Studentenparlement 2011: de ontboezeming van de SGP

door Ingezonden op 05/05/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Studentenparlement 2011: de ontboezeming van de SGP

Staatsrechtkenners klagen graag over het dalende aantal juristen in de Tweede Kamer. Ze menen dat het gebrek aan juridische kennis bij parlementariërs leidt tot slechte wetgeving. Op 20 mei is er de mogelijkheid om te zien of een Kamer die geheel bevolkt wordt door juristen betere wetgeving oplevert, want dan vindt de plenaire behandeling van wetsvoorstel 41 011  plaats en nemen studenten van het Studentenparlement zitting in de blauwe bankjes. Elke twee jaar wordt op initiatief van de Staatsrechtkring het Studentenparlement georganiseerd en strijden de negen verschillende rechtenfaculteiten van Nederland tegen elkaar in de politieke arena. De regering wordt voor deze gelegenheid gevormd door specialisten in het staatsrecht; studenten van de verschillende faculteiten representeren de politieke partijen. Een jury selecteert de winnaar op basis van de staatsrechtelijke kwaliteit van de schriftelijke en mondelinge inbreng en de beheersing van het politieke spel.

Wetsvoorstel 41 011 is opgesteld naar aanleiding van het SGP-arrest van vorig jaar, dat ook op dit blog veel aandacht heeft gekregen. Met de SGP als de facto gedoogpartner wil minister Donner natuurlijk de problemen voor zich uit schuiven, maar voor het Studentenparlement is dit interessante materie.

Het wetsvoorstel voegt een nieuw artikel in na artikel 2:20 BW en specificeert de gronden op basis waarvan een politieke partij verboden kan worden. Artikel 2:20 BW stelt dat een rechtspersoon kan worden verboden als de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde; in het voorgestelde artikel 2:20a wordt ongelijke behandeling (of een streven daarnaar) op grond van ras of geslacht een grond op basis waarvan de rechtbank politieke partijen kan verbieden en ontbinden.

Artikel 2:20a BW
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 20 wordt een politieke groepering waarvan de aanduiding bij het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer geregistreerd is of is geweest op grond van artikel G 1 van de Kieswet op verzoek van het openbaar ministerie door de rechtbank als vereniging verboden verklaard en ontbonden indien:
a. zij interne regelingen kent die ongelijke behandeling  op grond van ras of geslacht tot gevolg hebben;
b. haar aanduiding is geplaatst boven een of meer geldige kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer die onmiskenbaar blijk geven van ongelijke behandeling op grond van geslacht;
c. uit haar programmatische doelen blijkt dat de groepering streeft naar ongelijke behandeling  op grond van ras of geslacht of
d. uit haar werkzaamheid een streven naar ongelijke behandeling op grond van ras of geslacht blijkt.
2. Alvorens de ontbinding uit te spreken kan de rechtbank de politieke groepering in de gelegenheid stellen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de regeling of de programmatische doelen zodanig te wijzigen dat er geen sprake meer is van ongelijke behandeling of een streven daarnaar.

Het spel van het Studentenparlement verschilt natuurlijk van de echte politiek. Het wetsvoorstel gaat duidelijk verder dan de opdracht van de Hoge Raad en biedt aan alle deelnemers van het Studentenparlement de kans op de barricade te springen voor onze democratie en vrijheid. De onderdelen c en d introduceren namelijk een vorm van supra-constitutionaliteit doordat partijen niet meer mogen streven naar een andere samenleving en zijn een stevige beperking van de vrijheid van meningsuiting. Deze onderdelen zijn daarnaast moeilijk te verbinden aan het beschermen van de openbare orde en vallen ook niet onder de verdragsverplichtingen van het Vrouwenverdrag en het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Op initiatief van de Amsterdamse fractie (UvA) en vier andere partijen is daarom een amendement ingediend om c en d te schrappen.

De onderdelen a en b voldoen tezamen wel aan de ‘opdracht’ van de Hoge Raad om er daadwerkelijk voor te zorgen dat politieke partijen het passief kiesrecht aan vrouwen toekennen. Onderdeel a zorgt ervoor dat partijen niet meer in hun interne regelingen mogen discrimineren; onderdeel b zorgt ervoor dat stilzwijgende discriminatie in bijvoorbeeld kandidaat-selectiecommissies wordt uitgebannen.

De plenaire behandeling op 20 mei zal via politiek24.nl te volgen zijn. Als het wetsvoorstel in enige vorm wordt aangenomen, zal dat hier geplaatst worden en kunnen we zien of een Kamer vol juristen goede wetgeving aflevert.

Meer informatie over het studentenparlement, het wetsvoorstel en alle ingediende amendementen is hier te vinden.

Marijn van der Sluis
Fractievoorzitter Amsterdamse GroenLiberalen (GroenLinks)
Student staatsrecht UvA

Noot van de redactie: bijdragen van andere fractievoorzitters eveneens welkom op redactie@publiekrechtenpolitiek.nl

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 RK 07/05/2011 om 15:22

Klopt het wel dat de onderdelen a en b voldoen aan de opdracht van de Hoge Raad om er daadwerkelijk voor te zorgen dat politieke partijen het passief kiesrecht aan vrouwen toekennen? Ja, partijen die vanuit zichzelf het passief kiesrecht aan vrouwen in de partij hebben toegekend, voor die partijen hoeft uiteraard niet gezorgd te worden. Maar partijen die niet willen, worden natuurlijk door de onderdelen a en b niet gedwongen het passief kiesrecht aan vrouwen in de partij toe te kennen. Die worden dan ‘slechts’ verboden verklaard en ontbonden.
En klopt het wel dat de onderdelen c en d – niet streven naar ongelijke behandeling – niet vallen onder de verdragsverplichtingen van het Vrouwenverdrag en het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie? Verzekeren van gelijke behandeling waartoe het Vrouwenverdrag verplicht (o.a. art. 7) gaat toch moeilijk samen met het streven naar ongelijke behandeling want stel dat dit streven slaagt; en het strafbaar bij wet verklaren, waartoe het racismeverdrag verplicht, van rassuperioriteit of rassenhaat en aanzetting tot rassendiscriminatie (art. 4) nog minder.
Nog een tip, verbiedt die partijen niet, maar sluit ze uit van verkiezingsdeelname. Oftewel wijzig de kieswet.

2 Marijn van der Sluis 10/05/2011 om 11:21

Het verbieden van een politieke partij is natuurlijk een zeer zwaar middel. Ik zou het dan ook nooit willen hebben over ‘slechts’ het verbieden van een partij. Het is de vraag of dit middel gerechtvaardigd kan worden door het belang van het passief kiesrecht. Ik denk van wel.

Opmerkelijk is dat u als tip aandraagt partijen uit te sluiten van verkiezingsdeelname. Beide methoden doen namelijk hetzelfde; ze dwingen politieke partijen om vrouwen op de kieslijst te zetten als zij willen meedoen aan de verkiezingen. Daarmee zorgt de overheid ervoor dat politieke partijen zich houden aan de democratische spelregels, met in de kern het gelijkheidsbeginsel.
Het grote nadeel van het uitsluiten bij verkiezingen is dat de Kiesraad daarmee een politieke rol krijgt waarop het niet is toegerust. Dat is zeer onwenselijk. Bovendien werkt de Kieswet met krappe termijnen, die de rechtszekerheid en effectieve rechtsbescherming niet ten goede zouden komen. Daarom is aanpassing van de Kieswet geen reëel alternatief.
Overigens viel het mij op dat u eerder de mening geuit hebt dat Donner geen maatregelen hoefde te nemen naar aanleiding van de SGP-zaak (Volkskrant 22 april jl.). Dus bent u van mening veranderd dat toch de Kieswet aangepast moet worden?

De stelling dat ook streven naar ongelijke behandeling onder artikel 7 Vrouwenverdrag zou vallen is onjuist. De staat is verplicht om ervoor te zorgen dat vrouwen kunnen participeren in maatschappelijke en politieke verenigingen, niet om ervoor te zorgen dat in de toekomst nooit dergelijke maatregelen kunnen worden aangenomen. Natuurlijk is er een schending van het verdrag als een dergelijk streven slaagt, maar dat betekent niet dat het streven in zichzelf ook al verboden moet zijn. Die interpretatie zou een verregaande wijziging betekenen van het internationale recht.
Wat betreft het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie is er geen enkele aanwijzing dat artikel 2:20 BW en de verscheidene artikelen in het Wetboek van Strafrecht niet reeds voldoende zijn. De onderdelen c en d zijn dus niet nodig en niet wenselijk.

Marijn van der Sluis
Fractievoorzitter AGL

3 ll 10/05/2011 om 13:18

Het probleem is dat de voorgestelde wijziging niet betekent dat partijen niet meer kunnen meedoen aan de verkiezingen als zij geen vrouwen willen toelaten op hun lijst. Indien een politieke partij door de rechter op grond van artikel 2:20 BW of dit nieuwe artikel een partij verboden verklaart heeft dit weliswaar enkele gevolgen voor de partij, maar beïnvloedt dit niet per se de mogelijkheid om deel te nemen aan een volgende verkiezing. De Kiesraad moet als centraal stembureau op grond van artikel G 1 van de Kieswet de aanduiding van de partij schrappen in het register van aanduidingen. Dit betekent dat de partij niet meer onder gebruikmaking van deze aanduiding deel kan nemen aan de verkiezingen. Het is voor de leden van deze verboden partij echter wel mogelijk om zich individueel kandidaat te stellen of mee te doen als lijst zonder aanduiding. De Kieswet biedt geen mogelijkheid tot het uitsluiten van een dergelijke lijst op de grond dat deze overeenkomsten vertoond met eerdere lijsten van een verboden partij. Indien bereikt moet worden dat de leden van deze verboden partij niet meer kunnen deelnemen aan de verkiezingen, moeten zij individueel veroordeelt worden voor een misdrijf waar op grond van artikel 54 Grondwet ontzetting uit het kiesrecht mogelijk is en waarbij de rechter deze ontzetting als bijkomende straf heeft uitgesproken.

Deze uitweg is in 1978 gebruikt door de heer Glimmerveen na de verboden verklaring van de NVU.

De verbodenverklaring heeft wel enkele andere gevolgen voor politieke partijen. De Wet subsidiering politieke partijen definieert een politieke partij als:
een vereniging waarvan de aanduiding op grond van artikel G 1 van de Kieswet is geregistreerd in het register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer. Op grond van deze wet wordt subsidie verleent aan partijen die aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft deelgenomen met haar aanduiding boven de kandidatenlijst en aan de lijst waarvan daarbij een of meer zetels zijn toegekend. Omdat een verbodenverklaring leidt tot schrapping in het register van aanduidingen betekent dit dat een verboden partij niet in aanmerking komt voor subsidie. Omdat de Mediawet voor het toekennen van zendtijd aan politieke partijen aansluit bij de definitie van een politieke partij uit de wet subsidiering politieke partijen vervalt bij verbodenverklaring ook tevens het recht op gratis zendtijd. Met deze beperkingen is het natuurlijk wel lastiger om aan verkiezingen mee te doen, maar niet onmogelijk.

Daarnaast is het op grond van artikel 140 Wetboek van Strafrecht een misdrijf om de werkzaamheden van een door de rechter verboden verklaarde organisatie voort te zetten. Indien bewezen zou kunnen worden dat een bepaalde kandidatenlijst een directe voorzetting is van een eerder verboden politieke partij, is het dus wel mogelijk om via het strafrecht de bestuurders of leiders van deze partij en mogelijk ook de kandidaten individueel aan te pakken.

4 RK 10/05/2011 om 14:12

Marijn van der Sluis,

Ja, het verbieden is een zeer zwaar middel – ik schreef ‘slechts’ niet voor niets tussen aanhalingstekens. Het punt is dat het maar de vraag is of een partijverbod een partij dwingt tot het toekennen van het passief kiesrecht aan vrouwen in de partij! Misschien denkt de partij wel: beter verboden dan iets moeten doen wat we niet willen.

Uitsluiten van verkiezingsdeelname van een partij die vrouwen in de partij geen passief kiesrecht toekent, betekent dat de ongelijke behandeling ten aanzien van het passief kiesrecht is beëindigd! Inderdaad, daarmee zorgt de overheid ervoor dat politieke partijen die nog wel deelnemen zich houden aan de democratische spelregels, met in de kern het gelijkheidsbeginsel.

Krijjgt de Kiesraad daarbij een politieke rol? Die hoeft toch alleen maar feitelijk naar de statuten en de reglementen van de partij te kijken of er een verboden onderscheid gemaakt wordt? “Zoneklaar” vond het gerechtshof de ongelijke behandeling van vrouwen bij de SGP. Dient een partij een kanidatenlijst in, dan kjkt de Kiesraad naar de statuten en de reglementen van de partij. Deugen die feitelijk niet dan wordt de lijst afgekeurd.

Ja, ik heb gesteld dat Donner geen maatregelen meer(!) hoefde te nemen naar aanleiding van de SGP-zaak (Volkskrant 22 april jl.) – dat hangt samen met hoe de SGP de ongelijke behandeling intern heeft geregeld i.e. met een nu rechtens nietig besluit. Nee, ik ben dus niet van stellingname veranderd. De SGP-zaak ging niet over de doelstellingen van de SGP. Ik zou de kieswet willen aanpassen op het punt van antidemocratische en antirechtsstatelijke doelstellingen van deelnemers aan verkiezingen.

Of dat het streven naar ongelijke behandeling onder artikel 7 Vrouwenverdrag valt? Daarover kun je blijven twisten, denk ik – volgens hoogleraar Barkhuysen valt het eronder (zie zijn tekst op internet: ‘Politieke participatie van discriminerende partijen: ondersteunen, gedogen of bestrijden?’). Dat onderdelen c en d niet nodig en niet wenselijk zijn, is iets anders dan dat ze niet met een verdragstekst te rechtvaardigen zijn.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: