Verdraagt art. 195 Grondwet een tweede wijziging?

door WVDB op 27/01/2012

in België

Post image for Verdraagt art. 195 Grondwet een tweede wijziging?

De context: de Grondwet bepaalt dat zij maar gewijzigd mag worden onder de volgende voorwaarden: (a) punctuele wijziging, (b) inspraak van het electoraat door de tussentijdse ontbinding van de kamers, (c) samenwerking tussen alle takken van de wetgevende macht. De procedure is als volgt: Koning, Kamer en Senaat stellen ieders voor zich een lijst op waarin artikelen worden aangeduid die kunnen gewijzigd worden in een volgende legislatuur. Dan volgen er verkiezingen, en deze nieuw samengestelde kamers kunnen, met een tweederde meerderheid, deze artikelen wijzigen. Zij zijn niet gebonden door de inhoudelijke strekking die de preconstituante aangaf (uitzondering voor nieuwe artikels: het moet dan over die materie gaan).

De casus: de huidige staatshervorming behandelt op sommige vlakken materies, die niet aangeduid werden in de laatste lijst. Om dit op te lossen kan men 2 dingen doen: ofwel de wijzigingsprocedure zelf veranderen, ofwel de staatshervorming beperken (dit wordt loodgieterij). Concreet kondigde men aan dat het plan voorligt om art. 195 gewoon tweemaal te wijzigen: een tijdelijke versoepeling (zonder ontbinding) en vervolgens een herstel naar de oude versie op het einde van de legislatuur. Dit voorstel ontlokte enkele scherpe reacties (zie de bijdragen van Reyntjens en Detand die zich beide verzetten tegen deze schending van de ratio legis van 195 GW).

De cruciale rechtsvraag luidt “Mag een constituante tweemaal eenzelfde artikel wijzigen?” Een negatief antwoord steunt op de zgn. ‘theorie van de eenmalige bevoegdheid van de constituante’. Een grondwetsartikel kan volgens deze stelling slechts een tweede maal worden gewijzigd, indien deze tweede wijziging een ander onderwerp heeft dan de eerste wijziging. M.a.w., door het wijzigen van de Grondwet, put de constituante haar bevoegdheid uit. Evenwel, een tekstueel argument uit de Grondwet om dit te ondersteunen is niet voorhanden. Daarom dat de meerderheid dit betwist, en er op wijst dat het een recente parlementaire praktijk betreft (jaren ’80). Het gevolg van deze strenge interpretatie kan namelijk zijn dat er gebruik wordt gemaakt van zgn. impliciete grondwetswijzigingen, die problematischer zijn. Overigens, de constituante verkreeg een duidelijk mandaat, volgens art. 195 GW. Een tweede wijziging, binnen eenzelfde grondwetgevende zitting, zou dan ook wél de ratio legis dienen, en slechts op een puur formeel bezwaar stoten. Uiteraard beschikt de grondwetgever, indien hij de procedure tot wijziging zelf wenst te veranderen, over een brede marge. Zo zou een extra lid kunnen worden ingevoegd dat een zeer punctuele uitzondering omschrijft, zowel qua materie, als in tijdsbestek.
Strikt juridisch gezien is er dus geen probleem. Dat neemt niet weg dat de afgeleide grondwetgever zich best onthoudt van dit soort uitzonderingsmaatregelen. De aard van de Grondwet vereist dat er op duurzame wijze wordt omgesprongen met de tekst, en dat bepaalde waarborgen i.v.m. met herziening moeten gerespecteerd worden. In die zin gelden er wel supra-constitutionele beperkingen. Dat de Grondwet soepeler gewijzigd zou kunnen worden dan een eenvoudige wet (of wet met bijzonder meerderheid) is onverenigbaar met de status als hoogste interne rechtsnorm.
Bijkomend wordt reeds lang (sinds 1919) gepleit voor een aanpassing van de herzieningsprocedure. Dit moet geschieden met aandacht voor de punctualiteit, democratische waarborgen, en eventueel ook in het licht van federale beginselen (inspraak deelentiteiten?). Laat ons hopen dat er gekozen wordt voor een ernstige en algemene oplossing.

 

UPDATE

het voorstel ligt nu voor ter bespreking in de Kamer

enkele vragen rijzen:
a) de overgangsbepaling strekt zich ook uit tot het opnemen van nieuwe bepalingen. Wellicht dekt de logica van de tijdelijke wijziging ook dit opnemen.

b) de wijziging volgens de huidige procedure (overgangsbepaling) is mathematisch lichter dan een bijzondere meerderheidswet. Dit euvel behoort wellicht eerder tot het domein van de coherentie, en niet het juridische, doch te betreuren.

c) de cryptische laatste zin ‘deze overgangsbepaling is geen verklaring in de zin van art 195, lid 2 GW’ doet vreemd aan. Het lijkt nu wel duidelijk dat de afgeleide grondwetgever niet van plan is art 195 te volgen, dus waarom dan nog zo’n mededeling? +

d) deze Kamers worden specifiek hiertoe (‘samengesteld door verkiezingen 13 juni 2010’). Hopen maar dat geen situatie opduikt waar de Kamers van rechtswege ontbonden worden. Zo zou een vreselijk ongeluk met de gehele Koninklijke familie (art 95 GW – onbezette troon), roet in het eten strooien.

e) maar het voornaamste blijft dat naast de juridische analyse, deze procedure toch de facto resulteert in een schorsing van de Grondwet, verboden volgens art 187 GW.

 

werner vandenbruwaene
universiteit antwerpen

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: