Subsidieverlening in het onderwijs

door JAdB op 26/07/2017

in Bestuursrecht, Rechtspraak

De Islam en onderwijs. Een (voor juristen) interessante combi, als we af mogen gaan op de rechtspraak van de afgelopen paar weken. Vandaag heeft de Afdeling de staatssecretaris verplicht bekostiging te verstrekken aan een school die volgens de staatssecretaris niet zal kunnen voldoen aan haar subsidieverplichtingen, omdat het bestuur IS-sympathisant is. Van een dergelijke school kun je niet verwachten dat die leerlingen opleidt tot nette burgers, zoals de Wet op het voortgezet onderwijs voorschrijft in art. 17, aldus de staatssecretaris. De Afdeling vindt dat verhaal uiteindelijk te zwak onderbouwd. Dat is een feitelijke kwestie waarover nog genoeg zal worden geschreven. De zaak roept bij mij vooral vragen op over het systeem van subsidieverstrekking in het onderwijs, waarop ik hieronder in wil gaan.

De subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een standaardstramien: normaal gesproken wordt een subsidie aangevraagd voor een uit te voeren activiteit, de subsidie wordt daarna verleend, daarna wordt de activiteit uitgevoerd, en daarna wordt de afrekening gemaakt. Die afrekening vindt plaats in de vorm van de subsidievaststelling. Is alles goed gegaan, dan vindt de vaststelling plaats conform verlening. Is de subsidie verkwanseld, dan kan het zo zijn dat de subsidie lager wordt vastgesteld dan de verlening. Mogelijk moet de subsidie-ontvanger dan nog geld terugbetalen aan de subsidieverlener.

Dit stramien geldt niet in het onderwijsrecht. Scholen worden eenmalig in aanmerking gebracht voor subsidie (in onderwijsrechttaal: bekostiging). Dit wordt beschouwd als subsidieverlening. Vervolgens wordt, ieder jaar, voorafgaand aan het schooljaar, de subsidie van dat schooljaar vastgesteld. De vaststelling komt hier dus vóór de activiteit, in plaats van daarna. Na het schooljaar wordt overigens wel nog een afrekening gemaakt. Hebben zich malversaties voorgedaan, dan kan de vaststelling naar beneden worden bijgesteld (art. 4:49 Awb biedt daar de mogelijkheid toe). De te veel ontvangen subsidie/bekostiging dient dan te worden terugbetaald.

De Awb verbiedt dit systeem van bekostiging niet, maar het is wel een afwijking van hetgeen gebruikelijk is. Dat dit allerlei problemen oplevert, toont de in de inleiding genoemde uitspraak aan.

De zaak betrof namelijk de weigering van de vaststelling. Deze weigering werd gebaseerd op art. 4:35, eerste lid, onder b Awb: “De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen”. Aangezien het hier niet ging om de weigering van een verlening, maar van een vaststelling, lijkt deze weigeringsgrond helemaal niet toepasbaar. Dat voerde de school dan ook aan. Interessant is dat de Afdeling niet wenst in te gaan op dit bij uitstek juridisch-technische betoog en daarmee zichzelf misschien een mogelijkheid ontzegt om zich werk te besparen. Zij laat in het midden de vraag of art. 4:35 Awb van toepassing is, en oordeelt dat art. 4:35 – als dat van toepassing zou zijn – in casu geen grondslag voor weigering kon opleveren, om inhoudelijke redenen dus:

Daargelaten [zie ook p. 31-32 van de afscheidsrede van prof. F.C.M.A. Michiels, JADB] of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om bekostiging te verstrekken kan worden gebaseerd op artikel 4:35 van de Awb, is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gegronde reden, als bedoeld in deze bepaling, om aan te nemen dat niet door SIO aan de bekostigingsvoorwaarden zal worden voldaan.

De aanpak van de Afdeling is te begrijpen. Net zoals in de Zwarte Pieten-uitspraak kan het als onwenselijk worden beschouwd om een zaak, die de gemoederen al lang bezighoudt en waarbij een groot maatschappelijk belang betrokken is, af te doen op grond van een technische kwestie. Desalniettemin toont deze zaak wel aan dat het tijd wordt om het onderwijs-subsidierecht beter in de Awb in te passen. Er kan gemakkelijk gewerkt worden met jaarlijkse verleningen voorafgaand aan het schooljaar, en subsidievaststellingen achteraf. Daarmee kan een hoop gedoe worden voorkomen. Dit idee is trouwens niet nieuw.

 

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Rove (not Karl) 26/07/2017 om 15:26

Goed gezien.
Het viel mij op dat de Afdeling in het bijbehorende persbericht er uitdrukkelijk op wees dat er – naast het bekostigingsbesluit – ook een stichtingsbesluit noodzakelijk was, welk besluit al in 2011 was verleend. En dat de school gezien de zesjaarstermijn van de Wet op het voortgezet onderwijs uiterlijk op 1 augustus 2017 van start moet gaan. Dat is al over zes dagen! Dat roept de vraag op wanneer een school ‘van start’ gaat en vooral wat er gebeurt als de school niet tijdig van start kan gaan. Kennelijk heeft de Afdeling hier iets in gezien, wat de Afdeling niet in de uitspraak tegen het andere besluit kwijt kon, anders kan zo’n opmerking in het persbericht achterwege blijven…

Iemand een idee?

De letterlijke tekst (voor zover relevant) uit het persbericht luidt als volgt:

(…)
Naast een bekostigingsbesluit, waar het in deze zaak over gaat, is een stichtingsbesluit nodig. De staatssecretaris nam dit stichtingsbesluit al in juni 2011 waarbij hij SIO toestemming gaf om met bekostiging van het rijk een nieuwe islamitische middelbare school te stichten. Hiervoor had SIO met een leerlingenprognose aangetoond dat er voldoende belangstelling is voor de school. De Wet op het voortgezet onderwijs bepaalt vervolgens dat uiterlijk zes jaar na het stichtingsbesluit moet worden begonnen met het geven van onderwijs. Voor SIO betekent dit dat de school uiterlijk op 1 augustus 2017 van start moet gaan.

2 Willem van den Hagemot 27/07/2017 om 09:24

Het stichtingsbesluit werd eerder gevolgd door een intrekkingsbesluit, waartegen beroep was ingesteld. De staatssecretaris had daarbij een direct verband gelegd tussen niet bekostigen en het dus niet vóór 1 augustus kunnen starten, zodat het stichtingsbesluit ingetrokken kon worden. Dit intrekkingsbesluit was net op 4 juli door de voorlopige voorzieningenrechter geschorst. Dus de termijn van 1 augustus staat weer overeind als oorspronkelijke deadline. En het verband is hier dat nu desondanks niet de datum 1 augustus aan SIO kan worden tegengeworpen, maar wèl aan de staatssecretaris, die nu (in lijn met art.66,4 WVO) vóór 1 augustus moet komen met een positief bekostigingsbesluit. Dat bekostigingsbesluit schept zijn eigen juridische realiteit. De rechter snijdt dus zo heel nadrukkelijk de pas af naar alle soorten van escapes met verlopen termijnen of een niet gerealiseerde start in i.z.v. het stichtingsbesluit.

Wat betreft art.4:35 en 4:48 en het inhoudelijk kiezen voor ‘gegronde reden’ en niet voor deze beroepingsgrond als zodanig, het gaat hier om een bekostigingsbesluit en zou je dus art.4:45,1 verwachten, nadat voor eerste verlening art. 4:35 inderdaad een gepasseerd station is en intrekking ogv 4:48, al de revue was gepasseerd. Maar nadrukkelijk onomstreden is de inhoudelijke reden voor intrekking in het geding ten aanzien van de subsidieverlening als zodanig (niet het weigerings-, vaststellings- of bekostigingsbesluit). Daar staat dan onmiddellijk tegenover dat bij de vaststelling de inhoudelijke gronden van artikel 35 “in ieder geval” een rol kunnen spelen, hoewel een bekostigingsbesluit natuurlijk concreter en tijdelijker is van karakter.
Inhoudelijk was hoe dan ook de intrekkingsgrond onvoldoende concreet, onvoldoende individueel en onvoldoende waarschijnlijk tegenover voldoende medewerkingbereidheid van SIO.

zie ook: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91730

Reactie achterlaten

Vorige post: