The West-Indian Question

door Ingezonden op 28/01/2011

in Haagse vierkante kilometer

In NRC Handelsblad van 26 januari 2011 stelt prof. Elzinga dat de aanstaande Provinciale Statenverkiezingen onrechtmatig en in strijd met de Grondwet zijn. Wie regelmatig op deze blog langskomt is goed geïnformeerd over de BES-eilanden, het probleem waar professor Elzinga het over heeft, de voorlopige omgang daarmee door de wetgever, en de recente uitspraak van het Hof. Hier een voorzichtige poging om de belangrijkste punten samen te vatten, onder het motto: àls ik het goed heb, dan zit het zo…

In de Grondwet staat in artikel 4 dat alle Nederlanders gelijkelijk recht hebben hun vertegenwoordigende organen te kiezen. Niet dus, merkt professor Elzinga terecht op: de Nederlandse ingezetenen van het Europese gedeelte van Nederland mogen indirect de Eerste Kamer kiezen, de Nederlanders op de BES-eilanden niet. Dat is inderdaad oneerlijk.

Wie het stuk van professor Elzinga leest kan de indruk krijgen dat het kabinet het kiesrecht voor de Nederlanders in de West roekeloos in de prak heeft gereden. Niets is echter minder waar. Na veel wikken en wegen hebben regering en parlement gezamenlijk besloten om het voorlopig maar zo te doen als het nu is geregeld: geen indirect kiesrecht voor de eilandbewoners. Hoe kwamen ze daarbij?

De Grondwet bepaalt in artikel 129 dat de Nederlandse ingezetenen van een provincie hun Provinciale Staten kiezen. De leden van Provinciale Staten kiezen dan op hun beurt weer de Eerste Kamer, dat staat in artikel 55. De bedoeling is duidelijk: alle Nederlanders in Nederland kiezen indirect de Eerste Kamer. Maar toen kwam er op 10 oktober afgelopen jaar een stukje Nederland bij dat niet tot een provincie behoort: de BES-eilanden.

Dat de kiezers op de BES-eilanden niet voor Provinciale Staten stemmen is niet zo gek, ze hebben daar geen provincie. Met de aanstaande verkiezingen van Provinciale Staten is dan ook, in tegenstelling tot wat professor Elzinga beweert, helemaal niets mis. Die zijn eerlijk en volgens de Grondwet geregeld. Het is de aanstaande verkiezing van de Eerste Kamer waar het probleem hem in zit: de Nederlanders op de BES-eilanden hebben geen kiesmannen die daaraan meedoen.

Het eerste idee van het kabinet was om dan maar de leden van de eilandsraden mee te laten stemmen bij de verkiezing voor de Eerste Kamer. Dat zou de geest van de Grondwet recht hebben gedaan. Maar de letter niet, er staat immers heel duidelijk dat de leden van Provinciale Staten de Eerste Kamer kiezen en dus niemand anders. Een moeilijk te beantwoorden vraag: is het belangrijker dat de wet in overeenstemming is met de geest van de Grondwet of met de letter? De Tweede Kamer vond toen dat men geen wet kon maken die eenduidig tegen een ondubbelzinnige bepaling van de Grondwet indruist. Vandaar: voorlopig geen indirect kiesrecht voor de Nederlandse eilandbewoners, eerst moet er een wijziging van artikel 55 van de Grondwet komen.

In tegenstelling tot wat professor Elzinga lijkt te suggereren was dit plan van de regering toch al niet ideaal. Dat kwam omdat men nog steeds niet wil dat vreemdelingen enige invloed op de samenstelling van de kamers hebben. Ik als Duitser in Nederland mag uiteraard niet voor de Tweede Kamer stemmen, maar dus ook niet op Provinciale Staten hier in Noord-Holland, want dan zou ik immers indirect ook de Eerste Kamerleden mee kiezen. Kleine troost: Nederlanders in Duitsland mogen lekker ook niet aan de verkiezingen van de deelstatelijke parlementen meedoen, dus we steken gelijk over. Voor de gemeenteraad van Amsterdam en de deelraad in West, waar ik woon, mag ik wel stemmen. Europese en internationale verdragen garanderen mij dat recht, net zoals het ook Nederlanders in Duitsland toekomt.

In het plan van de regering zat daarom een problematisch detail: in geen geval mochten voortaan nog niet-Nederlanders aan de eilandsraadsverkiezingen meedoen. Die bepaling is, zoals professor Elzinga vermeldt, laatst voor de rechter gesneuveld. Zeker nu de eilandsraadsleden toch niet voor de Eerste Kamer stemmen, is er geen rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling van Nederlanders en niet-Nederlanders. De rechter heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of dit later, wanneer het kiesrecht voor de Eerste Kamer er wel komt, alsnog een goede reden voor verschil kan zijn. Zo ja, dan wordt dus niet-Nederlanders op de BES-eilanden het kiesrecht voor hun lokale volksvertegenwoordiging ontnomen, terwijl niet-Nederlanders hier in het Europese gedeelte van Nederland wel op hun gemeenteraad mogen stemmen. Zo nee, dan krijgen de niet-Nederlanders op de BES-eilanden invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer, terwijl buitenlanders tussen Vlieland, Vlissingen en Vaals die invloed niet hebben.

De toekomst zal uitwijzen hoe dit verhaal verder gaat. De suggestie van professor Elzinga dat er door het kabinet roekeloos met het kiesrecht van de Nederlanders in de West is omgesprongen en dat er een makkelijke oplossing voor het probleem is, lijkt mij in ieder geval zeer onterecht.

Ik kan maar één makkelijke oplossing verzinnen. De Lord Chancellor schijnt in 1998 al over de West-Lothian Question te hebben gezegd: “The best answer to the question is to stop asking it”. Maar dat zijn we op deze blog vast niet van plan.

Bastian Michel, student staatsrecht Universiteit van Amsterdam

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 Marijn van der Sluis 29/01/2011 om 13:08

Was dit probleem er niet ook al bij het Openbaar Lichaam Zuiderlijke IJsselmeerpolders (1955-1986)? Ook toen vielen de inwoners van het openbare lichaam niet onder een provincie en konden zij niet indirect kiezen voor de Eerste Kamer. Dit is pas in 1986 opgelost door de instelling van de Provincie Flevoland.
Hopelijk komt de (grond)wetgever nu sneller met een oplossing.

2 CR 31/01/2011 om 10:06

Misschien interessant om het advies van de Raad van State hierover er op na te slaan. Daarin staat een uitvoerig betoog over het onderwerp, met als kernzin “De Raad meent dan ook dat het grondrechtelijke aspect van het algemeen kiesrecht zwaarder zal moeten wegen dan de letterlijke tekst van artikel 55, nu verkiezing door middel van provinciale staten slechts een hulpconstructie is.” Kamerstukken II 31 956, nr. 4.

3 Remco van Diepen 31/01/2011 om 14:38

Wat betreft de polders: in 1955 is in de z.g. Additionele Artikelen van de Grondwet een speciaal artikel opgenomen: “De wet regelt het toezicht op de gemeenten in door inpoldering verkregen gebieden die nog niet provinciaal zijn ingedeeld.” Deze bepaling werd overigens op verzoek van de 2e Kamer in de Grondwet opgenomen; de toenmalige regering was zelf van mening dat zo’n voorziening helemaal niet nodig was.
Opvallend genoeg is dit Additioneel Artikel VII niet toegepast op Noordoostpolder, dat in 1962 gemeente werd. In plaats daarvan werd Noordoostpolder tijdelijk bij Overijssel gevoegd, in afwachting van de uitkomst van de discussie over de provinciale indeling van de rest van de polders.
In 1955 werd ook het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders in het leven geroepen. Dit was de rechtvoorganger van de later in te stellen gemeenten. Sinds 1962 bestond het OL uit het grondgebied van Oostelijk Flevoland, Zuidelijk Flevoland (nog in aanleg) en het Markermeer. Het OL was niet provinciaal ingedeeld, dus hadden de bewoners geen kiesrecht voor Provinciale Staten en Eerste Kamer.
Minister van BiZa Beernink wilde Dronten, de eerste gemeente die zich uit het OL zou losmaken, tijdelijk indelen bij Gelderland. De Adviesraad van het OL (een voorloper van de gemeenteraad) kwam hiertegen in het geweer; men wilde dat Dronten onder het regime van Additioneel Artikel VII zou worden geplaatst. Dit zou betekenen dat de Drontenaren ook na de gemeentewording verstoken zouden blijven van kiesrecht voor PS, en dus voor de Senaat. Onder druk van de 2e Kamer willigde Beernink de verlangens van de Adviesraad in.
Dronten viel van 1972-1986 direct onder BiZa. Hetzelfde geldt voor de latere gemeenten Lelystad (1980-1986), Almere en Zeewolde (beiden 1984-1986). Het waren dus gemeenten waarvan de inwoners niet mochten deelnemen aan Statenverkiezingen. Wel mochten zij op de kieslijsten van de Eerste Kamer worden gezet (dit gebeurde in 1971 met Michel van Hulten, nu kandidaat-senator voor de partij van J. Nagel). Overigens was deze regeling wel bedoeld als tijdelijk, in afwachting van de definitieve provinciale indeling van de Zuidelijke IJsselmeerpolders.

4 Barry 31/01/2011 om 21:36

@ CR

Altijd lachen met die Raad van State! Zet het ‘grondrechtelijk aspect’ van het algemeen kiesrecht’ tegenover slechts een ‘hulpconstructie’ en natuurlijk wint het eerste. Alleen de meest rigide formalist zonder ook maar een greintje compassie zou dan voor de hulpconstructie kiezen. Wat de Raad echter (opzettelijk) vergeet, is dat de wetgever met de hele BES-constructie iets in de grondwettelijke structuur probeert in te passen wat daar helemaal niet in past. In beschaafde landen past men dan eerst de Grondwet aan. Niet in Nederland. Daar probeert de regering het parlement het bos in te sturen met onzinredeneringen over ‘de geest van de Grondwet’ die volledig gerespecteerd zou worden. Prachtige Grondwet hebben we zeg, alles mag en geen rechter die kan ingrijpen!

In plaats van de bevooroordeelde adviezen van de Raad van State te lezen kunt u beter kennis nemen van wat hoogleraren als Elzinga over de materie hebben hebben gezegd.

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: