Vervolgingsbeslissing blijkt aantastbaar

door LD op 10/01/2012

in Rechtspraak, strafrecht, Uitgelicht

Post image for Vervolgingsbeslissing blijkt aantastbaar

Op 13 december van het vorig jaar heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen in een strafzaak tegen een oud-rechter. Het gaat hier om de zaak tegen een voormalig raadsheer bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De al wat oudere rechtenstudenten zullen deze voormalige rechter, Wicher Wedzinga, wellicht kennen als auteur van een studieboek over voorarrest. En wie het nieuws volgt, weet dat Wedzinga ook bekend staat als de ‘rammende rechter’ als gevolg van een mishandeling van zijn toenmalige vriendin, waarvoor hij ook is veroordeeld. Deze strafzaak leidde in 2006 tot zijn ontslag als raadsheer en een daaropvolgende, ook niet geheel rimpelloze carrière als adviseur. Op een gegeven moment werd Wedzinga verdacht van het schenden van het geheim van de raadkamer. Hij was namelijk in 2003 als raadsheer betrokken geweest bij een strafzaak en had in 2007 in een brief aan de advocaat van de verdachte, die een herzieningsverzoek was gestart, laten weten dat hij ook destijds al ernstige twijfels had over de juistheid van een veroordeling. Dit was tegen het zere been van de voorzitter van de kamer die uitspraak had gedaan (en waarvan dus ook Wedzinga deel uitmaakte). Hij deed aangifte tegen zijn oud-collega wegens het delict van artikel 272 Sr, schending van het ambtsgeheim. Het OM zag echter geen brood in (nog) een strafzaak en besloot tot een sepot. Wat volgde, was een door de kamervoorzitter aangezwengelde procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bij het Gerechtshof Leeuwarden, zittinghoudende te Arnhem. Het hof besloot dat Wedzinga alsnog vervolgd moest worden.

Wedzinga werd hierop door zowel de Rechtbank Groningen als (opnieuw) het Gerechtshof Leeuwarden, zittinghoudende te Arnhem, veroordeeld tot een geldboete wegens opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht. In cassatie tovert de Hoge Raad echter ambthalve, daartoe aangemoedigd door de Advocaat-Generaal Silvis, het konijn van artikel 510 Sv. uit de hoge hoed. Voor zover relevant luidt dit oude artikel (uit 1926):

Indien een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het openbaar ministerie naar de gewone regelen met de vervolging belast, door den Hoogen Raad een ander gerecht van gelijken rang als het anders bevoegde aangewezen, voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaats hebben.

De gedachte achter het artikel is duidelijk: als een rechter van rechtbank X wordt berecht door zijn eigen collega’s, dan is de onpartijdigheid van de berechting niet verzekerd. Zo’n berechting zou immers de schijn van benadeling of bevoordeling van de verdachte kunnen opwekken. De collega’s van de rechter zouden hem zowel te grazen kunnen nemen wegens ‘oud zeer’ als de hand boven het hoofd kunnen houden ‘omdat het zo’n fijne collega is’. De vraag is echter of artikel 510 Sv in deze zaak wel van toepassing is. Wedzinga is immers al sinds 2006 geen raadsheer meer en pleegde het vermeende strafbare feit van schending van het raadkamergeheim in 2007. De Hoge Raad bouwt echter voort op eerdere jurisprudentie en legt artikel 510 zeer ruim uit. In 2001 had het hoogste rechtscollege al geoordeeld dat het artikel van toepassing is op ex-rechters tegen wie de verdenking is gerezen terwijl zij nog in functie waren, maar tegen wie de vervolging en berechting pas werden afgerond nadat zij al ontslagen waren. Nu voegt de Hoge Raad daar nog aan toe dat:

de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend uit zijn functie en tegen wie daarna de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan waardoor hij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of waarbij hij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

Ook in het geval van Wedzinga had het OM dus een schriftuur tot de Hoge Raad moeten richten met daarin een verzoek een gerecht aan te wijzen waarvoor de berechting had moeten plaatsvinden. Nu dat niet is gebeurd, rijst de vraag of dit verzuim gevolgen moet hebben. De A-G vindt van niet: nog afgezien van het feit dat hierover niet geklaagd is, is aan de ratio van artikel 510 Sv in voldoende mate tegemoet gekomen doordat de berechting in hoger beroep heeft plaatsgevonden door ‘Arnhemse rechters’ (het Hof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem). Daardoor is volgens de A-G een onpartijdige berechting voldoende gewaarborgd. De Hoge Raad is echter strenger en principiëler:

Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid meebrengt van het in eerste aanleg en in hoger beroep gehouden onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken. Opmerking verdient dat het vorenoverwogene tevens meebrengt dat voormelde beschikking van het Hof van 20 november 2008 inzake het op de voet van art. 12 Sv gedane beklag haar kracht heeft verloren.

Vooral de tweede zin, inhoudende dat de vervolgingsbeschikking haar kracht heeft verloren, is opvallend. Tegen dergelijke beschikkingen staat immers geen cassatie open (vgl. artikel 445 Sv). Zij zijn dus onaantastbaar. Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk, maar heeft in deze zaak niet plaatsgevonden. Een dergelijke vorm van cassatie ‘brengt geen nadeel toe aan de rechten door partijen verkregen’, al kan het er wel degelijk toe leiden dat geen strafvervolging meer plaatsvindt (denk aan de beschikking in de zaak-Bouterse inzake de Decembermoorden). Nu de Hoge Raad expliciet stelt dat de beschikking ‘haar kracht heeft verloren’ lijkt te kunnen worden geconcludeerd dat een vervolgingsbeschikking onder omstandigheden wel degelijk aantastbaar is buiten het gesloten stelsel van rechtsmiddelen om. Uit het arrest wordt overigens niet direct duidelijk waarom het niet volgen van de procedure van artikel 510 Sv ook gevolgen heeft voor de vervolgingsbeschikking. Dat artikel ziet immers op de situatie dat een (ex-)rechter wordt vervolgd, hetgeen het OM in deze zaak aanvankelijk nu juist niet wilde. Mogelijk vindt de Hoge Raad dat het Hof te Leeuwarden het beklag van de kamervoorzitter had moeten aanmerken als een beklag in de zin van artikel 13 Sv (i.p.v. 12 Sv). Dat artikel kent een aan artikel 12 Sv gelijkwaardige procedure voor het geval dat het OM geen verzoekschrift ex artikel 510 Sv indient. De conclusie van de A-G lijkt in deze richting te wijzen.

Een interessante vraag is of de hierboven geciteerde overwegingen van de Hoge Raad over de behoorlijke procesorde en de gevolgen daarvan voor de vervolgingsbeschikking breder te trekken zijn. Deze zaak is sterk opgehangen aan artikel 510 Sv, maar de overwegingen van de Hoge Raad kunnen in een andere context evengoed voorvloeien uit de door artikel 6 EVRM voorgeschreven “eerlijke en openbare behandeling (…) door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht” en de in datzelfde artikel neergelegde onschuldpresumptie. Een verdachte die de schijn van partijdigheid van het tot vervolging bevelende gerechtshof hard kan maken, zou dus met een beroep op artikel 6 EVRM de vervolgingsbeschikking in de daaropvolgende strafprocedure onderuit kunnen halen. De vergelijking met de strafzaak tegen Geert Wilders dringt zich hier op, waarin advocaat Moszcowicz raadsheer Schalken beschuldigde van vooringenomenheid. De Rechtbank Amsterdam (LJN BQ5561) wilde er destijds niet aan, al deelde zij wel een vermaning aan het adres van Schalken uit en oordeelde zij dat “uitlatingen van een rechter die geen bemoeienis meer heeft met de betreffende zaak tot het oordeel [kunnen] leiden dat sprake is van een schending van artikel 6, eerste of tweede lid, EVRM.” In de zaak Wilders was dit echter niet het geval. Maar wat als Moszcowicz – om maar eens een strikt theoretisch voorbeeld te noemen – hard had kunnen maken dat Schalken tijdens het beruchte dinertje tegen getuige-deskundige Jansen heeft verklaard dat “die geblondeerde schoft hoe dan ook moest hangen”? Het arrest van de Hoge Raad van 13 december jl. lijkt mij ruimte te bieden in zo’n geval de vervolgingsbeslissing rechtskracht te laten verliezen wegens strijd met artikel 6 EVRM.

Oud-rechter Wedzinga heeft inmiddels aangekondigd schadevergoeding te gaan eisen. En passant deelt hij overigens ook nog een sneer uit aan raadsheer Buruma, die eerder in een interview zou hebben verklaard dat de veroordeling van Wedzinga wegens schending van het geheim van de raadkamer terecht was. Hoe de PVV hier over denkt, is niet bekend.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: