Supermannen

door JAdB op 27/06/2009

in Haagse vierkante kilometer

Superman komt van de planeet Krypton. Daar is het heel gewoon om te kunnen vliegen (zelfs zo snel dat de tijd ermee kan worden teruggedraaid). Aardlingen beschikken helaas niet over superkrachten, wij moeten het doen met noeste arbeid en ons gezonde verstand. In Bibob-land – dat af en toe ook wel een buitenaardse planeet lijkt – denkt men daar echter anders over. Aan medewerkers van het Landelijk Bureau Bibob worden bovenmenselijke krachten toegekend, zo lijkt het.
Het Landelijk Bureau Bibob onderzoekt naar aanleiding van een verzoek van een bestuursorgaan of bijvoorbeeld een aangevraagde exploitatievergunning moet worden toegekend. Hiertoe wordt bekeken of er ernstig gevaar bestaat of de exploitatievergunning zal worden misbruikt door met behulp van de vergunning strafbare feiten te plegen of – kort gezegd – geld wit te wassen. Het doopceel van de aanvrager wordt hiertoe doorgelicht. Heeft hij strafrechtelijke antecedenten? Wie zijn zijn zakenpartners (geweest)? Hoe is de onderneming gefinancierd? Heeft hij grote sommen geld contant betaald (Wet MOT)? Zijn de zakenpartners van onweersproken gedrag? Lopen er strafrechtelijke onderzoeken naar de aanvrager of zijn voormalige zakenpartners? Is er nog een schuld bij de belastingdienst?
Aan de hand van deze vragen wordt beoordeeld of er gevaar bestaat dat de vergunningaanvrager zelf de vergunning zal gaan misbruiken, of dat er (criminele/criminogene) derden bestaan die een zodanige relatie met de vergunningaanvrager hebben dat moet worden aangenomen dat het deze derden zijn die de vergunning gaan misbruiken. De vergunningaanvrager is dan een soort stroman.

Lees verder

Om genoemde vragen te beantwoorden is veel informatie nodig. Het LBB vergaart deze informatie door aan verschillende instanties te vragen wat zij weten over de vergunningaanvrager en aanverwante personen. Zo krijgt het LBB informatie van het Centraal Justitieel Documentatiebureau, van de belastingdienst, het UWV, SIOD, FIOD, FIU-NL, de nationale recherche en ga zo maar door.
Om al deze informatie door te spitten is geen gemakkelijke klus. Om daaruit op te maken of er sprake is van ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning misbruikt zal gaan worden is nog moeilijker. Vrijwel onmogelijk is het om te controleren of de aangeleverde informatie volledig is. Het LBB doet namelijk geen eigen onderzoek in de dossierkasten van de verschillende instanties. Het is afhankelijk van wat het aangeleverd krijgt. Het komt dan ook met grote regelmaat voor dat een Bibob-advies onvolledig is. Belangrijke informatie ontbreekt. Zo kan het voorkomen dat een storting van een grote som geld op de rekening van de aanvrager door iemand die niet van onweersproken gedrag is, wél bij het LBB bekend is, maar dat het feit dat de aanvrager deze som weer heeft teruggestort niét bij het LBB bekend is.
Op het onderzoek van het LBB valt reeds daarom al het één en ander aan te merken. Een ander punt van kritiek is dat de identiteit van de onderzoekers onbekend blijft. Voor de aanvrager is het dus niet na te gaan of degene(n) die aan de hand van de aangeleverde informatie wel capabel genoeg zijn om die informatie te lezen. Het gaat vaak om specialistische informatie, waar vakkennis voor is vereist. Denk aan informatie uit opsporingsonderzoeken, vennootschapsrechtelijke informatie, belastingperikelen etc.
Daarnaast is het nog eens zo dat de broninformatie (waaruit het LBB zijn conclusies trekt, en soms uit citeert) voor de aanvrager en voor het bestuursorgaan dat het advies aanvraagt vaak niet inzichtelijk is. Of het LBB de juiste conclusies trekt is dan ook niet te controleren. Ook is hierdoor onduidelijk welke informatie het LBB tot zijn beschikking heeft gehad. Is alle aangeleverde informatie wel benut?
Mijn laatste punt van kritiek dat ik hier wil bespreken betreft de begeleiding van het LBB. Daartoe is oorspronkelijk een begeleidingscommissie ingesteld. Die zou een aantal keer per jaar bijeen moeten komen om de kwaliteit van de afgeleverde adviezen te beoordelen en aan te geven waar het beter kan. Dit alles is geregeld in op grond van de Wet Bibob vastgestelde regelgeving. Ondanks deze toegekende taak, heeft de begeleidingscommissie – samen met de minister van justitie, die dit in een brief aan de kamer heeft medegedeeld – zelf besloten dat aan die taak geen behoefte meer bestond. De begeleidingscommissie fungeert thans nog slechts als klankbordgroep. Aldus is een belangrijk deel van de externe kwaliteitstoetsing van de advisering van het LBB weggevallen.
Ondanks voornoemde kritiek wordt het waarheidsgehalte van Bibob-adviezen zeer hoog geacht. Standaardoverweging van de Afdeling is:
Zoals werd overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007, nr. 200606025/1 (AB 2007, 357), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is en dat de feiten de conclusies kunnen dragen.
Het Bibob-advies is dus in beginsel juist, tenzij uit de vergewisplicht volgt dat aan de juistheid moet worden getwijfeld. Juist vanwege de hierboven genoemde kritiekpunten heeft het bestuursorgaan vaak te beperkte mogelijkheden om zich te vergewissen van de juistheid van het advies. Het komt dan ook regelmatig voor dat het bestuursorgaan tegen de rechter moet zeggen: ik weet het ook niet, maar als het LBB het zegt dan zal het wel kloppen. Als de vergunningaanvrager dan niet iets naar voren kan brengen waaruit de onjuistheid van het advies blijkt, dan zal ook de rechter het advies volgen (tenzij het echt aperte onjuistheden bevat). Voor de vergunningaanvrager is het moeilijk om tot een dergelijke bewijsvoering te komen, omdat het Bibob-advies vaak steunt op informatie over derden waarmee de vergunninghouder niets te maken heeft (of althans stelt er niets mee te maken te hebben).
Daar komt nog bij dat in een groot deel van de gevallen het LBB concludeert dat de vergunningaanvrager weliswaar ‘schoon’ is, maar dat hij een stroman is voor derden die wel iets op hun kerfstok hebben. Het LBB concludeert dit uit informatie met betrekking tot de relatie tussen de aanvrager en deze derden. Vaak is deze informatie oncontroleerbaar omdat ze afkomstig is van anonieme getuigen. Ook komt het voor dat de informatie op zichzelf wel klopt, maar dat de interpretatie die daaraan wordt gegeven doorslaggevend is. Bijvoorbeeld: kun je een huurder die een omzetafhankelijke huur afdraagt nog los zien van de verhuurder? Of moet de huurder geacht worden deel uit te maken van de onderneming van de verhuurder?
In dat soort gevallen komt het dus aan op een interpretatiekwestie. Welke interpretatie de juiste is, kan eigenlijk niemand zeggen. Vaak wordt er in dat soort gevallen voor gekozen om de interpretatie van het LBB voor juist te houden, mede gelet op bovengenoemde jurisprudentie.
Aan het LBB-advies komt dus een status-aparte toe. De juistheid daarvan staat in beginsel vast. Toch valt daar, zo heb ik hopen aan te tonen, nog het nodige op af te dingen. De bovenmenselijke status van het werk dat de medewerkers van het LBB afleveren, is niet terecht. Daar moet ook niet van uit worden gegaan. Superman bestaat niet.
Er dienen dan ook meer waarborgen te worden gecreëerd, zodat het advies beter controleerbaar wordt. Gedacht kan worden aan openbaarmaking van de namen van de onderzoekers. De broninformatie, afkomstig van bijvoorbeeld de politie of de belastingdienst, zou bij het advies moeten worden gevoegd. De begeleidingscommissie moet weer een echte rol krijgen. Openheid is hier het sleutelwoord. Dat komt de kwaliteit van de adviezen ten goede.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: