Tegenspraak in conclusie AG in SGP-zaak

door Redactie op 08/01/2010

in Rechtspraak

Post image for Tegenspraak in conclusie AG in SGP-zaak

Op 27 november jl. gaf advocaat-generaal Langemeijer zijn conclusie in de SGP-zaak: in het cassatieberoep van de Staat en in het zelfstandige cassatieberoep van de SGP.

In het cassatieberoep van de Staat schrijft de a-g, dat na de statutenwijziging van de SGP in 2006 direct onderscheid naar geslacht is vervangen door indirect onderscheid naar geslacht. Dat is evenwel niet feitelijk aangetoond. Ook is niet aangetoond dat dit indirecte discriminatie oplevert. In het zelfstandige cassatieberoep van de SGP geeft de a-g aan, weliswaar impliciet, dat na de statutenwijziging toch sprake is van direct onderscheid. Beide conclusies houden een tegenspraak in: de beginselen van de SGP zijn tegelijk opvattingen en juridisch bindende regelingen. Opvattingen zijn meningen, regelingen zijn formele gedragingen. Bijvoorbeeld een statutaire gedraging overeenkomstig een gehuldigde principiële mening van een vereniging. En om nu juist dat verschil gaat de SGP-zaak. Het directe onderscheid blijkt na de statutenwijziging slechts met een besluit te zijn geregeld.

Indirect onderscheid
In het cassatieberoep van de Staat gaat de a-g met het hof uit van de volgende feiten (mijn cursivering):

“Van het Program van Beginselen zijn met name van belang de artikelen 7 en 10. De hierin neergelegde opvatting pleegt te worden aangeduid als het `vrouwenstandpunt’ van de SGP. Mede naar aanleiding van de notitie ‘Man en vrouw schiep Hij hen’ heeft de algemene ledenvergadering van de SGP op 24 juni 2006 besloten de statuten van de partij zodanig te wijzigen dat daarin geen rechtstreeks onderscheid meer wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen. Sinds deze statutenwijziging kunnen vrouwen op gelijke voet met mannen (gewoon) lid worden van de SGP. Gehandhaafd is, dat vrouwen zich niet verkiesbaar kunnen stellen voor algemeen vertegenwoordigende organen. Slechts personen die de grondslag en doelstelling van de SGP onderschrijven, daaronder begrepen het Program van Beginselen, kunnen lid worden van de partij (15).”

Waar bij de a-g staat “geen rechtstreeks onderscheid”, staat in de uitspraak van het hof “op geen enkele wijze onderscheid”. De a-g geeft in noot 15 de volgende toelichting:

“Men zou kunnen zeggen dat met de statutenwijziging het directe onderscheid tussen mannen en vrouwen, dat vrouwen geen (gewoon) lid van de partij mogen worden, is vervangen door een indirect onderscheid. De eis dat kandidaten de beginselen onderschrijven heeft in feite tot gevolg dat vrouwen niet kunnen worden geplaatst op kandidatenlijsten van de SGP voor verkiezingen van algemeen vertegenwoordigende organen.”

Als sprake is van indirect onderscheid, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De eerste is dat de eis in de statuten sekseneutraal is geformuleerd. De eis aan (leden en daarmee) kandidaten tot het onderschrijven van de beginselen, waaronder de daarin neergelegde opvatting die kortweg luidt dat aan de vrouw het passief kiesrecht niet toekomt, is inderdaad sekseneutraal geformuleerd. Dat wil zeggen, dat voor het antwoord op de vraag of is voldaan aan de eis, niet wordt gekeken naar het man- of vrouw-zijn van de aspirant-kandidaat. Er wordt gevraagd of de aspirant-kandidaat de opvattingen huldigt: stemt u in met de opvattingen (zonodig met de hand op de bijbel)? De tweede voorwaarde is dat de eis disproportioneel of systematisch meer vrouwen nadelig treft dan mannen. Dat wil zeggen, dat meer vrouwen dan mannen niet voldoen aan de eis tot het onderschrijven van de opvatting dat aan de vrouw het passief kiesrecht niet toekomt. Feiten heeft het hof daarover echter niet vastgesteld en de a-g ook niet. Voor de duidelijkheid: vrouwen en mannen die deze opvatting wel onderschrijven worden uiteraard niet nadelig getroffen door die eis. Terzijde: vrouwen die de opvatting onderschrijven kiezen ervoor, dat is welbekend (en vrij logisch), zich niet kandidaat te stellen, ze kiezen ervoor zich overeenkomstig de onderschreven opvatting te gedragen.

Geen indirecte discriminatie
Als we aannemen dat sprake is van indirect onderscheid, dan kan de eis een legitiem doel hebben, en voor dat doel passend en noodzakelijk zijn. Dan is het indirecte onderscheid objectief en redelijk gerechtvaardigd en is er geen sprake van indirecte discriminatie. Het doel van die eis is dat de SGP haar opvattingen eenduidig en daarmee geloofwaardig kan uitdragen in algemeen vertegenwoordigende organen. Het oordeel van het hof hof impliceert dat dit doel legitiem is:

“Zij wordt door de inmenging niet belet om, bijvoorbeeld, zelf te bepalen hoe zij de samenstelling van de kandidatenlijsten organiseert en welke politieke standpunten de kandidaten bij afvaardiging kunnen uitdragen. Ook de SGP-leden die het van de in Nederland heersende opvatting afwijkende denkbeeld huldigen dat aan vrouwen het passief kiesrecht niet toekomt, kunnen zich laten vertegenwoordigen, omdat de kandidaten niets in de weg wordt gelegd om dit standpunt tijdens de verkiezingen en in de vertegenwoordigende organen uit te dragen”.

De eis is ook passend en noodzakelijk. Mag de SGP die eis niet stellen, dan is de vrijheid van meningsuiting van de SGP in het geding op een wijze die het hof niet heeft meegewogen. De SGP zou dan kandidaten op de lijst moeten plaatsen die niet de opvatting van de SGP over de vrouw uitdragen in algemeen vertegenwoordigende organen. Denk aan de Partij voor de Dieren die ook de opvatting zou moeten uitdragen dat de plezierjacht niet verwerpelijk is. De eis aan (leden en aan) aspirant-kandidaten voor de kandidatenlijst tot het onderschrijven van beginselopvattingen is begrijpelijkerwijs een standaardeis bij politieke partijen. Dat niet iederen binnen een partij de beginselopvattingen onderschrijft is niet relevant. Relevant is dat een partij bepaalt welke opvattingen worden uitgedragen door kandidaten op de kieslijst.

Het hof heeft evident niet getoetst op indirecte discriminatie, maar op directe discriminatie:

“De SGP voorkomt effectief dat vrouwen zich verkiesbaar kunnen stellen voor de vertegenwoordigende colleges. Het onderscheid tussen mannen en vrouwen uitsluitend vanwege hun geslacht wordt door de SGP ook beoogd. Dat voor dit verschil in behandeling een objectieve rechtvaardiging bestaat is door geen van de partijen aangevoerd. Voor zover de SGP voor dit onderscheid een rechtvaardiging poogt te zoeken met haar betoog dat in de opvatting van de SGP man en vrouw gelijkwaardig zijn maar een verschillende roeping hebben, faalt deze poging. Het betreft hier geen objectieve rechtvaardigingsgrond maar een door religieuze motieven ingegeven overtuiging”.

Tegenspraak
In het cassatieberoep van de Staat schrijft de a-g dat in het Program van Beginselen in de artikelen 7 en 10 een opvatting is neergelegd. In het zelfstandige cassatieberoep van de SGP schrijft de a-g evenwel dat mannen en vrouwen die lid zijn van de SGP zijn onderworpen (mijn cursivering)

“aan alle regels die krachtens het verenigingsrecht (Boek 2 BW) binnen deze vereniging gelden, waaronder het Program van Beginselen”.

De beginselen zijn bij de a-g ineens regels, of liever ‘regelingen’, waaraan leden juridisch zijn onderworpen. Bij de a-g zijn de beginselen opvattingen enerzijds, en juridisch bindende regelingen anderzijds: dat is een tegenspraak. Opvattingen zijn meningen, maar regelingen zijn formele gedragingen, bijvoorbeeld een statutaire gedraging overeenkomstig een principiële mening van een vereniging. De SGP mag haar mening over vrouwen uitdragen, maar mag zich niet overeenkomstig die mening gedragen, zo oordeelde dan ook het hof.

Besluit
Maar wat is het nu? Zijn de beginselen opvattingen, hetgeen geen indirecte discriminatie oplevert, of zijn de beginselen regelingen waaraan leden juridisch zijn gebonden, hetgeen wellicht directe discriminatie oplevert? Het laatste is het geval en levert directe discriminatie op.
Uit de door de a-g en het hof genoemde notitie van de SGP “Man en vrouw schiep hij hen” blijkt, dat de algemene ledenvergadering van de SGP naast de statutenwijziging ook het besluit heeft genomen dat de beginselen geen opvattingen zijn, maar regelingen voor de leden zijn. De vergadering stemde namelijk in met het voorstel, na extern juridisch advies, dat het Program van Beginselen “objectief recht” is voor de leden. Daarmee zijn de beginselen, net als Boek 2 BW en de statuten, regelingen waaraan de leden juridisch zijn gebonden, althans dat beoogt de SGP. Voor de SGP zijn de leden juridisch gebonden aan het Program van Beginselen waaronder de regeling dat vrouwelijke leden het passief kiesrecht namens de SGP in de algemeen vertegenwoordigende organen niet is toegekend. De a-g schrijft in het cassatieberoep van de Staat, evenals eerder het hof, bij de feiten dus ten onrechte, en op grond van het bovengenoemde gedingstuk abusievelijk (mijn cursivering):

“In de visie van de SGP zijn de leden van de partij juridisch gebonden aan het Program van Beginselen en aan de daaruit voortvloeiende opvatting dat aan vrouwen het passief kiesrecht in de algemeen vertegenwoordigende organen niet toekomt”.

De directe discriminatie is dus geregeld met een besluit, want met dat besluit zijn de artikelen 7 en 10 van het Program Beginselen niet een opvatting over de vrouw, maar en ondanks de redactie van die beginselen, een regeling voor de leden, waarin rechtstreeks onderscheid wordt gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke leden.
Met dat besluit is de regeling in de statuten tot het onderschrijven van het Program van Beginselen dus ogenschijnlijk sekseneutraal geformuleerd, en is sprake van directe discriminatie. De regeling dat leden de beginselen onderschrijven luidt uitgeschreven dat leden de regeling onderschrijven dat vrouwelijke leden het passief kiesrecht namens de SGP in de algemeen vertegenwoordigende organen niet is toegekend. De regeling in de statuten tot het onderschrijven van de beginselen voorkomt in feite, dat de beginselen, als regelingen wel te verstaan, in strijd zijn met de statuten.
Zonder dat besluit zijn de statuten sekseneutraal geformuleerd, en is er geen sprake van directe discriminatie, en zoals beargumenteerd, ook niet van indirecte discriminatie.

Noot
Hoe de SGP het directe onderscheid heeft geregeld is uitgebreid uiteengezet in mijn artikel “Staat en SGP” in het tijdschrift ‘Openbaar Bestuur’, Kluwer, 2009-6/7, p-14-18. De a-g verwijst in noot 19 in het cassatieberoep van de Staat naar dit artikel. De a-g merkt daarbij op: “NB: de door Kooijman besproken vraag of het besluit van een orgaan van de SGP vernietigd kan worden, is in dit cassatiegeding niet aan de orde gesteld”. De genoemde vraag was overigens of het niet ambtshalve nietig verklaren door het hof van het besluit van de SGP in het geding bij de Hoge Raad een rol kan spelen. Gezien de nu bekende cassatiemiddelen lijkt dat uitgesloten.

Rob Kooijman
Zie ook recht.nl en rechtennieuws.nl

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: