Symboolpolitiek

door SV op 06/11/2009

in Haagse vierkante kilometer

In 1954 kampeerden twee groepen van elk 12 jongens in de bossen bij Robber’s Cave, Oklahoma. Het betrof een experiment. Iedere groep kreeg groepsopdrachten en zie, een groepsgevoel ontstond, inclusief zelfverzonnen groepsnamen en vlaggen. Zolang de groepen ieder een eigen doel hadden, bestond een grote animositeit tussen de groepen. Dit werd niet minder door het intensiveren van contact tussen de groepen. Pas toen een groepsoverstijgend doel wel gecreëerd, kwamen de twee groepen samen.

Ik moest aan dit experiment denken toen ik leerde van de invoering van het Rijksbrede logo. Op termijn moet dit alle logo’s van ministeries en anders rijksbestuursorganen vervangen. Dit gebeurt in fases: de websites van de ministeries van Justitie en OCW zijn al ten prooi gevallen, LNV houdt nog dapper stand.

Economies of scale zullen niet of nauwelijks optreden bij het inkopen van papier. Mijn bronnen melden mij dat veel ministeries nog steeds bezig zijn uit te vogelen hoe het voorgedrukte papier nu in de printer moet worden gelegd. Waarom dan wel? De informatiewebsite stelt dat dit enerzijds het beeld van de overheid als een wirwar van instanties moet opheffen, en anderzijds ervoor zorgt dat overheidsinstanties zich minder als concurrenten positioneren. Beide argumenten overtuigen niet geheel. Het lijkt onwaarschijnlijk dat burgers in de war raken tussen de belastingdienst en de NMa. Goed mogelijk is zelfs dat als duidelijk wordt hoe groot de overheid is, dit tot verontwaardiging leidt. Ook kan een negatief imago van één rijksinstantie makkelijk afstralen op een andere instantie. Uit het Robber’s Cave experiment blijkt dat logo’s een gevolg zijn van groepsidentiteit. Een logo veranderen om de onderlinge concurrentie te verminderen is als het paard achter de wagen te binden.

Dat geldt uiteraard ook voor dit stukje. Rest slechts een adieu aan de wirwar van prachtige logo’s.

Vorige post:

Volgende post: