Vaststaande feitelijkheden?

door LD op 08/02/2010

in Haagse vierkante kilometer

Parlement & Politiek is een prachtige website over de Nederlandse politiek waar voor iedereen wel wat te vinden is. De scholier krijgt er uitleg over de werking van de parlementaire democratie, de student rechten die Belinfante/De Reede verschrikkelijk vindt krijgt er in begrijpelijk Nederlands uitleg over de ministeriële verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel, de gewone burger leest er over de meest recente gebeurtenissen en de (amateur) historicus kijkt zijn ogen uit vanwege de schitterende databank met alle denkbare gegevens over kamerleden, ministers en kabinetten. Sinds een aantal jaar wordt de website nog opgeleukt door een wekelijkse column, die afwisselend geschreven wordt door Joop van den Berg en Bert van den Braak. De columns zijn doorgaans vlot geschreven en zeer informatief. Feiten en gebeurtenissen uit een grijs verleden, die iedereen alweer vergeten was (inclusief de huidige generatie politici) worden in herinnering gebracht. Kortom: de columns zijn een aanwinst.

Toch wordt er door de schrijvers zo nu en dan wel eens iets beweerd wat tegenspraak behoeft. Dat is zeker het geval wanneer een column onder de titel ‘Vaststaande feitelijkheden‘ wordt gepubliceerd. In deze column benadrukt Van den Braak het belang van een kritische geest tegenover schijnbaar onbetwiste feitelijkheden. Naast de nummering van de kabinetten-Colijn en de mythe van de Duitse overgave op 5 mei 1945 (het was eigenlijk 6 mei) neemt hij de data van aantreden van bewindspersonen in de jaarboekjes Parlement & Kiezer onder vuur. Van den Braak merkt op:

“In de overzichten van de diverse kabinetten staan onjuiste data bij het aantreden van enkele staatssecretarissen in de kabinetten-Drees. Ten onrechte worden daarin de benoemingsdata vermeld. Een functionaris aanvaardt zijn functie echter pas door het afleggen van de eed of belofte. De datum van beëdiging (en dus van het formeel in functie treden) was feitelijk vaak enkele dagen later. Zonder uitzondering heeft iedereen (tot voor kort ook parlement.com) later steeds de benoemingsdatum uit Parlement en Kiezer overgenomen en niet de datum van beëdiging.”

Deze stelling behoeft dringend nuancering. Staatsrechtelijk is de eedaflegging in principe niet constitutief. De ambtsuitoefening van een minister of staatssecretaris (dus: het formeel in functie treden, oftewel het aantreden) begint met de inwerkingtreding van het koninklijk besluit tot benoeming. Dit hoeft niet per se de dag van het afleggen van de eed of belofte te zijn. Zo staat het bijna letterlijk in het aan het huidige artikel 49 Grondwet gewijde deel van de memorie van antwoord die de regering in 1980 aan de Eerste Kamer stuurde (Kamerstukken II 1980/81, 16.035, nr. 8, p. 19). Ook de bekende staatsrechtelijke handboeken gaan ervan uit dat niet de dag van de eedaflegging, maar de datum van inwerkingtreding van het benoemingsbesluit beslissend is voor de aanvang van de ambtsuitoefening (zie bijvoorbeeld Tekst & Commentaar Grondwet en het Grondwetscommentaar van Koekkoek c.s.).

Het is overigens wel zo dat het benoemingsbesluit kan bepalen dat een minister of staatssecretaris ‘met ingang van de datum van zijn beëdiging’ wordt benoemd (zie bijvoorbeeld de benoeming van Minister Van der Laan in november 2008). In dat geval is de eedaflegging echter alleen constitutief omdat het benoemingsbesluit de datum daarvan expliciet vermeldt, niet omdat het grondwettelijk systeem nu eenmaal zo werkt. Het benoemingsbesluit hoeft de formule ‘met ingang van de datum van zijn beëdiging’ ook niet te gebruiken. Ministers en staatssecretarissen worden minstens zo vaak, en misschien nog wel vaker, ‘met ingang van heden’ benoemd, waarmee de datum van het benoemingsbesluit – ook al wordt dat pas later bekendgemaakt – met terugwerkende kracht doorslaggevend is. Zie bijvoorbeeld het koninklijk besluit inzake de installatie van het tweede kabinet-Balkenende van 27 mei 2003: onder andere Zalm, Peijs, Dekker, De Graaf, Verdonk en Brinkhorst werden ‘met ingang van heden’ benoemd. Geen enkele connectie met de eed of belofte dus.

Het lijkt me niet onverstandig als parlement.com kennis neemt van het voorgaande alvorens de hele website om te gooien…

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 Bert van der Braak 09/02/2010 om 11:10

Het is correct dat het antwoord dat minister Wiegel in 1980 gaf op een vraag van de PPR de stelling lijkt te bevestigen dat het ambt aanvangt bij benoeming. Ik baseer mij evenwel op – het weliswaar oudere – ‘Constitutioneel Recht’ van P.J. Oud. Die schrijft (p. 112) in reactie op een bewering van Lohman: “Lohman meent dat een ambt begint bij de benoeming. Dat is apert onjuist. Een benoeming moet eerst aanvaard worden.” Op p. 270 schrijft Oud: “De ministers plegen het beheer hunner departement niet te aanvaarden, vóór de beëdiging heeft plaats gehad.” In 1980 werd door Wiegel hierover met geen woord gerept, terwijl het nieuwe artikel 49 van de Grondwet toch ook bepaalt dat ministers en staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt de eden of beloften afleggen. Er is dus een duidelijke koppeling tussen aanvaarden en eedaflegging. Waarop het in 1980 veranderde inzicht dus gestoeld was, is onduidelijk.

Tegenwoordig komt het – voor zover ik kon nagaan – niet meer voor dat er een andere benoemingsdatum is dan de datum van beëdiging. Dat bij Van der Laan nadrukkelijk de beëdiging werd vermeld, werd volgens mij vooral ingegeven door het feit dat Van der Laan mogelijk juist niet op al dag van benoeming had kunnen worden beëdigd (wellicht maakte zijn activiteiten als advocaat dat onzeker).

2 LD 09/02/2010 om 16:35

Bedankt voor deze uitgebreide reactie.

U geeft zelf al aan dat het werk van Oud ‘weliswaar ouder’ is. Dat lijkt me een terechte opmerking, want Oud overleed in 1968, vijftien jaar vóór de totstandkoming van de huidige Grondwet. Voor de interpretatie van die Grondwet lijkt me het gestelde in de toelichtende parlementaire stukken en in de hedendaagse staatsrechtelijke literatuur toch relevanter dan een boek waarvan de laatste druk uit 1967 dateert. Bovendien blijkt uit de opmerking van Oud zelf al dat er in zijn tijd meerdere meningen waren over de vraag wanneer de ambtsuitoefening begon. De Lohmans waren ook geen kleintjes.

Uw beroep op de tekst van artikel 49 Grondwet overtuigt mij ook niet. Het artikel is moeizaam geformuleerd, maar stelt toch duidelijk dat het ministers en staatssecretarissen zijn die een eed afleggen. Dus niet: kandidaat-ministers en kandidaat-staatssecretarissen. De betreffende functionarissen zijn reeds in functie.

Voor andere voorbeelden van ministers die ‘met ingang van heden’ werden benoemd, verwijs ik naar de benoemingsbesluiten van de kabinetten Kok II en Balkenende III uit 1998 en 2007. Zoals gezegd kan een KB kiezen voor benoeming per de datum van beëdiging. Dat lijkt met name bij staatssecretarissen gebruikelijk te zijn, maar is ook niet meer dan dat. Het is een keuze, geen grondwettelijke verplichting.

Dat de datum van beëdiging de datum van het formeel in functie treden is, lijkt mij in het licht van de tekst van artikel 49 Grondwet, de parlementaire geschiedenis en de hedendaagse literatuur onjuist. De eed is niet constitutief. Hier is geen sprake van ‘klein bier’. M.i. is überhaupt geen sprake van bier.

3 Anoniem 10/02/2010 om 01:48

Bovendien: ‘aanvaarden’ is weer te onderscheiden van beedigen. Raadsleden worden eerst benoemd, daarna aanvaarden ze hun zetel, en dan pas worden ze beedigd. Wat is dan het beslissende moment?

4 T 03/09/2011 om 14:36

De regering betoogt in 1989 dat beediging wel constitutief is!
Kamerstukken II 1988-89, 20264, nr. 18, p. 45-46.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: