The Federalist Papers No. 10: The Utility of the Union as a Safeguard Against Domestic Faction and Insurrection (continued)

door GB op 05/10/2009

in Varia

In paper nummer 10 neemt Madison de pen over voor een essay dat gerekend wordt onder de belangrijkste papers. Het gaat over de gevaren van ‘partijvorming’ in het algemeen. Madison heeft het over ‘factions’: groepen burgers ‘united and actuated by some common impulse of passion, or of interest, adversed to the rights of other citizens, or to the permanent and aggregate interests of the community.’

Een dergelijke faction kan gevaarlijk zijn. Want als ze het voor het zeggen krijgen, dan drukken ze hun deelbelangen door, ook als die niet in het algemeen belang zijn of ten koste gaan van individuele rechten. De vraag is: hoe dat te voorkomen.

De meest effectieve manier is natuurlijk om groepsvorming überhaupt tegen te gaan. Gewoon één grote gezellige gezamenlijke partij vormen, zoals ze in China proberen. Maar als je dat doet, dan gaat dat ten koste van de vrijheid. Madison gebruikt daarvoor een sterk beeld:

Liberty is to faction what air is to fire, an aliment without which it instantly expires. But it could not be less folly to abolish liberty, which is essential to political life, because it nourishes faction, than it would be to wish the annihilation of air, which is essential to animal life, because it imparts to fire its destructive agency.

Maar de uiteindelijke verdediging van het bestaan van factions gaat dieper, die ligt in ‘the nature of man’: ‘reason of man is fallible’, dus niemand kán claimen dat hij het Grote Gelijk over het algemeen belang op zak heeft. Dat lijkt een beetje op de fundering van de vrijheid van meningsuiting door Mill: omdat iedereen het mis kan hebben, mag niemand de mond gesnoerd worden.

Kortom: een samenleving waarin zowel vrijheid als verschillen bestaan tendeert naar een constante twist over van alles en nog wat. Dat kunnen lullige details zijn, maar ook harde ecomische belangen. Een bezitloze heeft nu eenmaal een sterk ander belang dan de grootgrondbezitter. Dat moet op een of andere manier door die ene deur van de More Perfect Union geperst worden.

Nu het bestaan van factions dus een gegeven is, verlegt de aandacht zich naar de vraag hoe de negatieve effecten van dergelijke partijvorming kunnen worden tegengegaan. En dan vooral: hoe te voorkomen dat een deelbelang de meerderheid krijgt om dit deelbelang ten koste van de minderheid door te drukken. Madison verwacht heil van twee eigenschappen van een ideale staat: een regeringsvorm moet niet te direct democratisch zijn, en een staat moet niet te klein zijn.

Over directe democratie is Madison sowieso niet heel enthousiast. Er kleeft namelijk het gebrek aan dat de burgers rechter in eigen zaak zijn. En dat gaat zelden goed. Verder zijn directe democratieen om praktische redenen alleen mogelijk zijn kleine staten. Daar is een deelbelang snel een meerderheidsbelang en dus een gevaar voor minderheden en het algemeen belang. Madison, en de Federalist Papers, wijken hierin overigens af van de traditie waarin Montesquieu stond. Die traditie achtte de voor een democratie noodzakelijke deugden alleen mogelijk in kleine staten waarin mensen elkaar kenden en de de dingen konden overzien. In de Federalist Papers worden die kleine democratische staten juist gevaarlijk geacht. In plaats van vooral te steunen op de deugdzaamheid van de politici als waarborg tegen de dictatuur van de meerderheid (zoals de klassieke traditie deed), wilden de Founding Fathers een systeeem ontwerpen waarin de kans dat zich zoiets zou voordoen werd aangepakt.

Vormen van representatieve (en deliberatieve) democratie (Madison noemt dat een ‘republic’) bieden kansen om partijvorming tegen te gaan. Representatie zuivert veel eigenbelang weg bij de verkiezing van een volksvertegenwoordiging. Natuurlijk bestaat er ook de dreiging dat een volksvertegenwoordiger via slinkse wegen verkozen wordt en als zodanig veel meer kwaad kan aanrichten dan hij als kiezer had gekund. Maar de kans daarop kan verkleind worden als de staat voldoende groot is. Bovendien zijn de belangen in een grote staat uit de aard der zaak meer versplinterd dan in een kleine staat. Zodat de kans dat een deelbelang de meerderheid haalt ook weer afneemt.

De omvang van de staat is een soort optimum, aldus Madison. Er moet een minimaal aantal volksvertegenwoordigers zijn. Een parlement van drie personen schiet niet op, en is bovendien gevaarlijk. Maar in een kleine staat is het aantal beschikbare en geschikte parlementariers beperkt. In een grotere staat is dat beter. Dat alleen al pleit voor een grotere staat. Verder zal in een kleine staat het aantal kiezers per district kleiner zijn, omdat er nu eenmaal minder burgers zijn en er toch een minimum aantal parlementszetels moet worden gevuld. Kleine districten zijn echter gevoeliger voor gecorrumpeerde verkiezingen dan grotere. Omdat het moeilijker is om veel mensen te bedonderen dan om er een paar te bedonderen. Dus ook dat pleit voor een grotere staat. Een staat is echter weer te groot als het aantal volksvertegenwoordigers onwerkbaar wordt, of de kiesdistricten te groot worden om nog van een zekere feeling tussen kiezers en gekozenen te spreken.

Uiteraard past juist de voorgestelde constitutie, met verschillende bestuurslagen, ultiem in deze theorie: hence, it clearly appears, that the same advantage which a republic has over a democracy, in controlling the effects of faction, is enjoyed by a large over a small republic,–is enjoyed by the Union over the States composing it.

De grote uitdaging van de Founding Fathers was een constitutie te ontwerpen die partijvorming zou ontstijgen. De geschiedenis heeft laten zien dat dat niet helemaal gelukt is. De papers over de presidentsverkiezing bieden echter beter illustratiemateriaal voor de oorzaken daarvan.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: