TvCR-stelling: vertegenwoordiging en lastverbod zijn opnieuw van grote betekenis

door Ingezonden op 16/03/2018

in Haagse vierkante kilometer

Post image for TvCR-stelling: vertegenwoordiging en lastverbod zijn opnieuw van grote betekenis

Artikel 50 en artikel 67 lid 3 vinden, in andere bewoordingen, hun oorsprong in de Staatsregeling van de Bataafse Republiek van 1798. Daarin werd gebroken met de confederatieve structuur van de Republiek van de Zeven Provinciēn, en met het feit dat de vertegenwoordigers in de Staten-Generaal slechts lasthebbers waren van de Staten van hun provincies – en dus ruggespraak met hen moesten plegen alvorens hun stem uit te brengen (niet ruggeNspraak, ze hadden immers elk maar één rug). De beide bepalingen zijn gehandhaafd in alle versies van onze Grondwet, vanaf 1814. Zij vormen de ruggEgraat van onze representatief democratisch stelsel. Dit met zoveel vanzelfsprekendheid, dat auteurs als René Kleijkers en Theo Veen konden stellen dat de bepalingen geen wezenlijke functie meer hadden. Die vanzelfsprekendheid was begrijpelijk. Niemand beweerde dat wij een confederatie van provincies waren. Nederland was vanaf 1815 een unitaire staat. In het kader van ons stelsel vertegenwoordigen de Staten-Generaal het volk van die staat. Een bindend referendum bestaat daarnaast niet. En omdat de leden der Kamers aan de kiezers alleen verantwoording afleggen in de openbare mening en bij de verkiezingen, hebben zij een vrij mandaat. Geen last, geen ruggespraak. Wel was en is er discussie over de gevolgen voor ons representatieve stelsel van het opgaan van Nederland in de Europese samenwerking, waarmee overheveling van soevereiniteit plaatsvindt. Wel ook betoogt Kleijkers – met een heel ander argument – dat het vrije mandaat van het Kamerlid “van weinig waarde meer lijkt te zijn”, slechts een restfunctie heeft. Dit vanwege fractiediscipline en afhankelijkheid van een Kamerlid van zijn partij voor herverkiezing. Die vanzelfsprekendheid is helaas anno 2017, slechts een kwart eeuw later, wel even anders geworden. De representatieve democratie is onder zware druk komen te staan door de macht van grote, internationaal opererende, bedrijven; door de informatie-technologie; door de sociale media en door een versplintering van het partijwezen . De Britse filosoof A.C. Grayling beschrijft die dreigende ondergang helder in een recent boek over met name de Brexit en de verkiezing van president Trump, beide in 2016.

Een treffend voorbeeld van strijd met art. 50 GW én met art. 67, lid 3 gaven onder meer de Tweede Kamer fracties van CDA, PvdA en D66 in 2015. Er zou een raadgevend referendum worden gehouden over het al dan niet instemmen met een verdrag gesloten tussen de EU en de Oekraïne. De Tweede Kamer had met grote meerderheid het verdrag aanvaard. De Tweede Kamer fracties van deze partijen gaven echter te voren te kennen dat zij de uitslag van het referendum zouden aanvaarden. Dit ongeacht de feitelijke opkomst van de kiezers, en ongeacht de uitslag! Nota bene is het referendum raadgevend, niet bindend. De leden van die fracties hebben dus zichzelf tevoren gebonden om hun stem over het Oekraïne-verdrag afhankelijk te maken van een onzekere, toekomstige beslissing van anderen. Dit is in strijd met art. 50 GW omdat niet de kiezers via een referendum, maar de Staten-Generaal het Nederlandse volk vertegenwoordigen bij het vaststellen van wetten en verdragen.. En ook in strijd met art. 67, lid 3 GW, omdat er kennelijk sprake is van het aanvaarden van een bindende last. Ruggespraak zonder ruggegraat….

Dan heb je dus, buiten de Grondwet om, een bindend referendum!

Een tweede voorbeeld is afkomstig van een dwaallicht, aanvoerder van een lijst bij de verkiezingen van maart 2017, die hij de passende naam Geen Peil had gegeven. Hij beloofde zijn kiezers om, eenmaal gekozen, bij stemmingen in de Tweede Kamer getrouw de aanwijzingen te zullen volgen die zijn aanhang hem via de sociale media zouden geven. Behalve met art. 67, lid 3 is dit ook nog in strijd met art. 60 GW. Dit is de eed/gelofte afgelegd bij het aanvaarden van het ambt van Kamerlid, waarbij dit lid ‘trouw aan de Grondwet’ toezegt – dus ook aan art. 67, lid 3. Het dwaallicht is gelukkig door de kiezers afgestraft: geen zetel. Het vervelende is dat ons systeem op dit soort schendingen van de Grondwet geen sancties kent. Het parlementaire stelsel, dat we pas sinds anderhalve eeuw, kennen moet zichzelf bewaken. Als bij voorbeeld een minister niet aftreedt als deze kennelijk het vertrouwen van de Kamer heeft verloren, dan is het de Kamer zelf die een sanctie moet stellen, bij voorbeeld door het verwerpen van de begroting van zijn departement. Als Kamerleden niet vrij hun stem uitbrengen in de Kamer, dan kan ook het Huishoudelijk Reglement dit moeilijk voorkomen.

Het is denkbaar dat het aldus schenden van artikelen van de Grondwet als ambtsmisdrijf wordt vervolgd, conform art. 119 GW en de uitwerking daarvan in art. 363 WvStr.. Desgevraagd was de procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr Jos Silvis – op grond van art. 111, lid 2 Wet R.O. belast met de vervolging ten overstaan van de Hoge Raad – zo vriendelijk mij te melden dat een Kamerlid nog nimmer op grond van deze artikelen is vervolgd. Silvis wees mij er op dat de special regeling inzake het vervolgen van bewindspersonen en Kamerleden lichtvaardige vervolging, en vervolging om politieke redenen wil voorkomen. De waarborgen zijn zo sterk dat het er in feite niet van is gekomen. Er is sprake geweest, vorig jaar, dat dit zou geschieden op instigatie van de Tweede Kamer. Dit naar aanleiding van een ‘lek’ vanuit de zogenoemde Commissie Stiekem, de commissie van fractievoorzitters die toezicht houdt op de Inlichtingendiensten. Het onderzoek ter zake is echter gestrand. Een Commissie-Fokkens, inzake de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, buigt zich mede over deze problematiek . Het valt niet mee om dit gegeven in het kader van strafrecht en strafvordering te vatten. In beide voorbeelden gaat het om zwaar politiek geladen gevallen. Wanneer gaat contra-constitutioneel handelen over in strafbaar handelen?

Het representatieve stelsel, waarvan Churchill moet hebben gezegd dat het een slecht stelsel is, behalve dat er geen betere is, dat onvolkomen stelsel is nog jong. Het is in het westen door allerlei fasen gegaan. Een neergang als tijdens de Weimar Republiek en in Spanje. En een opgang als in de jaren na WO II, toen het ten voorbeeld werd gesteld aan alle nieuw opkomende staten in Azië en Afrika. En na 1989 aan de staten die zich van de Sowjet Unie bevrijd hadden.

Edmund Burke, lid van de Britse House of Commons voor het kiesdistrict Bristol, heeft de onafhankelijkheid van de vertegenwoordiger van zijn kiezers in 1774 welsprekend verwoord. Hij benadrukt in zijn rede, tot hen gericht, dat het parlementslid goed moet luisteren naar zijn kiezers. “Maar, zijn onbevooroordeelde mening, zijn rijpe oordeel, zijn verlicht geweten, die mag hij niet afstaan aan U, noch aan enig mens, noch aan enige groep mensen….hij verraadt U in plaats van U te dienen als hij dat eigen oordeel aan Uw mening opoffert”.

Sterke taal, maar dat is het precies: stemmen volgens “eed en geweten”, zoals de Grondwet van 1848 de leden van de Eerste Kamer opdroeg (die immers, vanaf dat jaar 1848, worden gekozen door de Staten der provincies). Ik heb totaal negentien jaar gediend in de beide Kamers, tussen 1972 en 2007. Dat besef eigen verantwoordelijkheid te dragen, geen slaafse dienaar te zijn van wie dan ook – zelfs niet van fractie en partij – heeft mij overeind gehouden. Alles in het besef dat je je steeds moet verantwoorden, en dat de afrekening komt bij de volgende verkiezingen. Dan heeft de kiezer, ‘het volk’, ’t voor het zeggen. Inmiddels is het zaak een rechte rug te houden.

Dat kan alleen als het systeem je daarin sterkt. Art. 50 GW en art. 67, lid 3 GW zijn zulke ruggesteunen. Waarborgen zijn het echter bij voorbeeld niet tegen verschijnselen als ‘cliëntelisme’ – het oor sterk laten hangen naar een specifieke achterban, die jou ook in het zadel heeft geholpen. In het zuiden van Europa is dit verschijnsel endemisch, en dringt nu ook bij ons binnen. Het schijnt ‘identiteitspolitiek’ te heten.

De aanvallen op het kwetsbare vertegenwoordigende stelsel nemen toe. Populisten verdedigen dat ‘het volk’ moet beslissen. Bij elk onderwerp is de meerderheid van dat ‘volk’ overigens weer anders samengesteld. Dat wilden we nu juist via een vertegenwoordigend stelsel voorkomen, door middel van onderling debat. Sociale media – zonder debat – zetten parlementsleden onder druk, en geven de gelegenheid allerlei vormen van actie te organiseren om iets voor elkaar te krijgen. Dit waren er in 1993 – toen Veen en Kleijkers schreven – nog niet! De samenhang van de samenleving versplintert, de organisatie van het vertegenwoordigend stelsel wordt moeilijker. Het bedrijfsleven, de markt, opereert internationaal. Het internationale publieke tegenwicht, zoals de EU dat is, kan – om negatieve nationalistische motieven – te weinig tegenwicht bieden. Terwijl democratie ‘checks and balances’ nodig heeft, teugels en tegenwichten.

Art. 50 en art. 67, lid 3 zijn dus nu weer hard nodig. Er zouden misschien bepalingen bij moeten komen om ongrondwettig gedrag – zoals in de twee voorbeelden hierboven genoemd – tegen te kunnen gaan. Toch toetsing door de rechter? Niet zozeer toetsen van handelen van overheid en burgers aan grondrechten. Daarvoor hebben we het EVRM en Straatsburg al. Maar toetsing van handelen door regering en volksvertegenwoordiging aan het democratisch stelsel, als omschreven in de Grondwet. Duidelijker moet worden dat de Staten-Generaal uiteindelijk het hoogste gezag is in ons stelsel, niet de regering, en ook niet de kiezers in een referendum. Dat is nu immers raadgevend, zolang althans in de Grondwet geen bindend referendum wordt geregeld.

Serieus naar de uitslag kijken, naar het advies van de kiezers, is iets anders dan deze slaafs volgen. Zeker, bij voorbeeld, als er een kleine meerderheid van een klein aantal kiezers die uitslag heeft bepaald, of zwaarwegend landsbelang naar de mening van de Kamers een andere beslissing vordert.

Erik Jurgens, Amsterdam,
em. hoogleraar staatsrecht UM en VU
oud-lid van de Tweede en van de Eerste Kamer

Deze Stelling is gebaseerd op de “art. 50 Grondwet-lezing” gehouden op 30 maart 2017, in de vergaderzaal van de Eerste Kamer, op uitnodiging van “de stichting één land, één samenleving”, www.eenlandeensamnleving.nl

 

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: