Tijdig beslissen

door JAdB op 18/02/2009

in Uncategorized


Wanneer bestuursorganen te langzaam zijn in het beslissen op aanvragen of bezwaarschriften kan dat betekenen dat art. 6 EVRM is geschonden. Art. 6 EVRM bevat de zogeheten fair trial bepaling, en houdt in deze context in dat – gelet op alle omstandigheden van het geval – dat een procedure niet te lang mag duren.

Wanneer duurt een (bestuursrechtelijke) procedure te lang?

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert de volgende vuistregel:
– Een bezwaarschriftprocedure mag ten hoogste één jaar duren
– Een beroepsprocedure ten hoogste twee jaren
– Een hoger beroepsprocedure ten hoogste twee jaren

Dat deze vuistregel niet altijd wordt nageleefd, blijkt wel uit een uitspraak van 24 december 2008 van onze hoogste bestuursrechter. Die zaak ging over een verzoek tot schadevergoeding, gericht aan B&W van Ameland, dat dateerde uit 1996. Op het verzoek tot schadevergoeding werd afwijzend beslist in oktober ’97. De beslissing op het daartegen ingediende bezwaarschrift, liet wel ietsje langer op zich wachten. In maart 2002 werd het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Na een aantal – onnavolgbare processuele pingpongwedstrijden – mocht de Afdeling in december 2008 (eigenlijk al voor de derde keer) beslissen over deze zaak. Die oordeelde dat B&W art. 6 EVRM heeft geschonden en dat er sprake is van een aan B&W toerekenbare termijnoverschrijding van 5 jaren en 8 maanden.

Voor dat soort overschrijdingen kun je een immateriele schadevergoeding krijgen. De burger hoeft zich nog niet rijk te rekenen: de Afdeling rekent 500 euro per half jaar vertraging. De burger in deze zaak kreeg dus een schadevergoeding van welgeteld 6000 euro. Zo’n schamel bedrag zal er naar mijn mening niet voor zorgen dat gemeenten scherper worden op de naleving van termijnen.

Saillant aan deze zaak is dat er met de uitspraak van de Afdeling geen einde is gekomen aan de procedure. De Afdeling overweegt: “Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. (…) De Afdeling [ziet] aanleiding om het college op te dragen dat besluit binnen drie maanden na openbaarmaking van deze uitspraak bekend te maken. Aan de naleving van deze termijn wordt geen dwangsom verbonden, omdat de Afdeling er vanuit gaat dat het college zich aan die termijn zal houden“.

Wat? Vanwaar dit vertrouwen in het bestuursorgaan? Waarom niet gewoon, zekerheidshalve, een hoge dwangsom opleggen? Dat hadden B&W Ameland toch op zijn minst wel verdiend. Ik roep de zittingsrechters – Polak; Konijnenbelt; Van Altena – op om zich hier te verantwoorden. Konijnenbelt, volgens mij nog steeds docent Frans bestuursrecht aan de UvA, moet daar in ieder geval toe in de gelegenheid zijn.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 GB 18/02/2009 om 14:07

Daar zit volgens mij een algemeen principe achter. Rechters moeten er wel vanuit gaan dat de Staat en diens organen beslissingen van de rechter nakomen. Een dwangsom opleggen suggereert alleen al dat het mogelijk is het verbeuren van die dwangsom af te wegen tegen het opvolgen van de uitspraak.

Naar verluidt wordt aan de Staat als geheel ook nooit een dwangsom opgelegd, om deze reden.

2 JAdB 18/02/2009 om 14:38

Dat is een nobel principe. Echter, keer op keer blijkt dat bestuursorganen wettelijke (!)beslistermijnen overschrijden. Daaraan moet een consequentie worden verbonden.

Een dergelijke consequentie wordt binnenkort ook in de wet ingebouwd: de wet dwangsom bij niet tijdig beslissen. Het lijkt mij – alle principiele overwegingen ten spijt – niet zo heel erg als de rechter daar in dit soort zaken alvast een voorschot opneemt.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: