitgebreide voorwaarden worden geformuleerd om in aanmerking te komen voor hulp bij zelfdoding bij voltooid leven. Dit kabinetsvoornemen loopt parallel met de ontwikkeling van een initiatiefvoorstel van D66-kamerlid Pia Dijkstra op dit punt, dat al in mei 2016 werd aangekondigd en dat in december werd gepresenteerd.

De discussie over ‘voltooid leven’ is fundamenteel ethisch van aard, maar heeft ook een juridische component. Hierboven bleek al dat het deels gaat over de uitleg van de huidige Wtl en over de vraag of die de meeste gevallen van voltooid leven nu wel of niet afdekt. Daarnaast speelt hier het recht op zelfbeschikking of persoonlijke autonomie een belangrijke rol – het recht voor ieder mens om zelf wezenlijke keuzen te kunnen maken over het eigen leven en de eigen persoon. Dat recht staat niet met zoveel woorden in de Grondwet of in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Wel blijken rechters het daar steeds vaker in te lezen. Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk aangegeven dat het EVRM de persoonlijke autonomie en de eigen opvattingen over menselijke waardigheid omdat. Ook heeft dit Hof beslist dat het recht op hulp bij zelfdoding onder het EVRM kan worden gebracht.

Als hulp bij zelfdoding bij voltooid leven wordt toegestaan, levert dit een botsing op met een ander grondrecht, namelijk het recht op leven. Op grond van hetzelfde EVRM is de overheid ook verplicht om dat recht te respecteren. Dat wil echter nog niet zeggen dat het EVRM euthanasie en hulp bij zelfdoding verbiedt. Wel heeft het EHRM geoordeeld dat er goede en duidelijke wettelijke regelingen moeten bestaan die stevige voorwaarden bevatten. Zo erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2015 dat er goede gronden kunnen zijn om het kunstmatig voortzetten van het leven van een comapatiënt te beëindigen, als de betrokkene daar eerder toestemming voor heeft gegeven en het besluit aan de nodige zorgvuldigheidsvereisten voldoet.

Op de keper beschouwd zijn er daarmee geen harde juridische normen of grondrechten die in de weg staan aan het aannemen van nieuwe wetgeving. Andersom dwingen de rechtsregels daar ook niet toe. Voor een maatschappelijke, politieke en ethische discussie is er dan ook alle ruimte. Kijk in dit stuk op de blog Research Stories van de Universiteit Utrecht voor een overzicht van de kansen voor het voorstel op basis van een analyse van de partijprogramma’s.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: