Stemmen uit de rechtszaal

door IvorenToga op 12/03/2013

in Rechtspraak

Post image for Stemmen uit de rechtszaal

Binnenkort zullen we via de media stemmen uit de rechtszaal kunnen horen, stemmen van verdachten om precies te zijn. Dat staat te lezen in de Persrichtlijn die de Raad voor de rechtspraak onlangs heeft gepubliceerd en die op 1 maart jl. in werking is getreden. Volgens het februarinummer van Mr., het voor iedere praktijkjurist gratis beschikbare Magazine voor Juristen, is deze richtlijn het werk van de Raad voor de rechtspraak. Dat is in zoverre juist dat de Afdeling communicatie van de Raad het stuk heeft uitgegeven. Het is echter de vergade-ring van de presidenten van de gerechten die de richtlijn op initiatief van de communicatieadviseurs en persrechters heeft vastgesteld, zo staat in het colofon te lezen.

In de persrichtlijn staat natuurlijk veel meer. Het gaat daarin over de dienstver-lening aan journalisten, de informatie die voor en na de zitting wordt verstrekt, en over diverse andere aspecten van de zitting. Zo wordt ook een afbakening gemaakt tussen (landelijke) onderwerpen die de Raad voor de rechtspraak als zijn verantwoordelijkheid ziet, en (lokale) elementen die tot het domein van de gerechtsbesturen worden gerekend. Op veel daarvan valt niet veel af te dingen en het is uit het oogpunt van de uitingsvrijheid positief in de richtlijn te lezen dat de gerechten journalisten in staat dienen te stellen hun werk te doen en voor faciliteiten in en rond de rechtszaal moeten zorgen (1.1) en dat de openbare zittingen altijd toegankelijk voor journalisten horen te zijn (3.1).

Toch is, als je de details leest, de vraag of de samenstellers zich, vooral gelet op de grondrechten, voldoende van de afbakening van de verantwoordelijkheden hebben vergewist. Opvallend is om te beginnen al dat geen van de relevante grondwettelijke regels (de uitingsvrijheid, het recht op privacy en de openbaar-heid van uitspraken) als zodanig wordt genoemd of besproken. Zo wordt niet uitgelegd waarin de diverse inbreuken op de uitingsvrijheid – en dat is in begin-sel elke beperking van het recht op een openbaar toegankelijke plaats informatie te vergaren – hun grondrechtelijke rechtvaardiging vinden. Ook ontbreekt een algemene uitleg van het – kennelijk door de presidentenvergadering gehuldigde – standpunt dat dit college bevoegd is een richtlijn als deze op te leggen.
Die bevoegdheid is geen probleem, als het gaat om de wijze waarop de algemene organisatorische zaken en de taken van de afdelingen communicatie en de persrechters worden geregeld. Maar de orde in de rechtszaal, c.q. het ordelijk verloop van de zitting, is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de rechter, c.q. de voorzitter (in een meervoudige setting). Deze heeft bijvoorbeeld het recht het maken van audiovisuele opnamen aan banden te leggen, als dat tot een verstoring van de orde in de zittingzaal leidt.

Ook die bevoegdheid kent evenwel zijn grenzen. Zo betreft het ordelijk verloop van de zitting niet zonder meer ook de positie van de verdachte. De vraag of een verdachte in beeld of geluid in de publiciteit mag komen, hangt samen met zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, niet met de handhaving van de orde in de rechtszaal. Het recht op privacy is iets waarmee de rechter die de zitting leidt, in principe niets te maken heeft, en a fortiori evenmin de afdeling communicatie van de rechtbank, laat staan de presidentenvergadering.

Door in de persrichtlijn diverse regels op te nemen over de wijze waarop om-roepinstellingen een verdachte met een camera en/of een microfoon kunnen confronteren, treedt de presidentenvergadering dan ook buiten haar bevoegd-heden. Wat de audio-visuele media op een openbare zitting kunnen opnemen, is in de eerste plaats een zaak tussen hen en de verdachte zelf (al dan niet met be-hulp van diens raadsman). De gerechten staan daarbuiten. (En bij een zitting met gesloten deuren is de deur per definitie dicht, dus ook voor de media.)
In de persrichtlijn wordt het recht van de gerechten zich hiermee in te laten on-derbouwd met de stelling dat een verdachte onschuldig is, totdat de rechter zijn oordeel heeft uitgesproken, en dat dus de onschuldpresumptie in acht moet worden genomen. Dat is evenwel een verplichting die op de officiële deelnemers aan het strafproces (in het bijzonder de rechter en de officier van justitie) rust en niet op, bijvoorbeeld, de media. Zij hebben wel het recht op privacy in aanmerking te nemen. Dat recht is, hoewel verwant, echter niet hetzelfde als het vermoeden van onschuld.

Kortom, de gerechten moeten het aan de media en de verdachte (en diens raadsman) overlaten afspraken over het vervaardigen en uitzenden van beeld- en/of geluidopnamen van de verdachte te maken. “Wanneer de betrokkene uit-eindelijk door de rechter zou worden vrijgesproken, dan kan hij door de beelden waarop hij herkenbaar is, in de media inmiddels al ‘publiekelijk veroordeeld’ zijn.” Dat staat in de toelichting op de richtlijn en is op zichzelf waar. Evengoed kan in zo’n situatie een vrijspraak met de publiciteit daarbij voor bevrijdende publici-teit zorgen. Dan werken draaiende camera’s en open microfoons juist decriminaliserend.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: