TvCR-stelling: Voorgenomen plannen met de Wob zijn een aantasting van de rechtsstaat

door Ingezonden op 16/04/2012

in Haagse vierkante kilometer

Post image for TvCR-stelling: Voorgenomen plannen met de Wob zijn een aantasting van de rechtsstaat

‘De plannen van de regering om de Wet openbaarheid aan te scherpen en de openbaarheid te beperken zijn een aantasting van de democratische rechtsstaat.’ Prof.mr. J.A. Peters verdedigt deze stelling.

Onze representatieve democratie verdient verbetering en aanvulling. Ze wordt steeds meer uitgehold door populisme, het volgen van de waan van de dag en door het vertrouwen in technocraten in plaats van politici. Dat laatste leert ons de eurocrisis. De ‘waakhondendemocratie’ biedt in dit opzicht kansen. In een waakhondendemocratie is openbaarheid van eminent belang. Openbaarheid is de belangrijkste check op bestuurlijke en ambtelijke macht. Openbaarheid behoort bij democratie. Dat is ook het theoretische uitgangspunt van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Als controle-instrument is het belangrijker dan het kiesrecht. Het versterkt de publieke verantwoording. Het geeft aan het parlement een belangrijke informatiebron. Men is voor informatie niet alleen meer afhankelijk van de minister. Anderzijds kunnen de media en burgers worden ingezet als controleurs van ambtelijke macht. Aan meer waakhonden is grote behoefte. Nu kan een burger via de rechter soms meer informatie krijgen dan het parlement. De vrees voor openbaarheid werkt soms omgekeerd, in die zin dat het parlement bepaalde informatie niet krijgt. Toen een Kamerlid na het aantreden van het kabinet Rutte middels Kamervragen wilde weten welke mogelijke belangenverstrengelingen zouden kunnen bestaan voor ministers en welke afspraken daarover waren gemaakt met de minister-president, weigerde minister Donner daar informatie over te geven. Dit betrof, zo stelde hij, de privacy van ministers en dat vormt een uitzonderingsgrond in de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Je moet maar durven. De overheid weet steeds meer van haar burgers. Het wordt tijd dat de burgers ook meer te weten komen van hun overheid. Transparant bestuur is een beginsel van goed bestuur en het vergroot de legitimatie van het bestuur. Het is onmisbaar voor publieke verantwoording. Deze notie is niet alleen van belang voor de representatieve maar ook voor de participatieve democratie. Naast de traditionele democratie ontstaat de waakhondendemocratie.

Uit de serie ‘Yes Minister’ is de bekende quote: het is ‘government or transparency’ – beide gaan niet samen, het is een contradictio in terminis. Bestuurders houden niet van openbaarheid. Dat geeft maar gedoe. We zijn gewend aan de beslotenheid van de achterkamertjes. Tijdens een mastercursus voor directeuren overheidsvoorlichting heb ik de vraag gesteld welke rampen zouden geschieden wanneer alles openbaar zou worden op een ministerie. Heel veel informatie blijft immers verborgen onder het argument van beleidsintimiteit. Ook Daalder lijkt van de noodzaak om sommige informatie niet openbaar te maken overtuigd. Men kon echter nauwelijks met voorbeelden komen waaruit zou blijken van grote problemen. Alleen zou soms openbaarheid van bepaalde informatie een minister in verlegenheid kunnen brengen. Zeer vaak is dat de eigenlijke reden om bepaalde informatie niet openbaar te maken. Maar behoort het politieke leven van een minister het belangrijkste te zijn?

Wie zijn dan onze waakhonden die de machthebbers bewaken? Dat zijn de parlementsleden, maar die kunnen het alleen niet aan. Dat is de pers in de meest ruime zin des woord, dus ook internetsites, blogs en de burgers zelf. Zoals reeds opgemerkt is daarbij openbaarheid en uitbreiding daarvan cruciaal. Ondanks pleidooien voor meer openbaarheid van diegenen die de WOB hebben geëvalueerd zijn alle rapporten in de bureauladen van de ministers verdwenen. Datzelfde lot trof het voorontwerp voor een nieuwe wet op de openbaarheid opgesteld door Van der Meulen op verzoek van minister Pechtold, destijds minister van bestuurlijke vernieuwing.

Onze vorige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden (BZK), Donner, was in zijn algemeenheid geen voorstander van staatsrechtelijke hervormingen, althans zolang die niet zijn opgenomen in een regeerakkoord. Van grotere openbaarheid moest hij niets hebben. Ten aanzien van democratie betoont hij zich een echte antirevolutionair, tegen de tijdgeest van meer openbaarheid. Mede naar aanleiding van zijn toespraak op de jaarlijkse Dag van de persvrijheid op 31 mei 2011 stuurde hij een brief naar de Tweede Kamer. Hierin zette hij zijn positie ten aanzien van openbaarheid uiteen. Kort samengevat kwam zijn opvatting er op neer dat Nederland het voortreffelijk doet met betrekking tot openbaarheid. Het probleem schuilt er eerder in dat er misbruik gemaakt kan worden van de Wet openbaarheid van bestuur en daar wilde hij wel iets aan doen. De brief begint met een zeer zelfgenoegzame passage over hoe hoog Nederland wel niet scoort in vergelijking met andere landen wat betreft ‘Open Government’. Daarmee is de toon gezet. Wel geeft de brief aan hoe belangrijk het is dat de burger voldoende informatie heeft om te kunnen participeren aan het werk van de overheid en om het bestuur adequaat te kunnen controleren en eventuele misstanden aan de kaak te kunnen stellen. Deze passage geeft de burger moed. Maar direct daarop volgt dat weliswaar het behandelen van Wob-verzoeken tot het reguliere werk van bestuursorganen hoort maar dat het streven van openbaarheid niet ten koste mag gaan van de effectiviteit van het openbare bestuur. Zorgvuldige besluitvorming door bestuurders is gebaat bij vertrouwelijkheid. Waarom dan wel? Dan komt de aap uit de mouw: om politisering en besluitvorming op basis van de waan van de dag te voorkomen.

Wat stelde Donner hierbij zich voor? Waar was hij bang voor? Tot nu toe gingen we ervan uit dat openheid van besluitvorming de kwaliteit van besluitvorming en de controle op de overheid ten goede zou komen. Met deze argumenten tegen openbaarheid kan men ook een pleidooi houden om de besluitvorming in de Tweede Kamer voortaan in beslotenheid plaatst te laten vinden. Immers daar vindt meer politisering plaats dan binnen de ambtelijke dienst. De Tweede Kamer wordt er voortdurend van beschuldigd dat zij de waan van de dag volgt. Argumenten die niet zonder gevaar zijn voor de democratische besluitvorming. Al eerder in genoemde toespraak gaf Donner, Bismarck citerend, aan dat het beter is niet te weten hoe worstjes gemaakt worden. Daalder verbaast zich meer over de ophef over deze uitspraak dan over de uitlating van Donner. Alsof de consumentenbescherming heeft stilgestaan sedert Bismarck. Bovendien moet volgens Donner als randvoorwaarde voor openbaarheid gelden dat een overheid werkt met een verminderde capaciteit van het ambtenarenapparaat. Het kabinet streeft immers naar een compacte overheid met minder ambtenaren. Daarom vormde aanpassing van de wet in de richting van meer openbaarheid geen prioriteit voor Donner. Gaat dit ook gelden voor beantwoording van Kamervragen en dienstverlening aan de burger?

Nederland heeft een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van het verdrag van Tromsø, een verdrag dat in het kader van de Raad van Europa is gesloten en uitbreiding van openbaarheid beoogt te bewerkstelligen binnen Europa. Nederland draalt echter met ondertekening en voormalig minister Donner heeft openlijk gesteld dat ondertekening geen prioriteit heeft. Ondertekening zou volgens Donner immers weinig betekenis hebben voor Nederland. Dit verdrag heeft wel degelijk betekenis voor uitbreiding van openbaarheid en de uitzonderingsgronden. Het verdrag kent geen absolute uitzonderingsgronden die de WOB wel kent. Altijd moet een belangenafweging vooraf gaan aan een weigering. Meer overheidsinstellingen zouden onder de openbaarheidwetgeving gaan vallen. Donner stelde immers ook in zijn brief dat alle bijzondere wetten met regels over openbaarheid getoetst moeten worden aan het verdrag. Dat is een aanzienlijk klus voor de ambtenaren. Dit past niet bij het streven naar een compacte overheid. Deze reden lijkt niet logisch. Ofwel het verdrag stelt niet veel voor en dan is aanpassing daaraan een klein klusje, of het stelt wel iets voor en dan kost het veel aanpassingen.
Het grootste deel van de brief van Donner gaat over het misbruik dat gemaakt kan worden van de WOB. Qua omvang blijkt uit onderzoek dat de problematiek van het misbruik wel meevalt.

Zelfs de vertegenwoordiger van de VNG meldde tijdens een rondetafel bespreking met Tweede Kamerleden dat het misbruik van openbaarheid voor gemeenten niet echt een issue vormde waar dringend iets aan moest gebeuren. Hij pleitte voor juist meer openbaarheid. Bovendien welke wet is zonder misbruik? Toch wilde Donner hier juist wel iets aan doen. Dan gaat het blijkbaar wel om een prioriteit. Het gaat dan immers om werklastvermindering van ambtenaren. Zo zou men financieel middels dwangsommen kunnen profiteren wanneer de overheid niet op tijd beslist op verzoeken. Om die reden was de termijn om te beslissen al verlengd, maar dit werkt blijkbaar nog niet voldoende. Ook het frustreren of vertragen van een bestuursorgaan door soms een enkele persoon verdient bestrijding. De wet zal worden aangepast om oneigenlijke verzoeken te kunnen afwijzen. Ook omvangrijke Wob-verzoeken vormen volgens de minister een probleem. Het gaat dan niet om de inhoud van het verzoek maar om de tijdsinvestering die het verzoek vraagt. Daarop moeten verzoeken ook beoordeeld worden in een tijd van grotere efficiency en slinkende capaciteit. Ook Daalder vraagt zich af we nog wel de luxe ons kunnen permitteren van het behandelen van verzoeken waarmee tientallen en soms honderden mensuren zijn gemoeid. Blijkbaar mag de democratie niet te veel kosten en wordt het al snel een luxe in tijden van crisis. Men zou er ook voor kunnen kiezen om informatie middels een goed data systeem makkelijker toegankelijk te maken voor de burger. Maar dat vergt een andere prioriteitstelling.

Terugkomend op de stelling: vormen de plannen van Donner nu een aantasting van de democratische rechtsstaat? Is dat niet wat overdreven? Aantasting komt meestal in kleine stapjes. Daalder spreekt over een beetje beperking van de toegang tot informatie en een beetje bijsturing van de bestaande Wob-praktijk. Volgens hem kan onze rechtsstaat dat wel hebben. Maar de voornemens van de regering proberen een ontwikkeling van onze democratie naar grotere transparantie en dus meer openbaarheid tegen te houden. Rechtsstaat en democratie hebben niet een bepaalde status maar vormen idealen. Het zijn geen instituten die al of niet bestaan. Inperking is een slechte zaak want het is tijd dat onze democratie juist versterkt wordt, nieuwe impulsen krijgt en zich ontwikkelt richting waakhondendemocratie. Het geen oog daarvoor hebben is kortzichtig en tast zo niet onze rechtsstaat dan toch in ieder geval onze democratie aan.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: