Strategie en verkiezingscampagnes in de VS

door FTG op 09/05/2010

in Buitenland, Recensies, Varia

De regels die verkiezingen beheersen kunnen grote invloed hebben op de uitslag van de verkiezingen. De Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 zijn daarvan een bekend voorbeeld. Al Gore kreeg nationaal gezien de meeste stemmen, maar Bush werd president. Dat komt omdat voor deze presidentsverkiezingen een districtenstelsel geldt.

De invloed van dergelijke regels en het belang daarvan voor het campagne voeren, komt op illustratieve wijze naar voren in het boek “The Audacity to Win” van David Plouffe, de campagneleider van Obama. Als campagneleider is Plouffe vooral gefocust op de strategische aspecten van het campagnevoeren en niet zozeer op de inhoudelijke aspecten. Als je zijn boek leest krijg je sterk de indruk dat, in ieder geval bij de voorverkiezingen, inhoudelijke aspecten hoegenaamd geen rol spelen. Het succes van Obama op supertuesday, een dag waar veel voorverkiezingen tegelijkertijd gehouden worden, verklaart hij voornamelijk door het momentum gecreëerd door de winst in een eerdere voorverkiezing, de politieke steun van de Kennedy’s  en de kracht van hun organisatie (p. 170). Het ging hier om voorverkiezingen, dus zijn tegenstander (Clinton) behoorde tot dezelfde partij, maar zouden inhoudelijke aspecten echt helemaal geen rol gespeeld hebben?

De regels met betrekking tot de voorverkiezingen kennen een aantal eigenaardigheden. David Plouffe zegt dat niet met zoveel woorden, maar zonder die regels in die vorm zou Obama de voorverkiezingen vermoedelijk nooit gewonnen hebben. Eén eigenaardigheid is dat de voorverkiezingen niet op één dag gehouden worden, maar verspreid over een maand of 6. De eerste caucus werd gehouden op 3 januari in Iowa, de laatste voorverkiezingen op 3 juni in Montana en South Dakota.

Dat maakt voor de dynamiek van de verkiezingen en de campagnestrategieën veel uit. Voor de start van de democratische voorverkiezingen had Hilary Clinton een zeer ruime voorsprong in alle peilingen. Eén van de redenen daarvoor was dat men dacht dat Obama onverkiesbaar was wegens zijn gebrek aan ervaring. Als alle caucuses en primaries op de zelfde datum gehouden zouden worden, dan zou Clinton ongetwijfeld gewonnen hebben. Nu was er echter eerst een caucus in Iowa op 3 januari. Dat had twee voordelen voor Obama. In de eerste plaats had hij op dat moment nog niet genoeg geld om in alle staten tegelijk campagne te voeren, maar dat hoefde in deze situatie ook niet: hij kon het grootste deel van zijn financiële middelen op Iowa richten. Obama won inderdaad de caucus in Iowa. Deels door het voeren van een tactisch zeer slimme campagne en deels ook door nalatigheid en arrogantie van het Clinton kamp.

In de tweede plaats creëerde de overwinning in Iowa momentum voor Obama. Door de overwinning verdween bij veel mensen het beeld dat hij onverkiesbaar zou zijn. Hierdoor kreeg hij niet alleen meer stemmen in latere voorverkiezingen maar ook veel meer geld van sponsoren. Zonder geld zijn de verkiezingen niet te winnen. Obama heeft in totaal 730 miljoen dollar uitgegeven in de campagnes van 2008.

Een ander voorbeeld van de invloed van de regels betreft het gegeven dat ook de voorverkiezingen in feite een districtenstelsel kennen. Per staat worden afgevaardigden toegekend aan de kandidaten. Zonder dit districtensysteem zou Clinton waarschijnlijk de Democratische kandidaat geworden zijn: zij had namelijk nationaal gezien 47,9% van de uitgebrachte stemmen en Obama 47,4% (tenminste, als de stemmen van Michigan, waar Obama niet mee deed, meegeteld worden).

Bovendien geldt dat bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen en ook bij de Republikeinse voorverkiezingen, in de meeste staten een winner-takes-all systeem van toepassing is: degene met de meeste stemmen, krijgt alle afgevaardigden uit die staat. De democraten hebben echter binnen iedere staat een stelsel van representatieve vertegenwoordiging: ook de verliezer krijgt dus afgevaardigden, het aantal gerelateerd aan het percentage van de stemmen dat hij gekregen heeft. Als echter ook de democraten een winner-takes-all systeem zouden hebben, dan zou Clinton een ruime meerderheid van de afgevaardigden hebben gewonnen (reken hier zelf maar na). Die meerderheid zou op zich nog niet genoeg geweest zijn om de nominatie te winnen, want er zijn ook nog zogenaamde superdelagates: partijbonzen die op eigen titel een stem hebben op de conventie. Het is echter niet waarschijnlijk dat die superdelegates allemaal op de verliezer gaan stemmen. Met een winner-takes-all systeem zou Clinton dus de democratische kandidaat zijn geweest.

Het interessante van het boek van Plouffe is dat daarin goed blijkt dat het antwoord op de vraag welke de juiste strategische en tactische beslissingen zijn, sterk afhankelijk is van het soort verkiezingssysteem dat geldt. Er blijkt ook uit hoeveel beter het Obama team zich dat bewust was, dan het team van Clinton.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: