Tast de Raad voor Cultuur de democratie aan?

door Ingezonden op 03/05/2011

in Haagse vierkante kilometer

De Raad voor Cultuur stelt in zijn recente advies dat er sprake is van een zoektocht naar een nieuwe legitimering voor de overheidssteun aan kunst en cultuur. Volgens de Raad is er sprake van legitimering daarvoor als een kunstenaar of kunstinstelling heeft bewezen een publiek voor zijn product te kunnen interesseren. Die legitimering gaat op voor alle kunsten: er is altijd wel een publiek.

Vervolgens stelt de raad de kunsten van belang zijn voor de democratie. De raad formuleert een beroep op typisch democratische waarden als openheid, experiment, diversiteit en confrontatie (innovatie in markttermen), die draaien om vrijheid, vrijheid van meningsuiting en expressie. Kennelijk bedoelt de raad aan te geven dat de vrijheid van expressie een van de bouwstenen van de democratie is. Voor een grondrecht als de vrijheid van expressie geldt wat voor grondrechten in het algemeen geldt. De overheid hoort de uiting toe te laten, te beschermen en te bevorderen. Het cultuurbeleid hoort daarop gericht te zijn en vindt dan in een democratische waarde zijn legitimatie. Toetsen van het beleid aan deze beginselen, laat echter niet zien dat het actuele beleid daarop is gericht. Het beleid is gericht op het afstoten van beleid aan de markt, zonder een inschatting te geven wat de gevolgen daarvan zijn voor het grondrecht van de vrijheid van expressie. Op veel beleidsgebieden komt men daarvan terug, maar bij het cultuurbeleid wordt het marktdenken verhevigd ingezet.

De raad gaat nog een stapje verder. Hij zegt dat het tot de taak van de kunsten zelf behoort om een zelfkritische discussie te voeren over ‘onze culturele identiteit’. De idee van de autonomie zou moeten worden verlaten en moeten plaats maken voor een inherente bijdrage die de kunsten leveren aan de democratie en het democratische bestel. Dat is hopelijk een verschrijving. Het zou immers betekenen dat de een van de toetsingscriteria voor de vraag of kunsten kunnen worden ondersteund door de overheid, de bijdrage aan de democratie en het democratische bestel zou zijn. De raad zou dan het zoveelste criterium aan de waardering van de prestaties van kunstenaars en kunstinstellingen hebben toegevoegd. Naast het ondernemerschap, de aantrekkelijkheid voor het publiek, regionale spreiding en de deelname van minderheidsgroepen, zou de democratische bijdrage een plaats krijgen. De raad stelt bovendien een eis aan de aard van de te maken kunst: zij moet gericht zijn op het democratische bestel en het beroep op de autonomie gaat niet langer op. Daarmee wordt de aard van de kunsten ondergraven en eigenlijk ook de waarde van de bijdrage van de kunsten aan de democratie. De koppeling is gewoon te direct. De redenering loopt immers anders. Het uiten van meningen draag bij aan de democratische gedachtevorming, maar dat wil niet zeggen dat het ontwikkelen van gedachten op de democratie zou moeten zijn gericht. Je zou toch veel gedachten niet meer verder kunnen ontwikkelen als je je direct zou moeten afvragen of je daarmee de democratie verder helpt. Het is juist de autonome gedachteontwikkeling die voor het beginsel van de democratie van belang is en waarbij sommige denkbeelden uiteindelijk direct voor de democratie van belang kunnen zijn. Dat geldt net zo, en wellicht sterker, voor de vrijheid van artistieke expressie. De raad lijkt zo, in een beweging, zowel de vrijheid van kunst als de democratie aan te tasten. Die laatste gaat er immers onder lijden als er geen vrije ideeën meer zijn. De raad lijkt het dan ook niet zo te bedoelen. In de laatste zinnen wordt het accent weer volledig op de vrijheid van expressie gelegd. Daarbinnen zijn kunstenaars uiteraard vrij om niet meer in het maken van autonome kunst te geloven, maar dat is aan hen, ieder voor zich.

De raad schakelt ook teveel de kunstenaars en de kunstinstellingen op een lijn. Van de kunstinstellingen kan een directere oriëntatie op de democratie worden gevraagd. Niet van de kunstenaars, daargelaten dat het werk van sommige kunstenaars een directe democratische oriëntatie kan hebben.

Het zou natuurlijk heel goed zijn dat het kabinet zou erkennen dat de vrijheid van kunst moet worden gerespecteerd, beschermd en bevorderd met het oog op de democratische waarden. Die impliceren ook dat het publiek kennis moet kunnen nemen van wat de kunsten te bieden hebben. Loop je het lijstje ‘consequenties’ van de raad na, dan moet toch worden gezegd dat bij het toetsen van de voorstellen op ‘democratische bijdrage’ de toets negatief uitvalt. Immers de raad stelt dat het aanbod minder toegankelijk wordt, dat het aanbod zal verschralen en  dat de innovatie terugloopt (naast andere nadelen).

Je zou dan nog kunnen zeggen dat de voorstellen zouden moeten worden uitgevoerd vanwege het grotere democratische belang: de bezuinigingen. Wat deze bezuinigingen opleveren, is niet duidelijk gemaakt. Er verdwijnt veel werkgelegenheid. Dat leidt ertoe dat er veel mensen in de bijstand komen. Het bijstandsbedrag ligt voor veel kunstenaars op ongeveer hetzelfde niveau als ze verdienen, maar straks ze mogen niet meer werken. De WWIK kende lagere uitkeringen dan de bijstand en leidde tot werk. Er moet tenminste worden duidelijk gemaakt dat het weghalen van het geld niet leidt tot extra-kosten elders die vergelijkbaar zijn met het bezuinigde bedrag, terwijl het aanbod verschraalt.  Democratisch bestuur onderbouwt zijn beleid.

Inge van der Vlies, hoogleraar Kunst en Recht

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: