Verjaring van asbestclaims en artikel 6 EVRM

door RdG op 11/04/2017

in Europa, Grondrechten, Rechtspraak

Post image for Verjaring van asbestclaims en artikel 6 EVRM

Op dit blog is al eerder aandacht besteed aan Straatsburgse rechtspraak over de verjaring van asbestgerelateerde schadeclaims. Geconcludeerd werd dat deze rechtspraak voor Nederland geen gevolgen had. De Minister kwam vervolgens tot een soortgelijke conclusie. Ook de Hoge Raad ziet geen aanleiding van koers te veranderen, zo blijkt uit een recent arrest.

Wat is het probleem? Slachtoffers van mesothelioom, een vorm van longkanker die vrijwel uitsluitend wordt veroorzaakt door blootstelling aan asbest, raken pas op de hoogte van hun schade nadat de verjaringstermijn is verstreken. De blootstelling aan asbest leidt namelijk pas dertig tot veertig jaar na het eerste contact tot klachten. De vorderingen van veel slachtoffers en erfgenamen zijn op het moment van diagnose doorgaans al verjaard, aangezien de objectieve verjaringstermijn van dertig jaar op grond van artikel 3:310 lid 2 BW al begint te lopen vanaf ‘de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt’. De wetgever kwam slachtoffers wel tegemoet, maar hij ontwierp een regel (art. 3:310 lid 5 BW) die slechts geldt voor nieuwe gevallen, veroorzaakt vanaf 1 februari 2004.

Voor de overige gevallen – volgens de Gezondheidsraad gaat het om 12.400 werknemers in de periode 2000-2028 – kwam de Hoge Raad met een oplossing. In de zaak Van Hese/De Schelde besliste hij dat een beroep op de objectieve verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) onaanvaardbaar kan zijn. Of de verjaringstermijn inderdaad buiten toepassing moet blijven, moet de rechter met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval en in ieder geval aan de hand van een zevental gezichtspunten beantwoorden.

Het probleem van de verjaring van vorderingen van asbestslachtoffers en hun nabestaanden had Straatsburg destijds nog niet bereikt. Wel was het EHRM al eens geconfronteerd met een zaak over kindermisbruik. In Stubbings c.s./Verenigd Koninkrijk concludeerde het Hof dat de kern van het recht op toegang tot de rechter niet was aangetast. Voor de Hoge Raad gaf artikel 6 EVRM daarom niet de doorslag. Hij gebruikte artikel 6 EVRM in Van Hese/De Schelde slechts ter ondersteuning van de op grond van het Nederlandse recht aanvaarde oplossing:

‘Gelet op de — naar huidige inzichten zeer lange — duur van de termijn van art. 3:310 lid 2 en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, kan niet worden gezegd dat de onderhavige beperking van de toegang tot de rechter buiten de “margin of appreciation” van de verdragsluitende Staten valt. Dit neemt evenwel niet weg dat de in 3.3.1 voorziene mogelijkheid van het buiten toepassing blijven van de verjaringstermijn van dertig jaar wel in lijn is met het in art. 6 § 1 EVRM belichaamde recht op toegang tot de rechter.’

Veertien jaar later leidde nieuwe Straatsburgse rechtspraak tot vragen over de door de Hoge Raad geboden oplossing. Het EHRM maakte duidelijk dat benadeelden hun recht op schadevergoeding voor persoonlijk letsel moeten kunnen uitoefenen op het moment dat zij zich daadwerkelijk bewust zijn van hun schade. In een eerste asbestzaak, Howald Moor c.s./Zwitserland, oordeelde het Hof vervolgens dat artikel 6 EVRM was geschonden omdat het Zwitserse Bundesgericht had vastgehouden aan de objectieve verjaringstermijn van tien jaar. Strookte de door de Hoge Raad geboden oplossing nog wel met deze nieuwe EVRM-rechtspraak? Toepassing van de gezichtspunten kan er immers toe leiden dat het beroep op doorbreking van de verjaringstermijn wordt afgewezen.

Deze vraag is nu ook door de Hoge Raad zelf beantwoord. Volgens de Hoge Raad geeft de Straatsburgse rechtspraak ‘geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten’. Het recht op toegang tot de rechter is ‘voldoende gewaarborgd’ doordat mesothelioomslachtoffers ‘ook na het verstrijken van de verjaringstermijn van dertig jaar een rechtsvordering kunnen instellen en de rechtsgevolgen van een eventueel beroep op verjaring door de aangesproken partij, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kunnen afweren met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid’. De Hoge Raad vervolgt:

‘De aldus gewaarborgde toegang tot de rechter is niet onvoldoende effectief te achten op de enkele grond dat het succes van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (…) afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en op voorhand niet zeker is hoe de rechter in een concreet geval daarover zal oordelen.’

Volgens de Hoge Raad is in deze gevallen steeds een afweging noodzakelijk ‘tussen de belangen die voor de benadeelde en de aangesproken partij zijn gemoeid met rechtsbescherming en rechtszekerheid’. Hij vervolgt:

‘Om die belangenafweging kan worden verzocht op een moment waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is te bepalen dat hij schade lijdt, ook als de verjaringstermijn van dertig jaar is verstreken. Zij geschiedt dan aan de hand van gezichtspunten die de benadeelde in staat stellen uiteen te zetten waarom volgens hem ondanks het verstrijken van de verjaringstermijn de mogelijkheid moet worden geboden voort te procederen over de verwezenlijking van zijn aanspraak. Aldus tast de onderhavige beperking niet het wezen van het recht op toegang tot de rechter aan, dient zij een legitiem doel en is zij proportioneel aan het daarmee nagestreefde doel.’

Daarmee sluit de Hoge Raad aan bij de opvattingen van het merendeel van de schrijvers, de Minister en de lagere rechtspraak (een overzicht is hier te vinden). Het recht een vordering in te stellen is niet absoluut, een belangenafweging is en blijft noodzakelijk. Van Hese/De Schelde maakt duidelijk welke gezichtspunten de rechter daarbij dient te hanteren. Hoewel deze gezichtspuntencatalogus in de literatuur stevig is bekritiseerd, biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt nog altijd meer houvast dan die van het EHRM.

A-G Hartlief riep de Hoge Raad nog op de bestaande catalogus verder te verduidelijken. De Hoge Raad heeft hier van afgezien. Wel begeeft hij zich op de grens van feitenrechtspraak en cassatie door vervolgens op basis van de gedingstukken tot een eigen afweging van de gezichtspunten te komen. Zo heeft de Hoge Raad tóch enige aanwijzingen kunnen geven voor de waardering van de positie van de aansprakelijk gestelde persoon, in dit geval een rechtsopvolger die ruim veertig jaar na uitdiensttreding van de werknemer wordt geconfronteerd met een aansprakelijkstelling.

(foto: ZA)

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: