Versluierd taalgebruik en witteboordencriminaliteit

door IvorenToga op 21/05/2013

in Rechtspraak

Post image for Versluierd taalgebruik en witteboordencriminaliteit

“Versluierd taalgebruik” is een term die je vaak in dossiers van onderzoeken in strafzaken zult aantreffen. Vooral in processen-verbaal in drugsdossiers komt de politie in haar analyse van afgeluisterde telefoongesprekken (in strafzaakjargon “tapgesprekken” genoemd) meer dan eens tot de conclusie dat de conversatie tussen de betrokkenen niet over, bijvoorbeeld, wit en bruin brood of over meloenen en sinaasappels gaat, maar over cocaïne en heroïne. Ook plaatsnamen worden in dit soort gesprekken “versluierd”: Manchester is eigenlijk Mumbai en in plaats van London moet je Lahore lezen.
Of de gesprekspartners noemen getallen “50” en “100”, maar bedoelen volgens de verbalisanten in feite kostprijzen van 50.000 en 100.000 in een of andere va-lutasoort voor de aan- of verkoop van verdovende middelen. Tijdens verhoren bij de politie of in de rechtszaal wringen verdachten en getuigen zich vervolgens in allerlei bochten om uit te leggen dat zij echt 50 kilo sinaasappels of 100 me-loenen aan het verhandelen waren. Kunnen zij er wat aan doen dat de politie hen tijdens haar observaties nooit met kisten met deze vruchten heeft zien zeulen? Het dossier toont toch aan dat de politie hen niet 100% van de tijd in de gaten heeft gehouden?

Het lezen van uitgewerkte telefoongesprekken is soms een vermakelijke bezig-heid en brengt een beetje smeuïgheid in de overigens nogal zakelijke en dorre materie in andere onderdelen van de dossiers. Eigenlijk is het onvoorstelbaar dat criminelen nog zo vaak van de telefoon gebruik maken. Nederland behoort, als we de getallen moeten geloven, tot de meest getapte landen van de wereld. Je zou dan ook verwachten dat daders van strafbare feiten zich zeker in georganiseerde vorm andere communicatiemiddelen zouden bedienen. Telefoon en sms zijn echter nog altijd niet uit de strafdossiers weg te denken.

Versluierd taalgebruik zie je eveneens in andere vormen. Op radio of televisie wordt nog weleens een voetballer geïnterviewd die van de scheidsrechter een rode kaart heeft gekregen, omdat hij tijdens de wedstrijd een speler van de te-genpartij onderuit zou hebben geschopt. Als de verslaggever hem vraagt of hij dat echt heeft gedaan, volgt zelden een gave bekentenis. Uit de wijze waarop de voetballer antwoordt, valt vaak echter wel iets op te maken. Zo lijkt het of de al dan niet met verontwaardiging uitgesproken zin “ik heb hem niet onderuit ge-trapt” een oprechte uitdrukking van een ontkenning vertegenwoordigt. Als de voetballer echter zonder al te veel overtuiging “ik ontken dat hem een trap heb gegeven” zegt, zou dat kunnen betekenen dat hij schuldig is, maar dat eigenlijk niet rechtstreeks durft toe te geven. De frase “ik ontken” in plaats van “ik heb het niet gedaan” is dan dus een manier om indirect toe te geven dat er wel iets is gebeurd dat niet door de beugel kan. Voetballers zijn doorgaans geen goede toneelspelers en vinden het misschien moeilijk rechtstreeks te liegen.

Een andere, vergelijkbare zin hoor je de laatste tijd ook steeds meer: “ik herken mij daar (totaal) niet in”. Ook die volgt als antwoord op de vraag of iemand iets heeft gedaan wat niet in de haak is. De gebruikers van deze frase zijn veelal per-sonen die zich vanwege hun positie of werk aan bepaalde normen houden of het gevoel hebben dat zij daaraan zijn gebonden. Je vindt hen onder functionarissen van bedrijven of andere instellingen. Ook zij lijken met de geciteerde frase eigenlijk te willen zeggen dat ze het wel hebben gedaan, maar niet durven toe te geven.
In deze context is echter nog iets anders aan de hand dan bij de voetballers. Want met de zin “ik herken mij daar niet in” drukken de gebruikers ook een soort verontwaardiging uit. Zij willen de toehoorder eigenlijk duidelijk maken dat het schandelijk is dat zij – ja, juist zij – van zoiets mins worden beschuldigd. Zij zijn immers lieden die er hoge normen op nahouden. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat het hier vooral gaat om personen die van zogenaamde witteboordencriminaliteit worden verdacht.

De berechting op enige schaal van witteboordencriminelen is pas de laatste on-geveer 15 jaar goed op gang gekomen. En met enig vallen en opstaan hebben deze ontwikkelingen ertoe geleid dat dergelijke verdachten niet meer alleen boete of een taakstraf, maar ook gevangenisstraffen krijgen opgelegd. Dit alles wordt op een aardige manier verwoord in het interview met Marcel van Oosten, dat in het Financieel Dagblad van 29 april jl. staat te lezen en is gepubliceerd naar aanleiding van zijn afscheid als rechter in de rechtbank Amsterdam.
Van Oosten behandelde in zijn laatste jaren als rechter vooral fraudezaken en had dus veel met witteboordencriminelen en hun versluierd taalgebruik te ma-ken. Hij wijst op de discrepantie tussen enerzijds een veelplegende winkeldief die voor het stelen van een blikje bier vier weken de bak in kan gaan, en ander-zijds de functionaris van een onderneming die met listige kunstgrepen goedgelovige burgers duizenden euro’s afhandig maakt, en voorheen nog weleens aan een verblijf achter de tralies ontkwam. Versluierd taalgebruik of niet – die tijd is voorbij.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: