Straffeloze staatssecretarissen #fail

door MN op 15/10/2013

in Haagse vierkante kilometer, strafrecht

Post image for Straffeloze staatssecretarissen #fail

De in 1840 geïntroduceerde strafrechtelijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen is niet al te ingewikkeld. Bewindspersonen aan wie het verwijtbaar is dat de regering een wettelijke plicht niet heeft vervuld, kunnen daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd. De vervolging kan uitsluitend worden ingesteld indien daartoe opdracht wordt gegeven door de regering of de Tweede Kamer daartoe besluit: vervolging van ambtsmisdrijven op klacht is niet mogelijk. Zo wordt het activeren van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voorbehouden aan politieke organen. Het stelsel dringt dus vanzelf een volgorde op tussen politieke en strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid.

Mochten de gebutste staatssecretarissen Weekers en Klijnsma besluiten om in moedwillige strijd met de wettelijke regeling de uitbetaling van vergoedingen aan enkele specifieke Eerste Kamerleden op te schorten, dan hebben ze van de strafrechter evenwel niets te vrezen. Hetzelfde geldt trouwens voor een nalatige minister zonder portefeuille.

Ik kom tot die stelling omdat de in 1855 geïntroduceerde regeling van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid het enkel heeft over “hoofden van ministeriële departementen”. Staatssecretarissen en ministers zonder portefeuille zijn geen hoofd van een ministerieel departement, en vallen dus niet onder deze wet. Naar ik heb begrepen hebben ze het in het strafrecht niet zo op analoog interpreteren. Weliswaar treden staatssecretarissen volgens de Grondwet als minister op en zijn ze uit dien hoofde verantwoordelijk, aannemelijk is dat die verantwoordelijkheid uitsluitend teruggrijpt op de politieke verantwoordelijkheid van een andere grondwetsbepaling. De strafrechtelijke evenknie is bij de grondwetsherziening van 1983 geschrapt. Wat resteert is de aanwijzing van de Hoge Raad als forum privilegiatum voor de vervolging ambtsmisdrijven van bewindspersonen. Dat artikel bevat geen opdracht (meer) tot het treffen van een wettelijke regeling. De wet uit 1855 kon inmiddels ook wel zonder grondwettelijke grondslag, zo was de redenering. Maar aangezien die regeling gemaakt is in een tijd waarin staatssecretarissen noch ministers zonder portefeuille bestonden, gaat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen als Weekers, Klijnsma, Ploumen of Blok als een nachtkaars uit.

Beeld: Pabo5 (CC-licentie)

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 CR 15/10/2013 om 12:52

Neenee. Hierin is voorzien in artikel 483 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin wordt de wet uit 1855 en het forum privilegiatum in de lucht gehouden en meteen van overeenkomstige toepassing verklaard op alle ministers en staatssecretarissen (zie de verwijzing naar artikel 76 van Wet op de rechterlijke organisatie).
Overigens is “grondwettelijke grondslag” staatsrechtelijk zonder betekenis. Voor een groot aantal zaken (zoals het opleggen van verplichtingen aan burgers) eist het staatsrecht een wettelijke grondslag, het zogeheten legaliteitsbeginsel, maar een grondslag in de Grondwet wordt nergens geëist: de wet kan alles wat niet door Grondwet of volkenrecht wordt verboden.

2 MN 15/10/2013 om 13:57

Oei, dat heb ik stomweg over het hoofd gezien. Laten we mijn stelling dan als #dtv markeren. CR heeft daarop een mooi antwoord geformuleerd, waarvoor dank.
Op de tweede alinea van CR’s reactie ga ik nu niet in, behoudens dan door er op te wijzen dat mijn opmerking over die grondslag bedoelt duidelijk te maken dat handhaving van dat voorschrift in 1983 een blunder als ik nu heb begaan, had kunnen voorkomen. Want hoewel het allemaal mooi rond loopt, is het toch wel wat omslachtig om voor de toepasselijkheid van de wet uit 1855 te rade te moeten gaan bij art. 483 Sv en art 76 Wro.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: