Update ministerraad 9 februari 2010

door GB op 09/02/2010

in Haagse vierkante kilometer

Een extra ministerraad; een extra update. Vandaag is de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Davids vastgesteld. Wat schuchter erkent het kabinet inderdaad dat de kamer beter geinformeerd had kunnen (en dus moeten) worden, en dat het volkenrechtelijk mandaat beter had gekund (en dus gemoeten). Ten aanzien van de ministeriele verantwoordelijkheid voor daden in het verleden is dit de uiteindelijke tekst van de reactie geworden:

Thans ligt het rapport van de commissie voor. Het rapport gaat – in de kern – over de periode zomer 2002 tot zomer 2003. In die periode werd het kabinet Kok II op 22 juli 2002 door het kabinet Balkenende I afgelost; dat kabinet was vanaf 16 oktober 2002 demissionair en werd op 27 mei 2003 opgevolgd door het kabinet Balkenende II. 

Hier wordt dus ook Kok II het moeras in gezogen. Maar juist dit kabinet trad in 2002 af naar aanleiding van het NIOD-rapport over de gebeurtenissen in Srebrenca in 1995. Onder andere Frank de Grave wilde destijds aftreden, vanwege de slechte informatievoorziening door zijn ministerie. Met de affaire zelf had Frank de Grave in 1995 niets te maken; hij was toen wethouder in Amsterdam.

Zoals verwoord in de brief van 13 januari jongstleden, waren die kabinetten ervan overtuigd een zuivere en integere afweging te hebben gemaakt bij het besluit om de inval in Irak politiek te steunen. Hierover is destijds met de Kamers van gedachten gewisseld. Een ruime Kamermeerderheid heeft het toenmalige kabinet daarin gesteund.

Dat bijna zeven jaar later het huidige kabinet een reactie geeft op bevindingen van een onafhankelijke commissie over de voorbereiding van de besluitvorming door toenmalige kabinetten, die bovendien anders van politieke samenstelling waren, vraagt om een heldere duiding van de staatsrechtelijke context.

Vooropstaat dat de individuele en collectieve ministeriële verantwoordelijkheid is verbonden aan het ambt van de minister, ongeacht wie het ambt vervult. Zittende ministers dienen aan het parlement verantwoording af te leggen over de ambtsvervulling van hun voorgangers, bijvoorbeeld door het beantwoorden van vragen en het verstrekken van informatie. Bij “ambtsvervulling” gaat het om het handelen en nalaten in de functie en hoedanigheid van minister. Ook over de opvattingen van voorgangers en eerder verschafte informatie moeten de door het parlement verlangde inlichtingen worden gegeven. Zittende ministers kunnen daarin uiteraard niet ex post wijzigingen brengen. Wel zijn zij verantwoordelijk voor de besluiten die zij thans nemen naar aanleiding van – onder andere – hun bevindingen over het verleden. Verantwoording is immers ook een vooruitblik, bedoeld om lessen te trekken in het belang van een goed overheidsbestuur. Het kabinet gaat daar in deze reactie nader op in.

Een eerste lezing levert deze bespiegeling op: vergeleken met de uitgelekte concept-tekst lijkt het alsof de omvang van de ministeriele verantwoordelijkheid toch iets is uitgebreid. Die omvat nu immers bijvoorbeeld het geven van inlichtingen. Maar hoewel de ministeriele verantwoordelijkheid volgens het kabinet dus duidelijk aangrijpt bij het ambt, en niet bij de ambtsdrager, schuift de redenering daarna toch weer in de richting van een persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat blijkt uit de opmerking over de mate waarin ‘zittende ministers’ ex post wijzigingen kunnen aanbrengen in doen, nalaten en opvattingen van ‘voorgangers’. Nu geldt in het algemeen dat gedane zaken geen keer nemen, zodat de relevantie van deze passage in de kabinetsreactie alleen maar kan zijn dat zittende ministers niet (inhoudelijk) verantwoordelijk zijn voor wat zij zelf niet anders hadden kunnen doen. Die inhoudelijke verantwoordelijkheid (die dus verder gaat dan het enkel verschaffen van inlichtingen en het beantwoorden van vragen) geldt pas weer ten aanzien van wat zittende minister zelf gedaan hebben of hadden kunnen doen.

Zo’n redenering past echter weer prima bij ministeriele verantwoordelijkheid die bij de ambtsdrager aangrijpt, omdat het dan kennelijk wel uitmaakt of hier een ‘zittende minister’ wordt aangesproken of een ‘voorganger’. Daarmee is ook dit verhaal een genuanceerde positie in het midden geworden.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: