Verklaring Omtrent het Gedrag voor raadsleden

door DJE op 08/02/2018

in Decentralisatie

Post image for Verklaring Omtrent het Gedrag voor raadsleden

In zijn nieuwjaarsrede riep de CdK van Noord-Holland – Johan Remkes – op tot debat over de positie van decentrale volksvertegenwoordigers en bestuurders, mede in het licht van ondermijning en integriteit. Dat is op zich zelf genomen heel goed want in de aanloop naar de komende raadsverkiezingen zijn er veel misverstanden rond dat thema en op belangrijke onderdelen is er aanzienlijke verwarring. Naar aanleiding van de kwestie-Brunssum riep Remkes op tot een nieuwe regeling voor de positie van wethouders. Anders dan het Genootschap van burgemeesters – die de burgemeester veel meer mogelijkheden wil geven om bijvoorbeeld wethouders tot aftreden te dwingen – is Remkes van oordeel dat de burgemeester daar verre van moet blijven. In uitzonderlijke gevallen zou de minister – met een adviesrol van de CdK – moeten kunnen interveniëren. Dit voorstel van Remkes is aanzienlijk beter dan het niet goed doordachte concept van het Genootschap. Omdat ik samen met collega Korsten onderzoek verricht in de kwestie-Brunssum laat ik dit thema nu liggen, maar kom er later zeker op terug. Een in het oog springend onderdeel van de nieuwjaarsrede van Remkes had betrekking op de positie van raads- en statenleden. De Noord-Hollandse CdK is van oordeel dat ook daar correcties nodig zijn. In toegespitste gevallen zouden raads- en statenleden hun positie als volksvertegenwoordiger moeten opgeven, bijvoorbeeld indien vast komt te staan dat er sprake is van aantoonbare ondermijning. In het verlengde hiervan ligt de vraag wat de betekenis is van VOG-verklaringen bij de benoeming van raadsleden. Naar aanleiding van de rechtszaak-Jos van Rey heeft bijvoorbeeld de burgemeester van  Roermond laten weten dat er na de raadsverkiezing van maart mogelijk verklaringen omtrent het gedrag zullen worden gevraagd aan de nieuwe raadsleden. Nu er cassatie is in de zaak-Van Rey is deze kwestie nog onder de rechter en zal er geen effect voor betrokkene kunnen zijn zolang er geen onherroepelijk oordeel is. Maar ook in algemene zin is het de vraag wat de ruimte voor raden en staten om hier op te treden, al dan niet via VOG-verklaringen. Een aan te brengen extra belemmering is immers een stevige beperking van het passief kiesrecht. Het passief kiesrecht wordt beschermd door de Grondwet. Het vrije mandaat houdt in dat nadat een volksvertegenwoordiger door de kiezer is gekozen, het alleen het raadslid zelf is dat beslist over zetelopgave. Geen enkele derde kan hier een beslissende rol spelen. Dat is een uiterst fundamenteel staatsrechtelijk uitgangspunt. Wel is het zo dat de rechter iemand uit het kiesrecht kan ontzetten. Ook dat is in de Grondwet geregeld. Deze zogenaamde kiesrechtuitsluitingen kunnen door de rechter worden uitgesproken als bijkomende straf. Dat kan echter alleen bij bepaalde delicten en daarbij moet het bovendien gaan om delicten waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd van meer dan een jaar. In de praktijk betekent dit dat deze bijkomende straf vrijwel nooit wordt uitgesproken. In de ondermijningswetgeving kan natuurlijk hier een aanvulling op worden gegeven, maar ook dan kent de Grondwet de belemmering van de langdurige hechtenis en dat betekent dat dit helemaal niets gaat opleveren. Het pleidooi van Remkes lijkt dus op het eerste oog aantrekkelijk, maar heeft bij nader inzien een hoog dode mus gehalte. Dat geldt voorlopig ook voor de VOG-verklaringen. Als een VOG-verklaring niet wordt afgegeven kan op betrokkene een moreel beroep worden gedaan om op te krassen, maar een formeel instrument om een benoeming tot volksvertegenwoordiger tegen te houden is er niet. Kortom: eerst goed nadenken, dan goed regelen en vervolgens effectief toepassen. En vooral niet nu de illusie oproepen dat het vragen van enkele duizenden VOG-verklaringen in de dagen na de raadsverkiezing van maart een effectief  instrument is om integere raadsleden op de zetels te krijgen. Bij raadsleden die de VOG-verklaring niet krijgen, ontstaat er dan een enorm politiek en maatschappelijk gedruis, terwijl is verzuimd om te regelen wat daarvan de consequenties zijn. Dat is wel typisch Nederlands, maar slecht voor de democratie.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Ellen Timmer (Pellicaan Advocaten) 15/02/2018 om 19:34

Met de ideeën in dit artikel ben ik het mordicus oneens. Het is hoog tijd dat kamerleden en raadsleden op integriteit getoetst worden, zoals in de financiële sector al gebeurt. Bovendien is het niet uit te leggen dat mensen in de kinderopvang permanent gescreend worden en ondernemingen Bibob toetsingen en allerlei screeningen moeten ondergaan. Het is tijd om te zorgen dat juist die belangrijke politieke functionarissen gescreend worden.
Lees ook https://ellentimmer.wordpress.com/2017/11/25/vog-4/

2 B. Bleumink 20/02/2018 om 23:48

Het blijft de vraag in hoeverre een integriteitstoets vooraf voor volksvertegenwoordigers en bestuurders zinvol is. Garanties uit het verleden bieden namelijk niet de garantie dat mensen zich in de toekomst netjes aan de regeltjes houden. Schijnzekerheid ligt op de loer. Daar komt nog bij dat er geen eenduidige visie bestaat over wat integriteit inhoudt. Vanuit rechtsfilosofisch oogpunt is het antwoord op de vraag wat integriteit is, behoorlijk afhankelijk van de visie die iemand heeft op hoe een overheid zou moeten functioneren. Om die redenen biedt de huidige wet- en regelgeving ook slechts minimumeisen voor wat betreft integriteit, die waarden vertegenwoordigen waar we het als samenleving nog over eens kunnen zijn. Overtreding van deze bepalingen is dan ook evident onrechtmatig.

Los van deze filosofische notie neemt dit natuurlijk niet weg dat het vereisen van een VOG van bestuurders en politici wel degelijk een bijdrage zou kunnen leveren aan het bevorderen van integriteit. Daarvoor zullen organieke wetten moeten worden aangepast, en ik mag hopen dat daarbij inderdaad een goed debat gevoerd wordt over de vraag hoe het vereisen van een VOG zich verhoudt tot het in de Grondwet verankerde passieve kiesrecht. Zowel voor als tegen het beperken van dit recht zijn in dit specifieke geval steekhoudende argumenten aan te voeren en de wetgever zou deze in het hypothetische geval van een wetswijziging kunnen afwegen.

Wel ben ik het met prof. Elzinga eens dat een wettelijke grondslag voor het vereisen van een VOG absoluut noodzakelijk is. Het mag dan allicht niet uit te leggen zijn dat burgers constant gescreend worden, en politici niet, maar uit leggen dat een gekozen volksvertegenwoordiger zonder VOG juridisch gezien niet gedwongen kan worden op te stappen, of uit leggen dat een bestuurder zonder VOG, maar met steun van een meerderheid kan aanblijven is zo mogelijk nog moeilijker, zo niet onmogelijk. Juristen zijn niet gebaat bij een dergelijke schijnvertoning, en de burger en de democratie zeker ook niet.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: