Verjaring van asbestclaims onder de Straatsburgse loep (deel 2)

door Redactie op 16/05/2014

in Grondrechten

Post image for Verjaring van asbestclaims onder de Straatsburgse loep (deel 2)

Op dit blog is eerder de uitspraak van het EHRM in de zaak Moor vs. Zwitserland besproken. Moor was tijdens zijn werk als monteur blootgesteld aan asbest, en had als gevolg daarvan kanker opgelopen. Bij asbest-gerelateerde ziektes is de zogenaamde latentieperiode nogal lang: het kan 10 tot 60 jaar duren voordat de ziekte zich daadwerkelijk openbaart. In het geval van Moor sloeg de ziekte ruim 25 jaar na de laatste blootstelling toe. De ex-monteur overleed en zijn weduwe en dochters trachtten bij de rechter genoegdoening te krijgen. Die pogingen liepen in Zwitserland stuk op de absolute verjaringstermijn van 10 jaar, die al begint te lopen vanaf het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het EHRM achtte die keiharde termijn echter in strijd met artikel 6 EVRM: zij maakt eigenlijk iedere asbest-gerelateerde vordering bij voorbaat onmogelijk en tast daarmee het recht op toegang tot de rechter in de kern aan.

Uit de eerdere bespreking op dit blog bleek dat de gevolgen van de uitspraak voor Nederland – dat ook regelmatig met asbestclaims te maken heeft – vermoedelijk niet heel groot waren. Tot een soortgelijke conclusie komt nu minister Opstelten van Veiligheid en Justitie in antwoord op schriftelijke vragen van het Tweede Kamerlid Jan de Wit (SP). De minister wijst op diverse zaken. Zo geldt voor schadeveroorzakende gebeurtenissen van ná 1 februari 2004 een verjaringstermijn van vijf jaar, die pas aanvangt na het bekend worden van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Voor asbestclaims is dat relatief nieuwe artikel niet echt van belang, maar voor schadeveroorzakende gebeurtenissen van vóór 2004 geldt een absolute verjaringstermijn van 30 jaar. Die is, zo voert de minister aan, al drie keer zo lang als de Zwitserse termijn. Dat brengt ook met zich mee dat een asbestclaim niet per definitie zal zijn verjaard, anders dan in de Zwitserse situatie.

Maar het is natuurlijk nog steeds niet uitgesloten dat een asbest-gerelateerde ziekte zich pas na meer dan dertig jaar openbaart, en dat het dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is de verjaringstermijn strak toe te passen. Die kan in zulke situaties doorbroken worden, waarbij de minister zich op het ook in de eerdere bespreking op dit blog genoemde uitspraak van de Hoge Raad inzake Van Hese/De Schelde beroept. In dat arrest geeft de Hoge Raad lagere rechters zeven gezichtspunten mee aan de hand waarvan zij de aanvaardbaarheid van toepassing van de verjaringstermijn in een concreet geval kunnen beoordelen:

“De beoordeling door de rechter aan de hand van de zeven gezichtspunten kan er dus toe leiden dat de verjaringstermijn van dertig jaar in een concreet geval van verborgen schade niet wordt toegepast. De Nederlandse rechter doet daarmee datgene wat het EHRM in de zaak Moor op basis van artikel 6 EVRM eist: te weten, het meewegen van de wetenschappelijk bewezen omstandigheid dat een asbestslachtoffer niet op de hoogte kan zijn van zijn schade in de berekening van de verjaringstermijn.”

Al met al constateert de minister dat Moor vs. Zwitserland voor Nederland geen consequenties heeft:

“Ik meen dat het Nederlandse stelsel voor asbest-gerelateerde vorderingen voor blootstellingen vóór 1 februari 2004 in overeenstemming is met artikel 6 EVRM en de uitleg daarvan door het EHRM in de zaak Moor. De combinatie van een lange absolute verjaringstermijn van dertig jaar van artikel 3:310 lid 2 BW, een uitgebreide voorschotregeling voor asbestslachtoffers op basis van de TAS en het zeven-gezichtspuntenarrest in Van Hese/De Schelde en de toepassing daarvan in de lagere rechtspraak maken dat het arrest Moor van het EHRM voor de Nederlandse rechtspraktijk en Nederlandse asbestslachtoffers geen gevolgen heeft.”

(foto: ZA)

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 jan van zelm 10/12/2015 om 14:17

In dit kader – en ik spreek (helaas) uit ervaring – kan ik de lezers van ook dit bericht melden dat wanneer een werkgever die, in het geval van mijn aan mesothelioom overleden vader, notabene voorzitter was van het in de jaren 50 steeds breder (..) optredende Veiligheidsinstituut het evengoed mogelijk is gebleken in andere asbestletselschadezaken t.a.v. deze werkgever dat er géén verantwoordelijkheid in zijn schoot werd gelegd. Deze werkgever was in de grote/brede industriële kringen geen onbekende. Verspreiding van en toepassing van kennis maar ook het tegengaan van al láng bekende risico’s lag dus wél op het pad der logica.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: