Verjaring van asbestclaims onder de Straatsburgse loep

door RdG op 09/04/2014

in Europa, Grondrechten, Rechtspraak

Post image for Verjaring van asbestclaims onder de Straatsburgse loep

Van 1965 tot 1978 werkt Hans Moor als monteur in een Zwitserse fabriek waar asbest wordt gebruikt. In mei 2004, vlak voor zijn pensioen, wordt bij hem mesothelioom vastgesteld, een vorm van kanker die het gevolg is van blootstelling aan asbest. In november 2005 overlijdt hij op 58-jarige leeftijd.

In verschillende procedures trachten de weduwe en dochters van Moor zijn werkgever en de Caisse nationale suisse d’assurance en cas d’accidents aan te spreken tot schadevergoeding. Zij stuiten direct op een groot probleem: de absolute verjaringstermijn onder Zwitsers recht bedraagt slechts tien jaar, vanaf de schadeveroorzakende gebeurtenis. Op het moment dat de ziekte bij Hans Moor werd vastgesteld, waren de vorderingen dus al verjaard. De Zwitserse rechters, inclusief het Zwitserse Bundesgericht, wijzen de claims daarom af. Daarop stappen moeder en dochters naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

De casus doet denken aan de Nederlandse schilder Van Hese, die tijdens zijn werkzaamheden voor Koninklijke Schelde met asbest in aanraking kwam. Drieëndertig jaar na dato werd bij hem dezelfde ziekte vastgesteld. Ook in zijn geval waren de vorderingen reeds verjaard voordat hij bekend werd met de schade. Een en ander leidde destijds tot het bekende Van Hese/Koninklijke Schelde arrest.

Daarin overwoog de Hoge Raad dat toepassing van de lange verjaringstermijn in uitzonderlijke omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toch onaanvaardbaar kan zijn. De rechter moet de volgende gezichtspunten in zijn beoordeling betrekken:

(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
(b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
(c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
(e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
(f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

De Hoge Raad maakt de onderlinge verhouding tussen de gezichtspunten niet duidelijk, en in de literatuur wordt betwijfeld of het hanteren ervan werkelijk beter gemotiveerde uitspraken oplevert. Hebly en Lindenbergh onderzochten de lagere rechtspraak (AV&S 2013/18) en concluderen dat vooral de verwijtbaarheid (c), de mogelijkheid tot verweer (e) en het voortvarendheidsvereiste (g) gewicht in de schaal leggen. De overige gezichtspunten lijken doorgaans van minder belang.

Hoe ziet het EHRM de problematiek? Al eerder, in een procedure over seksueel misbruik (Stubbings/United Kingdom, 1996) overwoog het EHRM dat het recht een vordering in te stellen ‘is not absolute, but may be subject to limitations’, maar dat deze beperkingen niet zo ver mogen gaan dat ‘the very essence of the right is impaired’. Een dergelijke beperking komt in strijd met art. 6 EVRM  ‘if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved’.

In de zaak Moor/Zwitserland (11 maart jl.) herhaalt het EHRM deze uitgangspunten, en vervolgt:

‘Prenant en compte la législation existant en Suisse pour des situations analogues et sans vouloir préjuger d’autres solutions en­visageables, la Cour estime que, lorsqu’il est scientifiquement prouvé qu’une personne est dans l’impossibilité de savoir qu’elle souffre d’une certaine maladie, une telle circonstance devrait être prise en compte pour le calcul du délai de péremption ou de prescription.’ (r.o. 78)

Als wetenschappelijk dus kan worden aangetoond dat de betrokken persoon onmogelijk kon weten dat hij of zij leed aan een bepaalde ziekte, moet dit volgens het EHRM meewegen in de berekening van de verjaringstermijn. Het EHRM concludeert dan ook dat het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) in dit geval is geschonden.

In Trouw viel donderdag 3 april jl. een eerste commentaar te lezen:

‘Het hof oordeelde dat de verjaring pas gaat lopen nadat de ziekte is vastgesteld. Volgens de Utrechtse advocaat Bob Ruers (…) betekent dit dat werkgevers zich niet langer kunnen beroepen op verjaring bij ex-werknemers die meer dan dertig jaar nadat ze met asbest werkten ziek zijn geworden. (…) In de praktijk zullen door het arrest asbestslachtoffers voortaan, na het vaststellen van hun ziekte, de gebruikelijk vijf jaar hebben om een schadeprocedure te beginnen tegen een (voormalige) werkgever.’

Dit is een wel erg stellige lezing van het arrest, die slachtoffers op het verkeerde been kan zetten. Allereerst lijkt het allerminst verstandig als zij na het vaststellen van hun ziekte langer dan twee jaar wachten met het beginnen van een schadeprocedure. Als de absolute verjaringstermijn is verstreken, wordt een termijn van (maximaal) twee jaar redelijk geacht, zo wijst ook het aangehaalde onderzoek van Hebly en Lindenbergh uit. Het nieuwe lid 5 van art. 3:310 BW, waardoor voor personenschade nog slechts de korte termijn van vijf jaren geldt, is niet van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die voor 1 februari 2004 hebben plaatsgevonden en biedt asbestslachtoffers dus geen soelaas.

Verder kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat een beroep op de lange verjaringstermijn door werkgevers na dit arrest niet meer mogelijk zou zijn. Het EHRM heeft het slechts over ‘meewegen’ van de omstandigheid dat het slachtoffer geen kennis had van zijn ziekte. Dit lijkt juist een bevestiging van de Nederlandse praktijk, waarin het onder omstandigheden al mogelijk is de absolute verjaringstermijn buiten toepassing te laten, maar ook om daartegen verweer te voeren.

Opvallend is wel dat, daar waar de Hoge Raad wordt bekritiseerd omdat het de rechter opzadelt met teveel gezichtspunten, het EHRM juist erg weinig houvast biedt. Wellicht kan de Nederlandse jurisprudentie op dit punt als inspiratie dienen, terwijl de (toekomstige) Straatsburgse jurisprudentie er misschien voor kan zorgen dat de Hoge Raad zijn catalogus nog eens overdenkt en daarin – na herhaalde oproepen – een globale hiërarchie aanbrengt.

(foto: ZA)

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 jan van zelm 10/12/2015 om 14:05

In dit kader mag het feit niet gepasseerd worden dat er ondanks (..of zelfs juist dankzij..) een wet-en regelgeving er decennia lang gedraald en getalmd is met het daadwerkelijke (!) handhaven en toezicht houden (!) op de uitvoering van de wet-en regelgeving aangaande de wel degelijk en reeds lang bekende risico’s van blootstelling aan asbestvezeldragend materiaal. Mede deze g.v.z. heeft ertoe kúnnen leiden dat er nauwelijks enige rem is gekomen op de mogelijkheden van het groeien van aantallen asbestslachtoffers. Wanneer de asbestslachtoffers zélf, dan wel veelal – door helaas een overlijden van het asbestslachtoffer zelf – noodzakelijk in opvolging voortgezet door nabestaande(n), allen(!!) een letselschadezaak aanhangig zouden maken dan zou er meer en stevigere jurisprudentie kunnen ontstaan. Maar deze ‘rechtsvechters’ zijn al niet talrijk omdat het letterlijk overleven een, maar vooral hún, 1e belang is. Vervolgens vinden zij in hun omgeving vaak ook uit de hoek waarvandaan zij steun verwachtten en zich daar ook in principe moeten melden niet de actieve nodige steun, zowel moreel niet als ook in actieve zin niet. Dát zouden zomaar redenen kunnen zijn waarom – tot op heden althans – het aantal asbestletselschadeclaim-zaken nog beperkt is gebleven. Ook het telkenmale opnieuw kennelijk op het rechtspad gelegen ongelijke plaveisel van ‘wisselende uitspraken’ maakt van dat rechtspad geen eenvoudige traject. Zo gemakkelijk als de dodelijke aandoening werd opgelopen zo moeilijk is er recht te vinden. Uiteindelijk gaat het ook om enorme totaalbedragen en daarmee belangen, nog afgezien van de kosten. …Ik spreek nog steeds over menselijk leed, daarover wil ik hier geen misverstand laten bestaan.
Er blijkt echter vaak bij ‘mensen’ meer gevoeligheid voor cijfers/euro’s dan voor menselijk leed. Maar…, de cijfers beginnen steeds meer te tellen!

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: