Uniek? De Hamvraag

door Ingezonden op 17/01/2011

in Haagse vierkante kilometer

Bij de behandeling van enkele wijzigingen in onderwijswetten ontstond er afgelopen donderdag een stevige maar boeiende discussie over de toelaatbaarheid van een amendement. Aanleiding was het amendement van D66-Kamerlid Boris van der Ham, dat naar het oordeel van VVD’er Ton Elias een ‘destructief’ karakter zou hebben. Volgens de NOS en De Volkskrant was deze opstelling uniek. Quod non. Zoals meer door de media als ‘uniek’ gekwalificeerde gebeurtenissen in de Kamer, is ook dit in de parlementaire geschiedenis eerder vertoond.

Eerst de actualiteit. De voorgestelde wijziging in de onderwijswet regelt de mogelijkheden voor een openbare en een bijzondere school om te fuseren, wanneer wegens krimpende leerlingenaantallen opheffing dreigt. Het amendement van D66 wil dergelijke fusies hoe dan ook mogelijk maken, dus ook als van dreigende opheffing geen sprake is. Volgens Elias gaat het hiermee regelrecht in tegen de grondwet en tegen de langdurige geschiedenis die het wetsvoorstel al doormaakt. Zowel in de grondwet als in de wet zou duidelijk zijn vervat dat de samenwerkingsschool een uitzondering moet blijven, en geen derde schooltype mag worden. De rest van de Kamer, in ieder geval het rechter deel, lijkt hem in dit oordeel te volgen.

Elias c.s. steunen in hun bezwaar op het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. In artikel 97.1 is bepaald dat een amendement destructief wordt geacht als de bedoeling van de geopperde wijziging haaks staat op het wetsvoorstel. Of de Kamer op grond hiervan afziet van behandeling, bepaalt de Kamer zelf – de regering gaat daar niet over.

Nu de historische praktijk. Destructieve amendementen komen weinig voor, maar zijn zeker niet uniek. De precedentenboeken tellen er ruim een dozijn; de gedigitaliseerde Handelingen verraden meer gevallen. Een mooi voorbeeld is te vinden in 1878, toen Kamerlid W. Wintgens zich met een amendement verzette tegen een onteigeningsvoorstel voor de aanleg van een spoorweg van Leeuwarden naar Stavoren. Liever zag de conservatief liberaal – zonder Friese roots overigens – dat er een spoorweg zou worden aangelegd tussen Leeuwarden en Harlingen.

Een ander, vaak aangehaald en evident destructief amendement staat op naam van een partijgenoot van Van der Ham. In 1979 stelde Henk Zeevalking (D66) bij de behandeling van een voorstel om de overdrachtsbelasting tot 6 procent te verhogen per amendement het tegenovergestelde voor, namelijk een verlaging naar 4 procent. Hij kwam snel tot inzicht, waarna hij het amendement omzette in een motie.

De ‘wraking’ van het amendement van Van der Ham is kortom geen unicum in de parlementaire geschiedenis.

Het verleden wijst wel uit dat de Kamer in het algemeen soepel en pragmatisch omspringt met de beoordeling van de toelaatbaarheid van amendementen. De fracties laten elkaar doorgaans veel ruimte om via wetswijzigingen bepaalde zaken alsnog in een wet gedaan te krijgen. Dat gaat op deze wijze immers veel eenvoudiger dan via een initiatiefwetsvoorstel.

Volgens oud-griffier en jurist W. Kerkhofs hanteert de Kamer desalniettemin enkele (impliciete) praktijkeisen. Het amendement mag geen ingrijpende wijziging betreffen waarvan de consequenties niet te overzien zijn. Daarnaast geldt als eis dat het amendement al uitvoerig is behandeld in het voortraject, waarbij de minister ook nog eens onwillig is gebleken het gestelde probleem te ondervangen.

Van der Hams wijzigingsvoorstel lijkt aan geen van beide eisen te voldoen. Elias kwalificeerde het amendement als een ‘vluggertje’: ingediend ‘24 uur voor de behandeling van 17 jaar wetsgeschiedenis’. Extra argument is in dit geval dat het wijzigingsvoorstel direct raakt aan de grondwet – waarvan de wijziging een tweederde meerderheid verlangt.

Of het voorstel ook de hele wet onderuittrekt? De Kamer kan zich beroepen op de interpretatie van jurist en voormalig PPR-fractievoorzitter Bas de Gaay Fortman. In zijn Parlement en wetgeving trekt hij de grens van het toelaatbare bij wijzigingsvoorstellen die een essentieel aspect van het wetsontwerp teniet doen. Illustratief acht hij een amendement ingediend bij de behandeling van de Grondwaterwet in 1981. Nadat het kabinet een eerder wijzigingsvoorstel had overgenomen om bedrijven die gebruikmaken van grondwater een heffing op te leggen, stelde Kamerlid Ben Hennekam (CDA) voor de hele heffing uit het wetsvoorstel te schrappen. Daarmee zou, net als bij het amendement-Van der Ham, een wezenlijk onderdeel uit de wet zijn veranderd. Maar laat nu net in dit voorbeeld de Kamermeerderheid hebben besloten het amendement toch niet ontoelaatbaar te verklaren…

Stemming over het destructieve gehalte van het D66-voorstel volgt aankomende dinsdag.

Carla Hoetink, docent politieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en werkzaam aan een promotieonderzoek over de functie en betekenis van parlementaire spelregels in de naoorlogse Tweede Kamer.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Carla Hoetink 28/01/2011 om 22:54

UPDATE:
Het voorstel het amendement-Van der Ham ontoelaatbaar te verklaren, is dinsdag 18 januari verworpen. Behalve de VVD volgden de SGP, de ChristenUnie en het CDA de argumentatie van Elias, onvoldoende voor een meerderheid. Zowel de stemmingsuitslag als de stemverklaring van Van der Ham wijzen uit dat het staatsrecht in de beoordeling ondergeschikt was: met een stem voor onderstreepten de christelijke fracties uiteindelijk vooral het recht op bijzonder onderwijs, Boris van der Ham meende zich te moeten beroepen op de vrijheid van meningsuiting en vrij debat. Of hoe angst voor het verwijt van procedurele politiek de Tweede Kamer verlamt.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: